Advies

Digitaal duurzaam

Februari 2021
Digitaal duurzaam
Teasertekst: 
Digitale technologie en datagebruik veranderen onze samenleving ingrijpend. Dit heeft grote gevolgen voor de duurzaamheid van onze leefomgeving. Hoe kunnen we een digitale én duurzame samenleving realiseren?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli2021/02
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Achter de leefomgeving die wij zien en ervaren gaat een digitale wereld schuil van data, platformen en digitale diensten. De digitale wereld bepaalt steeds meer hoe wij wonen, reizen, recreëren, consumeren enzovoorts. Dit heeft ons veel gemak en welvaart gebracht. Digitale technologie en data hebben positieve gevolgen voor duurzaamheid door bijvoorbeeld productieprocessen efficiënter te maken en door de integratie van zon- en windenergie in ons energiesysteem mogelijk te maken. Maar digitalisering leidt niet vanzelfsprekend tot een duurzamere samenleving. Digitalisering jaagt ook consumptie aan, zorgt voor een groei van de grondstofintensieve industrie en voor een toename van broeikasgassen.

De adviesvraag luidt: hoe hangen digitalisering en duurzaamheidstransities samen en welke rol van de overheid is nodig, mogelijk en effectief om digitalisering te laten bijdragen aan de noodzakelijke transitie naar een duurzame samenleving?

Verlichte snelweg met denkbeeldige draadstructuur van digitale verbindingen en stedelijke bebouwing op achtergrond
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De overheid voert actief beleid om de leefomgeving te verduurzamen en neemt tal van maatregelen in de fysieke leefomgeving om doelen op het gebied van broeikasgassen, klimaat en grondstoffengebruik te bereiken. De digitale kant van de leefomgeving krijgt in het beleid echter nog onvoldoende aandacht. Het digitaliseringsbeleid van de overheid richt zich op de economische kansen van digitalisering, op eerlijke concurrentie en op de bescherming van rechten van burgers in een digitale wereld, maar niet op de duurzaamheidseffecten. In het duurzaamheidsbeleid op zijn beurt, is nog onvoldoende aandacht voor de onmisbare rol van digitale technologie en data om de duurzaamheidsdoelen te bereiken. Gerichte interventies van Nederland en de Europese Unie in de digitale wereld zijn daarom noodzakelijk en gerechtvaardigd. De overheid is verantwoordelijk voor een duurzame leefomgeving en de digitalisering verandert de aangrijpingspunten om hierop te sturen. Door de digitalisering ontstaan nieuwe mogelijkheden voor overheidssturing.

Digitale platformen hebben een cruciale positie in de digitalisering van de samenleving en vormen daardoor het beste aangrijpingspunt voor maatregelen om de verduurzaming van de leefomgeving te stimuleren. In de leefomgeving verbinden platformen vraag en aanbod van tal van goederen en diensten. Hiervoor worden leefomgevingsdata verzameld, geanalyseerd en bewerkt, of het nu gaat om het aanbieden en afnemen van energie, reizen of consumentengoederen. Door deze rol bepalen digitale platformen in toenemende mate de regels voor bijvoorbeeld markten voor mobiliteit, vrije tijd, energie en grondstoffen, met effecten op de leefomgeving. De raad acht het daarom van groot belang dat de overheid hier greep op krijgt en randvoorwaarden stelt aan digitale platformen in het belang van duurzaamheid. Daartoe is volgens de Rli ook een Europese verordening nodig die het stellen van duurzaamheidsrandvoorwaarden aan platformen mogelijk maakt. Bovendien moet de rijksoverheid de mogelijkheden onderzoeken om via platformen negatieve milieueffecten door te berekenen in de prijs van producten of diensten.

De Rli doet drie hoofdaanbevelingen voor actieve overheidssturing:

  1. De overheid moet digitale technologie en data zelf vaker inzetten in haar duurzaamheidsbeleid;
  2. De overheid moet ook in zijn digitaliseringsbeleid ervoor zorgen dat digitalisering van de samenleving duurzaam is; en
  3. Overheidsorganisaties moeten zich beter voorbereiden op digitale ontwikkelingen.PM

Essays

In verschillende leefomgevingsdomeinen blijkt digitalisering zich met verschillende snelheden, intensiteit en fasering te voltrekken. Omdat er geen sprake is van één duurzaamheidstransitie heeft de Rli in de voorbereiding van het advies enkele deskundigen gevraagd om in een essay te reflecteren op de samenhang tussen digitalisering en duurzaamheidstransities in drie verschillende domeinen: energie, mobiliteit en circulaire bouweconomie. Welke veranderingen brengt die samenhang met zich mee? Wat betekent het voor het verwezenlijken van duurzaamheidsdoelen? Is het huidige instrumentarium van de overheid afdoende die doelen te halen of andere publieke waarden te borgen?

De essayisten gaan allen in op actuele digitale ontwikkelingen in de leefomgevingsdomeinen en de betekenis daarvan voor de duurzaamheidstransities. In de essays komen zaken aan bod als de ontwikkeling van digitale platformen, de veranderende invloed en rol van de overheid en de borging van publieke waarden. De inhoud van de essays valt onder de verantwoordelijkheid van de auteurs. De essays geven niet noodzakelijkerwijs de mening van de raad weer.

Lees het essay ‘Waardevol digitaliseren voor de energietransitie’ - Eef Masson, Romy Dekker & Rinie van Est - Rathenau Instituut

Lees het essay 'Digitalisering en de transitie naar een duurzame samenleving - Perspectief vanuit het mobiliteitsdomein' - Carlo van de Weijer Eindhoven - AI Systems Institute

Lees het essay 'The digital potential in creating a circular construction economy' - Paul W Chan, Catherine De Wolf and Alexander Koutamanis -Technische Universiteit Delft

Publicatiedatum

Het advies is op 9 februari 2021 aangeboden aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met de Bart Swanenvleugel, projectleider, bart.swanenvleugel@rli.nl, 06 52012691.

 

Digitalisering en duurzaamheid

Nederland staat voor een aantal forse duurzaamheidsopgaven, onder meer op het gebied van energie, mobiliteit en verbruik van grondstoffen. Bij de aanpak van deze opgaven is het opvallend dat er relatief weinig aandacht is voor de samenhang tussen de duurzaamheidstransities en de verregaande digitalisering van de leefomgeving. In ons streven naar een duurzame leefomgeving is overheidssturing op digitalisering volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) onontbeerlijk, omdat de fysieke leefomgeving tegenwoordig onlosmakelijk verbonden is met de digitale wereld. De Europese Unie noemt de transitie naar een duurzame samenleving en digitalisering niet voor niets een twin challenge.

In navolging van de Duitse adviesraad WBGU (Wisschenschaftlicher Beirat der Bundesregierung Globale Umweltveränderungen) ziet de raad twee kanten aan deze samenhang tussen digitalisering en duurzaamheid. Aan de ene kant kunnen data en digitale technologieën gericht worden ingezet om duurzaamheid te bevorderen. Daarvoor is het wel nodig dat de juiste data worden verzameld en ook (kunnen) worden gedeeld. Aan de andere kant verandert onze samenleving door digitalisering en dat heeft gevolgen voor duurzaamheid. Onder invloed van digitalisering verandert de manier waarop we reizen, werken, wonen, recreëren en zelfs hoe we naar de wereld kijken. Maar dat leidt niet vanzelfsprekend tot meer duurzaamheid. Integendeel, sommige digitale verworvenheden kunnen leiden tot meer consumptie, een groei van de grondstofintensieve industrie en een toename van broeikasgassen.

Onvoldoende beleidsaandacht voor de relatie tussen digitalisering en duurzaamheid

In het overheidsbeleid gaat veel aandacht uit naar de economische kansen die digitalisering brengt. Dat gaat steeds meer gepaard met het besef dat de digitale economie zich anders ontwikkelt dan de ‘analoge’ economie. Het beleid heeft steeds meer aandacht voor het waarborgen van eerlijke concurrentie en het beschermen van de rechten van burgers. Het beleid stelt echter geen kaders voor digitalisering vanuit de duurzaamheidsopgaven, zo constateert de raad in dit advies.

