De beschikbaarheid en het gebruik van zoetwater wordt de komende decennia steeds belangrijker en ingewikkelder. De oplossing van dit vraagstuk zal inspanningen vergen vanuit diverse sectoren in het fysieke domein. De economische betekenis van zoetwatergebruik neemt toe.
Intensivering van landgebruik, klimaatverandering en hogere gebruikseisen resulteren in concurrentie om zoetwater. In stroomgebieden vindt concurrentie plaats tussen functies als waterkeringen, bodembeheer (klink en zetting), kwetsbare natuur, drinkwater, energie, kapitaalintensieve landbouwgewassen, proceswater, scheepvaart, landbouw, natuur, industrie, waterrecreatie en binnenvisserij. Ook vindt bij de zoetwaterverdeling concurrentie plaats tussen stroomgebieden binnen Nederland en (op termijn) tussen landen. Beperkingen in de zoetwaterbeschikbaarheid worden zichtbaar. Voorzieningen zoals energieopwekking zijn meer dan in het verleden afhankelijk van waterbeheer waardoor bijvoorbeeld grote droogte grotere economische gevolgen heeft. De kwetsbaarheid van maatschappelijke functies is toegenomen.
In het Deltaprogramma worden maatregelen voorbereid om de zoetwatervoorziening robuust te maken voor grotere schommelingen in wateraanvoer via de grote rivieren. Het Rijk geeft leiding aan de zoetwaterverdeling bij droogte volgens afspraken die vastgelegd zijn in de zogenaamde verdringingsreeks. Maar een nationale visie op de aanleg, het beheer, en een gedegen risicobenadering ten aanzien van zoetwatervoorziening ontbreekt vooralsnog. In welke mate kan en wil de overheid de vraag naar zoetwater sturen? Het aanbod van zoetwater kan vergroot worden, maar dit is kostbaar en kan de risico's van droogte niet wegnemen. Welke voorraden moeten beschikbaar zijn op nationaal en regionaal niveau? In welke mate moet een regio ‘de eigen broek ophouden’ als het gaat om zoetwatervoorziening en welke sturingsinstrumenten zijn hiervoor beschikbaar?
In de ruimtelijke ordening wordt aan het water tegenwoordig een medesturende rol toebedeeld. Volgens de filosofie ‘functie volgt peil’ dienen andere functies mee te bewegen. Volgens die filosofie zouden ook veranderingen in grondwater en oppervlaktewater door bijvoorbeeld klimaatverandering tot aanpassingen in het grondgebruik moeten leiden. Dit is aan de orde bij onder meer verzilting, verdroging en waterberging. Maar de praktijk is weerbarstig. Vasthouden aan bestaande functies leidt tot spanningen met het waterbeheer dat tegen toenemende kosten moet compenseren voor structurele veranderingen.
Kan de ruimtelijke ordening op Europese, nationale en regionale schaal een bijdrage leveren aan efficiënter zoetwatergebruik en daarmee vermindering van de concurrentie om zoetwater? Hoe is het aanbod van zoetwater en het gebruik - bijvoorbeeld in de landbouw - op de lange termijn in balans te brengen, mede in relatie tot klimaatverandering en de opgaven vanuit de Kaderrichtlijn Water? Zijn het ruimtelijk instrumentarium en het omgevingsrecht daarvoor goed toegerust? Wat is de rol van de nationale overheid? Wat zijn de consequenties van de overstap van een aanbodgericht waterbeleid naar een vraaggericht waterbeleid? Het briefadvies zal raken aan de beleidsterreinen van de departementen van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Nog niet bekend.
Nog niet bekend.
Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Folmer de Haan, projectleider.