Omgekeerd richt het duurzaamheidsbeleid van de overheid zich nog nauwelijks op de digitale wereld. De raad vindt dat de wet- en regelgeving, de financiële prikkels en het toezicht in het kader van het duurzaamheidsbeleid zich te veel rechtstreeks richten op activiteiten en gevestigde partijen in de leefomgeving. Duurzaamheidsbeleid moet zich ook richten op nieuwe partijen, die zich bezighouden met de exploitatie van digitale platformen, dataverzameling of digitale dienstverlening.

Digitale platformen hebben een spilfunctie in de leefomgeving

Digitale platformen verbinden vraag naar en aanbod van goederen, diensten, informatie of kennis met elkaar. Deze platformen bepalen in toenemende mate regels voor het marktverkeer in de leefomgeving. Ze zijn daardoor steeds bepalender voor de interacties die plaatsvinden en de diensten die worden geleverd. De raad constateert dat digitale platformen door deze spilfunctie enerzijds effect hebben op de kwaliteit van de leefomgeving, anderzijds aanknopingspunten bieden om de verduurzaming van de samenleving te bevorderen. Of het nu gaat om het aanbieden of afnemen van energie, reizen of consumentengoederen, digitale platformen zijn vrijwel onmisbaar en bepalen meer en meer de voorwaarden voor het gebruik van de leefomgeving. In het mededingingsbeleid van de overheid wordt de centrale positie van digitale platformen erkend, maar in het duurzaamheidsbeleid vooralsnog niet.

Kennistekort bij overheden

Om effectief vanuit duurzaamheidsoogpunt te kunnen sturen op digitalisering is diepgaande kennis nodig van het digitale domein. Daarbij gaat het om technische kennis, maar ook om kennis van de werking van digitale markten. Overheden die betrokken zijn bij de duurzaamheidstransities hebben dat soort kennis doorgaans nog onvoldoende in huis, of de kennis is alleen versnipperd aanwezig in de organisatie.

Conclusies

De raad concludeert dat de rijksoverheid – waar mogelijk in samenwerking met de Europese Unie –de duurzaamheidsopgaven waar Nederland voor staat moet meenemen in haar digitaliseringsbeleid. De digitalisering van de samenleving gaat immers om veel meer dan alleen economische kansen en burgerrechten. Andersom zou de overheid in haar duurzaamheidsbeleid het potentieel van digitale technologie zo goed mogelijk moeten benutten. Daarvoor is een nieuwe blik op de leefomgeving nodig: niet alleen kijken naar wat er in de fysieke omgeving zelf gebeurt, maar ook naar de digitale wereld die daar achter ligt. Actieve overheidssturing op deze digitale aspecten van de leefomgeving is noodzakelijk om de samenleving te verduurzamen.

Aanbevelingen aan de overheid

De raad doet in dit advies zes aanbevelingen aan de overheid om te sturen op de gedigitaliseerde leefomgeving met het oog op duurzaamheid. Daarnaast beveelt de raad drie interventies in de overheidsorganisatie aan, die nodig zijn om de voorgestelde sturing succesvol aan te pakken.

Samengevat luiden de aanbevelingen als volgt:

  1. Stimuleer digitale alternatieven voor vervuilende activiteiten.

  2. Zorg dat er standaarden worden ontwikkeld voor de omgang met data die relevant zijn voor duurzaamheid van de samenleving.
  3. Stel eisen en randvoorwaarden aan digitale platformen om te sturen op duurzaamheid.
  4. Maak gebruik van het mededingingsrecht om de duurzaamheidsconsequenties van platformbedrijven te beoordelen.
  5. Voer experimenten uit waarin duurzaamheidseffecten verrekend worden via digitale platformen.
  6. Stel eisen aan de omgang van dienstverleners en uitvoerende partijen met de data die zij vergaren en stimuleer duurzame digitale ontwikkelingen.
  7. Ontwikkel gedeelde deskundigheid over digitalisering bij overheden.
  8. Ontwikkel werkwijzen om met beleid en regelgeving snel op digitale ontwikkelingen te kunnen inspelen.
  9. Zorg voor krachtig toezicht op digitalisering in de leefomgeving.

Waterstof: de ontbrekende schakel

Januari 2021
Waterstof: de ontbrekende schakel.
Teasertekst: 
Wat is de betekenis en het strategisch belang van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
Adviesnummer: 
Rli 2021/01
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

De interesse voor waterstof neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur daarom in op de volgende vragen:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en/of als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?
Foto: ijzeren kettingschakels - ogonekipit / Dispositphoto’s
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Waterstof wordt essentieel onderdeel van de energie- en grondstoffenvoorziening

De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zullen op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde klimaatneutrale waterstof biedt een oplossing voor deze problemen.

Waterstofmarkt ontstaat niet vanzelf

Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Aanbevelingen aan het kabinet

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie.

Het creëren van de vraag kan het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau van fossiele energiedragers stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In de casus van de klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. Het is van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Nederland zou moeten aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat. Tevens zou Nederland zich in Brussel hard moeten maken voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken. Op langere termijn, is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar en na die tijd bij kunnen dragen aan voorzieningszekerheid. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for-difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee en Noordwest-Europa zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.

Publicatiedatum

Op 25 januari 2021 overhandigde de raad zijn advies tijdens een online-aanbiedingsbijeenkomst aan de directeur-generaal Klimaat en Energie, Sandor Gaastra (r). Namens minister Bas van 't Wout van EZK nam Sandor Gaastra het advies in ontvangst.

Jan Jaap de Graeff (l) voorzitter van de Rli, overhandigde het advies aan directeur-generaal Sandor Gaastra - 25 januari 2021 Foto: Fred Ernst

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Folmer de Haan, projectleider, f.w.dehaan@rli.nl,

De interesse voor de inzet van waterstof ten behoeve van een duurzame energievoorziening neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. Op tal van plaatsen wordt hierover gediscussieerd en gepubliceerd. Daarbij lopen de meningen over de inzetbaarheid van waterstof en de condities waaronder die moet plaatsvinden uiteen. Een aantal vragen staat daarbij centraal:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (verder te noemen ‘de raad’) op deze vragen in.

Waterstof speelt ook nu al een substantiële rol als grondstof in de chemische industrie. De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat die bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?

Waterstof wordt een essentieel onderdeel van het toekomstige klimaatneutrale energiesysteem van Nederland, zo laten toekomstscenario’s en potentieelstudies zien. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zal op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan zonder meer met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger dan voor gasvormige energiedragers en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde (‘klimaatneutrale’) waterstof – dat wil zeggen waterstof bij de productie waarvan geen COHoe g vrijkomt – biedt een oplossing voor deze problemen. Elektriciteit kan namelijk worden omgezet in waterstof, in die vorm worden opgeslagen en later weer worden omgezet in elektriciteit. Dit maakt het mogelijk om periodieke overschotten en tekorten aan elektriciteit uit zon en wind kosteneffectief op te vangen en te verhandelen.

Waterstof zal daarnaast een belangrijk onderdeel worden van het Nederlandse grondstoffensysteem. Door zijn moleculaire structuur is waterstof namelijk óók bruikbaar als grondstof voor het vervaardigen van brandstoffen, materialen en producten die nu nog worden gemaakt uit aardolie, aardgas en kolen en bij chemische processen zoals het recyclen van kunststoffen.

Hoe groot de rol van waterstof zal worden in ons energie- en grondstoffensysteem is nog niet precies te zeggen. Waterstof krijgt een cruciale rol bij een aantal toepassingen (zie paragraaf 2.3) waardoor minimaal 15-25% van de energiedragers in de finale behoefte aan energetische en nonenergetische toepassingen via waterstof zal verlopen. Voor andere toepassingen is waterstof een van de mogelijke routes. Als de kosten dalen en de beschikbaarheid toeneemt, kan waterstof dus een nog veel belangrijkere rol vervullen dan nu het geval is.

Doordat waterstof tegelijkertijd in verschillende industrietakken nodig zal zijn als klimaatneutrale grondstof voor de productie van basismaterialen (zoals plastics, kunstmest en staal), vormt het in een nieuw energie- en grondstoffensysteem een integrerend element, dat uitwisseling tussen onderdelen van dit systeem mogelijk maakt. Flexibiliteit en leveringszekerheid zijn daarmee gewaarborgd.

Er zijn verschillende potentiële toepassingen voor waterstof. Vooralsnog is waterstof het enige klimaatneutrale alternatief voor het genereren van hoge temperatuurwarmte in de industrie en voor het produceren van schone brandstof voor vliegtuigen en zeeschepen. Verder kan waterstof worden gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, en als schoon alternatief voor aardgas. Dit kan met name uitkomst bieden in situaties waar andere vormen van duurzame energie moeilijk of alleen tegen hoge kosten kunnen worden ingezet.

Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?

Klimaatneutrale waterstof zal niet vanzelf een plek vinden in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem. Op dit moment zijn de vraag naar en het aanbod van klimaatneutrale waterstof nog ontoereikend. Ook is de infrastructuur voor het transport, de distributie en de opslag nog niet gereed. Om dit alles tot stand te brengen zal overheidsstimulering nodig zijn. Een waterstofbeurs, naar het voorbeeld van de stroom- en gasbeurzen, kan vervolgens dienen als economisch coördinatiemechanisme en als katalysator van een markt voor klimaatneutrale waterstof.

In het uiteindelijke systeem zal de rol van waterstof zoals gezegd cruciaal zijn. De raad verwacht dat in dit ‘eindbeeld’ voornamelijk gebruik zal worden gemaakt van ‘groene’ waterstof, dat is geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. Om de gewenste eindsituatie te bereiken is echter een tussenperiode onontkoombaar. Daarin wordt gebruikgemaakt van ‘blauwe’ waterstof, dat wordt geproduceerd uit fossiele energiebronnen waarna de bij dit proces vrijkomende CO2 wordt opgeslagen.

Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?

De waterstofmarkt ontwikkelt zich op dit moment in een internationale context. Het is daarom de vraag of Nederland het voortouw moet nemen. Kunnen we niet beter wachten op stappen van de Europese Unie (EU) en andere landen? Zowel de Europese Commissie als landen om ons heen, met name Duitsland, hebben concrete plannen gepresenteerd voor het ontwikkelen van een waterstofmarkt en daar ook middelen voor vrijgemaakt. Ook mondiaal oriënteren verschillende regio’s (onder meer het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Japan, China en Zuid-Korea met Australië en Nieuw-Zeeland) zich op de mogelijkheden om waterstof te produceren en te exporteren. Vooral de ontwikkelingen in Duitsland en België zijn voor Nederland van belang en kunnen een positief effect hebben op de ontwikkeling van de Nederlandse markt.

Toch is het volgens de raad raadzaam dat Nederland ook zelf op korte termijn actief inzet op het aanzwengelen van een waterstofmarkt in Nederland. Niet alleen omdat dit noodzakelijk is voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het belangrijk is geen achterstand op te lopen ten opzichte van de ons omringende landen. De Nederlandse overheid zal moeten investeren in infrastructuur, transport- en opslagcapaciteit. Door tegelijk ook de productie van waterstof in Nederland te stimuleren, kan op termijn de voorzieningszekerheid worden vergroot. Nederland wordt dan minder afhankelijk van andere landen, wat in de huidige onrustige geopolitieke situatie verstandig is. Daar komt bij dat Nederland verhoudingsgewijs over een gunstige uitgangspositie beschikt om een waterstofmarkt op te bouwen. Verschillende productievormen van waterstof zijn in Nederland realiseerbaar, Nederland heeft goede mogelijkheden voor de CO2-afvang en opslag en er is een bestaand netwerk voor gastransport en -distributie dat te gebruiken is voor waterstof. Nederland beschikt bovendien over relevante kennis en ervaring. Denkbaar is dat een vooraanstaande positie van Nederland in de internationale waterstofmarkt op termijn economisch voordeel zal opleveren.

Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

Een markt voor klimaatneutrale waterstof in Nederland zal niet ontstaan zonder actieve inzet van de overheid. De belangrijkste belemmeringen die de overheid kan helpen verminderen zijn:

  1. de hoge aanloopkosten voor onder meer infrastructuur en technologie
  2. het gebrek aan vraag naar klimaatneutrale waterstof als gevolg van het prijsvoordeel dat fossiele energiebronnen nu nog genieten ten opzichte van klimaatneutrale alternatieven
  3. het ontbreken van investeringsbereidheid bij marktpartijen in de productie van klimaatneutrale waterstof zolang de afname niet is gegarandeerd
  4. het ontbreken van voldoende gevoel van urgentie in de samenleving als het gaat om het belang van klimaatneutrale waterstof
  5. het risico dat er maatschappelijke weerstand zou kunnen ontstaan vanwege vermeende onveiligheid en hoge kosten.

De raad vindt dat het kabinet de realisatie van een transport- en distributienetwerk van waterstof moet faciliteren. Nederland beschikt over een uitgebreid (en met de terugdringing van het aardgasgebruik zelfs sterk overgedimensioneerd) aardgastransportnetwerk. Dit netwerk kan geschikt worden gemaakt voor waterstof. Een infrastructuur bestaande uit een hoofdnetwerk dat transport van waterstof mogelijk maakt tussen industriële clusters, naar opslagfaciliteiten en naar import- en exportlocaties, is een voorwaarde voor ontwikkeling van de waterstofmarkt.

Daarnaast heeft de rijksoverheid een cruciale rol bij het stimuleren van vraag naar klimaatneutrale waterstof. Dat kan het beste door de CO2-uitstoot van niet-klimaatneutrale alternatieven te beprijzen. Daarmee ontstaat een structureel eerlijke concurrentiepositie voor klimaatneutrale waterstof (en andere klimaatneutrale alternatieven). Voor het ontwikkelen van de Nederlandse productie van klimaatneutrale waterstof zijn tijdelijke subsidies overigens wel een goede oplossing.

Per sector verschilt de concurrentiepositie van klimaatneutrale waterstof ten opzichte van de alternatieven. Daarom zal een sectorgerichte aanpak nodig  zijn. Daarbij maakt de raad het volgende onderscheid:

  • Voor sectoren die niet vallen onder het CO2-emissiehandelssysteem van de EU, zoals de transportsector en de sector gebouwde omgeving, zijn nationale maatregelen nodig die de vraag naar klimaatneutrale waterstof vergroten.
  • Bij grote industriële ondernemingen en elektriciteitsproducenten zal het Europese CO2-emissiehandelssysteem op termijn een effectief instrument vormen om de vraag naar waterstof te stimuleren, zeker in combinatie met het aangescherpte Europese klimaatbeleid. Omdat verdergaand EU-beleid nog in de maak is, denkt de raad dat op de korte termijn ook voor deze sectoren de waterstofvraag moet worden gestimuleerd met specifieke nationale maatregelen.

Naarmate klimaatneutrale waterstof een belangrijker plaats krijgt in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem, zal het benodigde maatschappelijk draagvlak zwaarder gaan wegen. Het is daarom belangrijk dat de overheid goed communiceert over de reden waarom waterstof nodig is, en over de manier waarop zal worden omgegaan met de uiteenlopende consequenties van het gebruik van waterstof.

Eén van die consequenties betreft de veiligheid. De toepassing van waterstof is nu nog sterk geconcentreerd in industriële toepassingen. Maar de introductie van nieuwe waterstoftoepassingen en -technologieën in het publieke domein, inclusief grootschalig transport en opslag, brengt per definitie risico’s met zich mee. Het kabinet dient budget vrij te maken om zorgvuldig en uitgebreid onderzoek te doen, zodat er meer zicht komt op die risico’s en de benodigde maatregelen hoe deze risico’s te beheersen. Voorkomen moet worden dat er grootschalige toepassingen op de markt komen die onvoldoende veilig zijn. Ook kleinschalige toepassingen waar waterstof bij betrokken is, kunnen onvoldoende veilig zijn. Zeker in de fase waar we nu zitten, zullen kleine incidenten onder een vergrootglas komen te liggen. Dit zou het draagvlak voor waterstof kunnen ondermijnen.

Een aandachtspunt betreft ook transparantie over de kosten van waterstof. De introductie van elke vorm van duurzame energie heeft, zeker in de aanvangsfase, kostprijsverhogende effecten voor de consument c.q. afnemer. Zo zullen de energiekosten van huishoudens en bedrijven stijgen wanneer waterstof wordt toegepast voor de verwarming van gebouwen. Dit kan met fiscale maatregelen weer gecompenseerd worden. Deze compensatie kan alleen tijdelijk van aard zijn. De overheid zal over de aan de energietransitie verbonden kosten en over vormen van compensatie helder moeten communiceren.

De raad heeft zes aanbevelingen opgesteld met maatregelen die de rijksoverheid de komende tijd concreet moet nemen. De aanbevelingen worden hieronder samengevat weergegeven.

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van een hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters. Zo’n landelijk dekkend waterstoftransportnetwerk met import- en exportmogelijkheden komt niet tot stand zonder overheidsinzet. Gezien de aanwezigheid van een aardgasnetwerk dat kan worden benut voor waterstoftransport, zijn de kosten om een waterstoftransportnetwerk tot stand te brengen relatief laag en zullen de benodigde overheidsinvesteringen dus beperkt zijn.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Veiligheid kan dan worden meegenomen voor toepassingen van waterstoftechnologie voordat die grootschalig op de markt komen. Dit is een cruciale randvoorwaarde voor de inzet van waterstof in diverse toepassingen in het publieke domein.

Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof. Het gaat dan in de eerste plaats om duidelijke communicatie over de noodzaak van het gebruik van waterstof en dialoog over de veiligheidsrisico’s die daaraan verbonden zijn. Lokale initiatieven op het gebied van waterstof kunnen hieraan bijdragen. Daarnaast verdient de betaalbaarheid van waterstof aandacht in het beleid. Compensatie voor burgers of bedrijven die na de transitie meer moeten gaan betalen voor hun energievoorziening kan worden overwogen.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie. Het creëren van de vraag kan in theorie het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In het advies Naar een duurzame economie bepleit de raad bovendien een omgekeerde bewijslast als het gaat om het concurrentienadeel en CO2-weglekeffecten als gevolg van dergelijke heffingen als zij alleen in Nederland zouden gelden.

Als het gaat om klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. De speelveldtoets geeft aan dat de marges in de industrie smal zijn, de opties tot verduurzamen nog beperkt, en de kans op CO2-weglek aanzienlijk. Daarom is het van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Hierin voorziet het EU-plan voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk. Nederland moet zich in Brussel sterk maken voor dit carbon border adjustment mechanism. Ook moet Nederland aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat.

De internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie in Nederland laat op dit moment niet de nationale verhoging van de CO2-prijs toe die nodig zou zijn om de klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Besluitvorming op EU-niveau duurt lang en is niet zeker. Het creëren van vraag naar waterstof en een waterstofmarkt moet dus op korte termijn met andere instrumenten worden gerealiseerd.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken.

Op langere termijn is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Genoemde instrumenten hebben daarom een tijdelijk karakter. Het gaat hier om keuzes tot 2030. Na 2030 zal de inzet van instrumenten herijkt moeten worden.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar. Blauwe waterstofcapaciteit draagt daarnaast bij aan de voorzieningszekerheid, ook op langere termijn als er meer en goedkopere groene waterstof (geproduceerd door middel van elektrolyse) beschikbaar komt. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for- difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee of in Pentalateraal verband zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.
 

Toegang tot de stad: hoe publieke voorzieningen, wonen en vervoer de sleutel voor burgers vormen

1 oktober 2020
Teasertekst: 
Steeds meer mensen kunnen onvoldoende deelnemen aan het stedelijk leven. Hoe kan gestuurd worden op het tegengaan van ongerechtvaardigde verschillen tussen groepen burgers?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli 2020/06
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Om toegang tot het stedelijk leven te hebben moet je in de nabijheid kunnen wonen, gebruik kunnen maken van publieke voorzieningen en je kunnen verplaatsen. Dat lukt steeds minder mensen. Wonen in de stad wordt steeds duurder, dat geldt zowel voor huur- als koopwoningen. Er is fors bezuinigd op publieke voorzieningen als zorg, bibliotheken, sport en welzijnscentra. En vervoer, om bijvoorbeeld naar werk, school of het ziekenhuis te gaan, is voor veel mensen te duur of tijdrovend. Hierdoor neemt de toegang tot de stad voor steeds meer mensen af.

Met dit advies wil de raad het vraagstuk van de toegankelijkheid van steden agenderen en manieren schetsen waarop de overheid kan waarborgen dat steden toegankelijk zijn en blijven voor iedereen.

Studenten bij In Holland Hoge School
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Sleutelfuncties publieke voorzieningen, wonen en vervoer

Bij de toegankelijkheid van steden staan in dit advies drie functies in de leefomgeving centraal: de publieke voorzieningen, het wonen en het vervoer. Deze functies vormen een randvoorwaarde voor werk, scholing, zorg en ontmoeting en worden daarom door de raad sleutelfuncties genoemd.

Om te kunnen achterhalen aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de toegang van burgers tot de sleutelfuncties van de stad beter te waarborgen is het noodzakelijk om niet alleen te kijken vanuit het perspectief van de beleidsmakers, maar juist (en vooral) ook te kijken vanuit de perspectieven van de individuele burgers. Wat zijn hun beperkingen en mogelijkheden? Wordt er voldoende rekening gehouden met hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten en waar lopen zij tegen aan in hun omgeving? Het gaat om beschikbaarheid, betaalbaarheid en bereikbaarheid, maar bijvoorbeeld ook over de begrijpelijkheid van regels en digitale informatiesystemen. 

Steeds meer mensen in de knel

Voor drie groepen mensen wordt de stad ontoegankelijker. De eerste groep bestaat uit kwetsbare mensen met bijvoorbeeld een laag inkomen of een lichamelijke of geestelijke beperking. Daarnaast zijn er de ‘nieuwe kwetsbaren’: mensen met middeninkomens die wel zelfredzaam zijn, maar toch moeilijk toegang tot het stedelijke leven krijgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor flexwerkers die geen hypotheek kunnen krijgen en steeds hogere huren moeten betalen óf steeds langere reizen moeten maken om werk en gezin te combineren. De derde groep bestaat uit mensen die graag samen in de stad een initiatief willen ontplooien, maar die geen plek vinden of tegen allerlei regels aanlopen.

Aanbevelingen aan Rijk en gemeenten

De raad heeft een aantal aanbevelingen aan Rijk en gemeenten geformuleerd hoe -met meer oog voor de burger- kan worden gestuurd op de toegankelijkheid van steden.

1. Meer oog voor de burger via een toegankelijkheidstoets

De Rli pleit er voor dat zowel rijksoverheid als de gemeenten in hun beleid meer dan nu denken vanuit de positie van verschillende groepen mensen in de samenleving. Zij moeten zich de vraag stellen: wat is de invloed van onze plannen en beleid op de toegankelijkheid van de stad? Hoeveel geld en tijd moeten mensen hebben om deel te kunnen nemen aan het leven in de stad?  De raad stelt daarom voor om bij nieuw stedelijk beleid een ‘toegankelijkheids-toets’ uit te voeren.

2. Creëer ruimte voor initiatieven van burgers

Rijksoverheid en gemeenten zouden meer ruimte moeten bieden voor initiatieven van burgers die de toegang tot de stedelijke samenleving verbeteren. Dat kan door te experimenteren en regelruimte te bieden. Bij bouwinitiatieven kan de overheid helpen door bijvoorbeeld een garantiefonds op te zetten, door woningcorporaties meer ruimte te geven om coöperatieve groepen financieel te ondersteunen en door grond beschikbaar te stellen tegen passende grondprijzen.

3. Verbeter toegang tot alle drie de sleutelfuncties

Voor elk van de stedelijke sleutelfuncties is verbetering van de toegang nodig:

• Publieke voorzieningen: de Rli adviseert dat alle steden een ‘investeringsstrategie voor publieke voorzieningen’ opstellen, met aandacht voor de toegang van verschillende groepen burgers tot de stedelijke samenleving. Ook de rijksoverheid moet hier financieel aan bijdragen.

• Wonen: de Rli adviseert om de bestaande woningvoorraad beter te benutten onder meer door de voordeurdelerskorting op bijstandsuitkeringen aan te passen en door efficiënter ruimtegebruik in koop- en huurwoningen te faciliteren. Ook adviseert de raad om ongecontroleerde prijsstijgingen in de huursector tegen te gaan door de fiscale regelgeving voor particuliere verhuurders aan te passen.

• Vervoer: de Rli adviseert om als uitgangspunt van het vervoersbeleid in Nederland te kiezen dat alle burgers tegen redelijke kosten (in termen van geld, tijd en moeite) de gewenste vervoersbewegingen kunnen maken. Dat vertaalt zich in de doelstelling dat alle voorzieningen binnen vijftien minuten te voet, met de fiets of met het ov bereikbaar moeten zijn. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn die de nabijheid van voorzieningen en de fijnmazigheid van het mobiliteitsnetwerk verbeteren.

Publicatiedatum

Op 1 oktober 2020 heeft de raad zijn advies ‘Toegang tot de stad’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en minister Van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat.

Op 15 oktober 2020 vond de online presentatie plaats van het advies.

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Douwe Wielenga, projectleider, douwe.wielenga@rli.nl 

De mogelijkheden die burgers in Nederland hebben om deel te nemen aan de stedelijke samenleving nemen af doordat de toegang tot wonen, vervoer en publieke voorzieningen voor veel mensen is verminderd. Zo wordt wonen in de stad voor huurders alsmaar duurder terwijl ook koopwoningen voor grote groepen mensen steeds moeilijker te betalen zijn. Tegelijkertijd zijn publieke voorzieningen in steden verschraald, waardoor sommige groepen slecht toegang hebben tot relevante voorzieningen als zorg, een bibliotheek, sport of een welzijnscentrum. Ook ondervinden steeds meer mensen problemen met de verplaatsingen die zij binnen steden moeten maken om bijvoorbeeld naar hun werk- of onderwijslocatie te komen; het openbaar vervoer (ov) is duur, veel verbindingen zijn verslechterd, lang niet iedereen kan zich een auto veroorloven en fietsen is niet altijd een optie. De wens van mensen om in steden te leven blijft groeien vanwege de concentratie van werk, onderwijs en zorg. Om de toegang tot de stad voor een ieder te waarborgen, is het nodig om steeds opnieuw na te gaan of er voldoende rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers.

Een steeds grotere en diversere groep mensen komt hierdoor in de knel, zo constateert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in dit agenderende advies: niet alleen de traditioneel kwetsbaren (zoals mensen met een laag inkomen of een bijstandsuitkering, met een lichamelijke of geestelijke beperking, met beperkte digitale vaardigheden, met schulden en/of een klein sociaal netwerk), maar ook mensen met middeninkomens, flexwerkers en zzp’ers (zoals taxichauffeurs, zorgpersoneel en schoonmakers, maar ook journalisten, wetenschappelijk medewerkers, of accountmanagers).

Ongerechtvaardigde verschillen

De verminderde toegang van steden leidt tot ongelijkheid tussen groepen burgers. Ongelijkheid is niet altijd te vermijden, maar deze ongelijkheid raakt aan de toegankelijkheid en betaalbaarheid van wonen, vervoer en publieke voorzieningen. Deze sleutelfuncties heeft iedereen nodig om deel te kunnen nemen aan de stedelijke samenleving. De Rli constateert dat de toenemende verschillen tussen burgers in de stad ongerechtvaardigd zijn en verder toenemen bij ongewijzigd beleid.

Oorzaken van verminderde toegang tot de stad

De Rli schrijft de verminderde toegankelijkheid van steden toe aan verschillende oorzaken. Sommige oorzaken zijn het gevolg van bewust gemaakte keuzes door mensen en beleid; het vergt maatschappelijk debat of dergelijke keuzes nog passen in het huidige tijdsgewricht. Veel oorzaken zijn ook gelegen in de onbedoelde gevolgen van gemaakte keuzes. De raad noemt de volgende:

• het terugtreden van de overheid in combinatie met bezuinigingen waardoor een nadruk ontstaat op efficiency en het voorzieningenaanbod verschraalt;

• de sterke prijsstijgingen op de woningmarkt in zowel de huur- en koopsector, terwijl tegelijkertijd de inkomenszekerheid van veel huishoudens is afgenomen (als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt);

• onvoldoende oog voor de gevolgen van beleidskeuzes op het ene beleidsterrein voor andere beleidsterreinen, waardoor mensen in de knel komen;

• de dominantie van ‘oude waarden’ in het beleid (efficiency, zoveel mogelijk resultaat voor zo min mogelijk geld), waardoor ‘nieuwe waarden’, zoals ‘toegankelijkheid’, traag tot uitdrukking komen in beleid en besluitvorming van de overheid; en

• overschatting van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van burgers, onderschatting van de complexiteit van beleid en blinde vlekken in de inzichten en de informatie op grond waarvan het beleid wordt gemaakt.

Mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers

Om de toegang tot de stad voor een ieder te waarborgen, is het nodig om na te gaan of er voldoende rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers. Bestuurders, ambtenaren, ondernemers en andere organisaties die de stad mede vorm geven, zouden daar meer oog voor moeten hebben. De mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers worden bepaald door hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten en door omgevingsfactoren: de fysieke omgeving (zoals de beschikbaarheid en betaalbaarheid van passende woonruimte, vervoer en publieke voorzieningen), de institutionele omgeving (wetten, regels en organisaties waartoe burgers zich moeten verhouden) en de sociaal-culturele omgeving (informele codes die ervoor zorgen dat iemand een plek, woonomgeving of vervoersmodaliteit wel of niet tot ‘zijn’ domein rekent).

Aanbevelingen aan Rijk en gemeenten

Meer oog hebben voor al dit soort factoren betekent concreet dat er aanpassingen in het beleid en de investeringen van de overheid noodzakelijk zijn. De Rli doet hiertoe enkele concrete aanbevelingen.

1. Toets beleid voor de leefomgeving op toegang tot de stedelijke samenleving

Bij beleidsmaatregelen die worden overwogen voor de leefomgeving zouden rijksoverheid en gemeenten moeten nagaan in hoeverre het beleid invloed heeft op het geld, de tijd en de moeite die het burgers kost om toegang te krijgen tot de stedelijke samenleving. Welke aannames worden gedaan en worden daarbij niet bepaalde groepen burgers over het hoofd gezien? Als de beleidskeuzes eenmaal zijn gemaakt is het van belang om periodiek te kijken naar de effecten: vallen er groepen buiten de boot?

Zo zou bijvoorbeeld bij ruimtelijke visies en grote ruimtelijke plannen (in het kader van de Omgevingswet) vooraf moeten worden getoetst hoe maatregelen met impact op publieke voorzieningen, wonen, vervoer of een combinatie daarvan, uitpakken voor burgers. Zo’n ‘toegankelijkheidstoets’ zou in de Omgevingswet kunnen worden verankerd.

2. Creëer ruimte voor initiatieven van burgers die de toegang verbeteren

Rijksoverheid en gemeenten zouden meer ruimte moeten bieden voor initiatieven van burgers die de toegang tot de stedelijke samenleving verbeteren. Dat kan door te experimenteren en regelruimte te bieden, waarbij rekening moet worden gehouden met verschillen in persoonlijke capaciteiten en omgevingsfactoren.

Bij bouwinitiatieven kan de overheid helpen door bijvoorbeeld een garantiefonds op te zetten, door woningcorporaties meer ruimte te geven om coöperatieve groepen financieel te ondersteunen en door grond beschikbaar te stellen tegen passende grondprijzen. De Rli adviseert gemeenten om een afwegingskader op te stellen met criteria en voorwaarden voor het ondersteunen van burgerinitiatieven.

3. Verbeter toegang tot alle drie de sleutelfuncties

Voor elk van de stedelijke sleutelfuncties is verbetering van de toegang nodig:

• Publieke voorzieningen: de Rli adviseert dat alle steden een ‘investeringsstrategie voor publieke voorzieningen’ opstellen, met aandacht voor de toegang van verschillende groepen burgers tot de stedelijke samenleving.

• Wonen: de Rli adviseert om de bestaande woningvoorraad beter te benutten (onder meer door de kostendelersnorm voor bijstandsuitkeringen aan te passen en door efficiënter ruimtegebruik in koop-en huurwoningen te faciliteren) en om de vrije huursector stabieler te maken (onder meer door te sturen op langdurige betrokkenheid van verhuurders en een gematigde huurprijsontwikkeling).

•Vervoer: de Rli adviseert om als uitgangspunt van het vervoersbeleid in Nederland te kiezen dat alle burgers tegen redelijke kosten (in termen van geld, tijd en moeite) de gewenste vervoersbewegingen kunnen maken. Dat vertaalt zich in de doelstelling dat voorzieningen binnen vijftien minuten te voet, met de fiets of met het ov bereikbaar moeten zijn. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn die de nabijheid van voorzieningen en de fijnmazigheid van het mobiliteitsnetwerk verbeteren.

 

Stop bodemdaling in veenweidegebieden: Het Groene Hart als voorbeeld

3 september 2020
Teasertekst: 
Bodemdaling leidt tot steeds meer problemen in veenweidegebieden. Welke keuzes moeten worden gemaakt om de negatieve effecten tegen te gaan?
Adviesnummer: 
Rli 2020/05
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

In landelijke veenweidegebied daalt de bodem. Dit komt voornamelijk doordat het waterpeil wordt verlaagd om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken. Verlaging van het waterpeil veroorzaakt veenoxidatie, waardoor de bodem daalt. Bodemdaling leidt tot steeds meer problemen, zoals CO2-uitstoot en teruggang in natuur- en waterkwaliteit. Bovendien leidt het tot oplopende kosten voor waterbeheer. Voortgaan op het pad van ontwatering, met aanhoudende bodemdaling en CO2-uitstoot tot gevolg, is op de lange termijn economisch, ecologisch en maatschappelijk onverantwoord. Met het oog op het tegengaan van de klimaatverandering en vermindering van CO2-uitstoot (ook uit veen) is terugdringing van bodemdaling zelfs onvermijdelijk. De adviesvraag luidt: welke keuzes moeten worden gemaakt om de negatieve effecten van bodemdaling in het landelijke veenweidegebied tegen te gaan en door wie?

De bodemdaling in veenweidegebieden wordt in dit advies besproken met het Groene Hart als voorbeeld. Veel van de bevindingen en conclusies uit het advies zijn echter ook van toepassing op veenweidegebieden buiten het Groene Hart.

Veenweidegebied Stolwijk Krimpenerwaard
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De neergaande spiraal van peilverlaging, veenoxidatie en bodemdaling moet volgens de raad worden doorbroken. Om bodemdaling tegen te gaan, is een omslag nodig in het waterbeheer van veenweidegebieden: van peilverlaging naar peilverhoging. De rijksoverheid moet gericht op deze omslag sturen. Dat gebeurt nu onvoldoende. De aanbevelingen luiden als volgt:

Nationaal beleidskader en landelijke doelen voor vermindering bodemdaling

De raad adviseert om 50% bodemdalingsreductie verplicht te stellen voor 2030, en voor 2050 een streefdoel van 70% bodemdalingsreductie. Deze doelen vloeien rechtstreeks voort uit de verplichtingen in de Klimaatwet. De raad vindt dat de doelen onderdeel moeten zijn van een op te stellen nationaal beleidskader bodemdaling in de Nationale Omgevingsvisie, en wettelijk vastgelegd moeten worden in regelgeving op grond van de Omgevingswet. In 2030 kan nader worden bezien of het streefdoel voor 2050 bijstelling behoeft en welke instrumenten nodig zijn om dat doel te bereiken.

Gebiedsgerichte uitvoering

Voor de uitvoering van het bodemdalingsbeleid pleit de raad voor een regionale gebiedsgerichte aanpak. Provincies moeten in overleg met belanghebbende partijen zoneringskaarten opstellen met een prioritering van gebieden. De daadwerkelijke uitvoering kan het beste plaatsvinden in de gebieden zelf. Daarom stelt de raad voor om regionale uitvoeringstafels in te stellen. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij bestaande samenwerkingsinitiatieven. Natuurlijk dienen de waterschappen een belangrijke rol te spelen bij deze uitvoering.

Financiering van de omslag

Voor de boeren in de veenweidegebieden kan de stijging van het waterpeil ingrijpende gevolgen hebben: die leidt immers tot ‘vernatting’ van hun percelen. In veel gevallen zullen zij hun bedrijfsvoering daarop moeten aanpassen, bijvoorbeeld door extensivering, met minder vee per hectare en/of andere teelten. Zij moeten daarbij door de overheid worden ondersteund, financieel en met kennis. De raad adviseert om een financierings­systeem op te zetten waarin agrariërs, bijvoorbeeld door bedrijven, kunnen worden betaald voor de CO2-reductie die zij realiseren bovenop de huidige klimaatafspraken voor veen­weidegebieden. Verder adviseert de raad om een omschakelings­premie voor boeren beschik­baar te stellen en te zorgen voor uitvoerings­budget voor de her­inrichting van veenweidegebieden.

Investeren in een kennisbasis, monitoring en voorlichting

Tot slot mag een solide kennisbasis bodemdaling niet ontbreken. De raad adviseert de rijksoverheid daarom te blijven investeren in onderzoek naar bodemdaling en een nationale informatievoorziening op te zetten. Voor het monitoren van de landelijke doelstelling voor bodemdalingsreductie is daarnaast een landelijk meetnetwerk nodig. Verder vindt de raad het van belang dat het Rijk een informatiepunt instelt waar agrariërs voorlichting en advies kunnen krijgen over omschakeling naar een andere bedrijfsvoering.

Onderzoeksrapport

Ter voorbereiding van het advies heeft de raad een onderzoek laten uitvoeren naar vernatting van het Groene Hart, in relatie tot de kostprijs van melk en de CO2-prijs. Het onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Economic Research (Daatselaar & Prins, 2020). Het eindrapport van WEcR is hier te downloaden (pdf).

Publicatiedatum

Op 3 september 2020 heeft de raad zijn advies ‘Stop bodemdaling in veenweidegebieden’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Lianne van Duinen, projectleider, Lianne.vanduinen@rli.nl

 

Al decennialang daalt in landelijke veenweidegebieden de bodem. Dit komt voornamelijk doordat de grond stelselmatig wordt ontwaterd om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken. De ontwatering zorgt ervoor dat het veen verdroogt en onder invloed van zuurstof oxideert oftewel ‘verbrandt’, waardoor de bodem daalt. Vervolgens wordt het waterpeil door de waterbeheerders verder verlaagd, zodat de landbouw kan worden voortgezet.

In dit advies stelt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) dat doorgaan met deze neergaande spiraal geen begaanbaar pad is:

a.  omdat ontwatering leidt tot een verminderde natuur- en waterkwaliteit, tot grotere veiligheidsrisico’s en lokaal ook tot verzilting en het ongecontroleerd naar boven komen van grondwater (opbarsting);

b.  omdat drooggelegd veen relatief veel CO2 uitstoot, terwijl de uitstoot van CO2 volgens het Klimaatakkoord van Parijs en de nationale Klimaatwet de komende dertig jaar juist sterk moet worden beperkt (voor Nederland met 95% ten opzichte van 1990);

c.   omdat bij ongewijzigd beleid de kosten voor het waterbeheer in veen-weidegebieden steeds hoger worden.

Kortom, voortgaan op het pad van ontwatering, met aanhoudende bodemdaling en CO2-uitstoot tot gevolg, is op de lange termijn economisch, ecologisch en maatschappelijk onverantwoord. Met het oog op de klimaatverplichtingen is terugdringing van de bodemdaling zelfs onvermijdelijk. Al zal bodemdaling niet helemaal tot nul gereduceerd kunnen worden (een klein deel wordt niet door mensen veroorzaakt en is moeilijk te voorkomen), het verminderen van bodemdaling leidt er toe dat de nadelen zich over een periode van eeuwen in plaats van decennia manifesteren, waardoor de schade en overlast door bodemdaling beter opgevangen kunnen worden. Dat is voor de raad aanleiding om te pleiten voor afstappen van het pad van voortgaande peilverlaging in veenweidegebieden.

Omslag nodig: van peilverlaging naar peilverhoging

Om bodemdaling in veenweidegebieden tegen te gaan, moet het grondwaterpeil stijgen. Dat vergt een omslag in het denken. Maar zo’n omslag is niet van de ene op de andere dag gemaakt. Vooral voor agrariërs in veenweidegebieden kan stijging van het grondwaterpeil ingrijpende gevolgen hebben: het leidt tot ‘vernatting’ van hun percelen. In veel gevallen zullen zij hun bedrijfsvoering daarop moeten aanpassen, bijvoorbeeld door extensivering met minder vee per hectare en meer land en/of andere teelten. Dat is geen geringe stap. Uit verschillende proeven blijkt dat boeren op veen bij een hoger waterpeil mogelijk is, in aangepaste vorm. Het is bovendien nodig voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap. Voor een rendabele bedrijfsvoering moeten wel de randvoorwaarden in orde zijn, zoals de beschikbaarheid van een afzetmarkt (voor bijvoorbeeld regionale producten) en structurele vergoedingen voor bijvoorbeeld diensten van natuurbeheer. Gezien de grote gevolgen die het remmen van bodemdaling heeft voor agrariërs, vindt de raad dat deze groep door de overheid (financieel en anderszins) moet worden geholpen om de transitie te maken.

Er wordt op basis van interbestuurlijke programma’s en regionale afspraken her en der al gewerkt aan een omslag in veenweidegebieden. Toch blijft grootschalige uitvoering van een aanpak van bodemdaling vaak nog achterwege. Ingrijpende beslissingen schuift men liever voor zich uit. Pilots schalen niet verder op. Op lokaal niveau vinden partijen telkens opnieuw het wiel uit. De raad dringt er daarom bij het Rijk op aan om zo snel mogelijk te gaan sturen op een sterke afname van de bodemdaling in veenweidegebieden.

Streefdoel 70% minder bodemdaling in 2050, tussendoel 50% in 2030

Effectieve sturing op het remmen van bodemdaling vereist duidelijke doelstellingen. De raad adviseert het Rijk om een nationaal beleidskader op te stellen met een concreet doel voor het verminderen van bodemdaling in landelijke veenweidegebieden. Die doelstelling leidt de raad af uit de verplichtingen in de Klimaatwet: CO2-reductie in veenweidegebieden van 95% is dus het uitgangspunt. Dit vergt een vermindering van de bodemdaling met 70%, te bereiken in 2050. Omdat de mogelijkheden voor rendabele agrarische activiteit bij hoge waterpeilen (20 cm onder maaiveld) nog niet vaststaan, zou deze 70% als streefdoel moeten worden vastgelegd in de regelgeving op grond van de Omgevingswet. In 2030 kan dan worden beoordeeld of dit doel haalbaar is en kan het wettelijk als hard doel worden vastgelegd. Bovendien moet er bij de toepassing van dit streefdoel ruimte blijven voor lokale verschillen. Op plekken waar de bodemdaling gering is (bijvoorbeeld doordat de veenlaag dun is) zou 70% reductie van de bodemdaling immers een onevenredige inspanning vergen. Daarom geldt de doelstelling tot een bodemdaling van maximaal 3 mm per jaar is bereikt. De raad adviseert verder om voor de kortere termijn een tussendoel van 50% bodemdalingsreductie in 2030 wettelijk vast te leggen als harde norm. Daarmee wordt voor alle betrokken partijen duidelijk dat ze zich nú al moeten voorbereiden. Met het tussendoel zal naar verwachting worden voldaan aan de afspraak uit het nationale Klimaatakkoord van 1 megaton CO2-reductie in veenweidegebieden in 2030.

Het beleidskader moet naast de landelijke doelen volgens de raad concrete transitiepaden bevatten tot 2030 en 2050, zodat agrariërs en waterschappen tijd hebben om zich voor te bereiden en aanpassingen door te voeren. Ook moet het perspectief op bodemdaling voor de langere termijn, ná 2050, worden geschetst. Verder moet de rijksoverheid in het beleidskader de legenda opnemen voor (door de provincies op te stellen) zoneringskaarten, die een prioritering in de aanpak van de gebieden aangeeft. Om toe te zien op het behalen van het landelijke doel voor bodemdalingsreductie moet volgens de raad ten slotte een verantwoordelijk bewindspersoon voor bodemdaling worden aangewezen, die knopen kan doorhakken als dit op regionaal niveau niet gebeurt.

Regionale, gebiedsgerichte aanpak bij de uitvoering

De raad adviseert om voor de uitvoering van de bodemdalingsaanpak te werken met regionale ‘uitvoeringstafels’. Deze zouden zich moeten richten op voor lokale partijen overzienbare gebieden (in het Groene Hart bijvoorbeeld de Krimpenerwaard of Alblasserwaard). Bij de samenstelling van de uitvoerings-tafels zou waar mogelijk aansluiting moeten worden gezocht bij bestaande samenwerkingsinitiatieven. Uiteraard zullen ook provincies en waterschappen nauw betrokken zijn bij de uitvoering.

Meer duidelijkheid over kosten en baten, financiering van de omslag

De raad beveelt aan om de kosten en baten van bodemdaling duidelijker in beeld te brengen. Daar is nu nog onvoldoende inzicht in, in het bijzonder kwantitatief. Daarnaast adviseert de raad het Rijk om een financieringssysteem op te zetten waarin agrariërs, bijvoorbeeld door bedrijven, kunnen worden betaald voor de CO2-reductie die zij realiseren bovenop de huidige klimaatafspraken voor veenweidegebieden. Verder adviseert de raad om een omschakelingspremie voor boeren beschikbaar te stellen en te zorgen voor uitvoeringsbudget voor de herinrichting van veenweidegebieden. In 2030 kan nader worden bezien of het streefdoel voor 2050 bijstelling behoeft en welke instrumenten nodig zijn om dat doel te bereiken.

Investeren in een kennisbasis, monitoring en voorlichting

Tot slot mag een solide kennisbasis bodemdaling niet ontbreken. De raad adviseert de rijksoverheid daarom te blijven investeren in onderzoek naar bodemdaling en een nationale informatievoorziening op te zetten. Voor het monitoren van de landelijke doelstelling voor bodemdalingsreductie is daarnaast een landelijk meetnetwerk nodig. Verder vindt de raad het van belang dat het Rijk een informatiepunt instelt waar agrariërs voorlichting en advies kunnen krijgen over omschakeling naar een andere bedrijfsvoering.

Snel aan de slag om schade en kosten te beperken

De raad realiseert zich dat de hier bepleite aanpak van bodemdaling in veen-weidegebieden een grote impact kan hebben. Temeer daar er nog diverse andere grote opgaven in de veenweidegebieden zijn die aandacht vragen, zoals verbetering van natuur- en waterkwaliteit en vermindering van stikstofuitstoot. De aanpak van bodemdaling biedt de kans om oplossingsrichtingen voor diverse opgaven te combineren. Als snel met de aanpak wordt begonnen, zal de economische schade voor ondernemers in het gebied kleiner zijn en zullen de maatschappelijke kosten lager uitvallen. Zo kunnen de negatieve gevolgen van bodemdaling worden beperkt.

Aanbeveling 1 – aan het Rijk:

Stuur gericht op afname van bodemdaling, stel hiertoe een streefdoel van 70% bodemdalingsreductie in landelijke veengebieden in 2050, en een tussendoel van 50% in 2030, als onderdeel van een nationaal beleidskader bodemdaling.

Leg het streefdoel van 70% bodemdalingsreductie in 2050 en het tussendoel van 50% bodemdalingsreductie in 2030 wettelijk vast.

Stel een nationaal beleidskader bodemdaling op met:

  • transitiepaden naar 2030 en 2050;
  • perspectief voor de lange termijn;
  • legenda voor zoneringskaarten.

Wijs een verantwoordelijke bewindspersoon aan voor de landelijke doelstelling bodemdaling.

Aanbeveling 2 – aan regionale partijen:

Werk bij de uitvoering van de bodemdalingsaanpak gebiedsgericht samen, maar doe dit binnen het nationaal beleidskader.

Werk met regionale uitvoeringstafels.

Provincies: stel uitvoeringstafels in en pas bestaand grondinstrumentarium toe.

Waterschappen: benut expertise en anticipeer op een veranderende rol.

Aanbeveling 3 – aan het Rijk:

Breng kosten en baten in beeld, zet CO2-beprijzing in, stel een omschakelingspremie beschikbaar en financier herinrichting van veenweidegebieden.

Zorg voor zoveel mogelijk transparantie over de kosten en baten.

Zet CO2-beprijzing in zodat boeren betaald worden voor CO2-reductie bovenop klimaatafspraken.

Stel een omschakelingspremie beschikbaar voor agrariërs.

Stel uitvoeringsbudget beschikbaar voor herinrichting, met cofinanciering.

Aanbeveling 4 – aan het Rijk:

Zorg voor een solide kennisbasis bodemdaling; monitor bodemdaling met een meetnetwerk en faciliteer voorlichting aan boeren.

Blijf investeren in onderzoek naar bodemdaling en zet een nationale informatievoorziening op.

Zet in op een landelijk meetnetwerk bodemdaling voor monitoring van de doelrealisatie.

Faciliteer kennis en voorlichting aan boeren.

 

 

Verzet de wissel: naar beter internationaal reizigersvervoer per trein

1 juli 2020
Teasertekst: 
Internationaal treinverkeer kan een belangrijke bijdrage leveren aan het vergroenen van de transportsector, en het realiseren van Nederlandse duurzaamheidsdoelen. Hoe kan het aanbod van internationale treinen worden gestimuleerd?
Adviesnummer: 
Rli 2020/03
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Voor de economische concurrentiekracht van stedelijke agglomeraties is het belangrijk dat internationale bestemmingen goed bereikbaar zijn. Hoewel er de afgelopen eeuw veel is geïnvesteerd in de aanleg van Europese rail­infrastructuur, is het reizigersverkeer per spoor minder sterk gegroeid dan het auto- en vlieg­verkeer. Dit valt te betreuren, want reizen per trein is vergeleken met andere vervoerswijzen veiliger en beter voor milieu en klimaat.

Waarom wordt er niet meer gebruikgemaakt van de internationale trein? De Rli heeft zich gebogen over de vele knelpunten op het internationale spoor – niet alleen vanuit het gezichtspunt van de spoorsector (infrastructuur­beheerders, vervoerders), maar vooral vanuit het gezichtspunt van de internationale treinreiziger.

Centraal in het advies staat de vraag hoe de factoren die een betere bereikbaarheid per spoor (van en vanuit Nederland) in de weg staan, kunnen worden weggenomen.

hogesnelheidstrein rijdt door de stad, bewogen beeld van de trein met gebouwen op de achtergrond
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Knelpunten voor de treinreiziger

Uit de analyse van de raad blijkt dat er voor deze treinreiziger weliswaar een uitgebreid internationaal spoornetwerk beschikbaar is, maar dat die reiziger in de praktijk nog de nodige beperkingen ervaart die een keuze voor een internationale treinreis in de weg staan.

Er is nog veel te winnen met de huidige infrastructuur

De aanleg van nieuwe railinfrastructuur is een manier om de treinbereikbaarheid binnen Europa te vergroten. Dit is echter een kostbare, lastige en tijdrovende ingreep, waar de politiek graag over praat, maar vaak voor terugschrikt. De raad meent bovendien dat er al veel te winnen is met goedkopere en sneller te realiseren maatregelen. Dit zijn maatregelen waarmee de bestaande railinfrastructuur intensiever, efficiënter en door meer internationale reizigers kan worden benut. Uiteindelijk zullen er óók aanpassingen aan de railinfrastructuur zelf nodig zijn, maar dan wel als onderdeel van een samenhangende aanpak.

Verbeter mobiliteitsdiensten: informatievoorziening, ticketverkoop en passagiersrechten

De internationale treinreiziger is gebaat bij een betere informatievoorziening, zoals apps die het reisaanbod van alle vervoerders laten zien. Daarnaast heeft de reiziger behoefte aan een betere vindbaarheid en boekbaarheid van internationale treintickets. Die treintickets dienen volgens de raad bovendien eerder beschikbaar te zijn dan nu gebruikelijk is (vaak pas drie maanden tevoren). Ook op het gebied van de passagiersrechten zijn verbeteringen nodig, bijvoorbeeld bij een gemiste aansluiting.

Verbeter vervoersdiensten: nieuwe internationale diensten en trein als aantrekkelijk product

Het is belangrijk om nieuwe internationale vervoersdiensten te stimuleren. De raad adviseert de Rijksoverheid om actief op zoek te gaan naar vervoerders die grensoverschrijdende verbindingen willen verzorgen. Verder is het volgens de raad essentieel om van de internationale trein een aantrekkelijk product te maken dat beter met andere modaliteiten kan concurreren. Hiervoor moet worden ingezet op comfortabele, snelle, directe verbindingen tussen de belangrijkste internationale metropolen, tegen een eerlijke en concurrerende prijs.

Verbeter verkeersdiensten: efficiëntere capaciteitstoedeling en meer gebruik van informatietechnologie

Bij het vasthouden aan de huidige uitgangspunten voor het managen van de spoorcapaciteit wordt het al snel lastig om meer ruimte te bieden aan de internationale trein. De raad denkt echter dat er wel degelijk ruimte gevonden kan worden bij een intelligenter gebruik van de bestaande capaciteit. Zo is er binnen het basisuurpatroon, dat op het spoor wordt gehanteerd, ruimte om op alle internationale trajecten in Nederland de treinfrequentie te verhogen. Ook zal de invoering van informatie­technologie helpen om het spoor intensiever te benutten.

Verbeter infrastructuur: investeringen één oostelijke corridor

Op de langere termijn zijn ook aanpassingen aan de infrastructuur nodig. De raad bepleit dat de overheid gaat investeren in één oostelijke corridor. De raad denkt hierbij aan aanpassingen van bestaand spoor die het mogelijk maken om snel 160 tot 200 km/uur te rijden. Het ontvlechten van regionaal, nationaal en internationaal spoorvervoer kan helpen om de internationale treinbereikbaarheid van Nederland te verbeteren. Hierbij is ook aandacht nodig voor de capaciteit van de stations.

Internationale corridoraanpak

Het laten rijden van een internationale trein vergt niet alleen een nauwe samenwerking tussen landen, maar ook tussen de vele partijen die in de spoorsector werkzaam zijn. De raad heeft gepoogd deze complexiteit inzichtelijk te maken. Daarbij wordt duidelijk dat er een verbetering nodig is in de internationale governance. Voor de belangrijkste internationale verbindingen is behoefte aan een corridoraanpak. Op de lange termijn denkt de raad dat er toegewerkt moet worden naar een Europese autoriteit voor grensoverschrijdend spoorverkeer. De raad heeft hier samen met andere Europese adviesraden aandacht voor gevraagd in een brief aan de Europese Commissie.

Datum van publicatie en online bijeenkomst

Op 1 juli 2020 heeft de raad zijn advies ‘Verzet de wissel: naar beter internationaal reizigersverkeer per trein’ uitgebracht en aangeboden aan Staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat.

De voorzitter van de ‘Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) Jan Jaap de Graeff (r), overhandigt het advies 'Verzet de wissel: naar beter internationaal reizigersverkeer per trein’ aan staatssecretaris Stientje van Veldhoven (IenW) Foto: Fred Ernst

Online bijeenkomst over internationale corridoraanpak voor het Europese spoor -18 september 2020

Op 18 september 2020 (10:00-12:00 uur) organiseerde de Rli een internationaal online event over een Europese corridoraanpak, een van de belangrijkste aanbevelingen uit de brief. Vooraanstaande sprekers uit de sector (waaronder Kabinet Frans Timmermans, DG Move, European Infrastructure Managers (EIM), Community of European Railway and Infrastructure Companies (CER), European Union Agency for Railways (ERA) gingen in gesprek met de aanwezigen over de stappen die gezet (moeten) worden om internationaal personenvervoer per trein te verbeteren.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Tim Zwanikken, projectleider, tim.zwanikken@rli.nl, telefoon: +31 (0)6 5287 4404.

 

Voor de economische concurrentiekracht van stedelijke agglomeraties in Europa is het belangrijk dat internationale bestemmingen goed bereikbaar zijn. Hoewel er de afgelopen eeuw veel is geïnvesteerd in de aanleg van Europese railinfrastructuur, is het reizigersverkeer per spoor minder sterk gegroeid dan het auto- en vliegverkeer. Dit valt te betreuren, want reizen per trein is vergeleken met andere vervoerswijzen veiliger en beter voor milieu en klimaat.

Bij het uitbrengen van dit advies is het onduidelijk wanneer en op welke wijze de internationale vervoersmarkt zich herstelt van de gevolgen van de covid-19-pandemie. Overheden maken inmiddels honderden miljarden vrij voor herstelfondsen en economische steunpakketten om de gevolgen van de crisis te beperken en tegelijkertijd de economie te verduurzamen. Een deel daarvan zal ook worden gebruikt om de transportsector te verduurzamen. In een brief aan de Europese Commissie bepleit de raad samen met vier Europese adviesraden om overheidssteun aan bedrijven in de transportsector te koppelen aan de doelen van de Europese Green Deal (zie bijlage). Ook in Nederland is een dergelijke koppeling wenselijk. Een vergroening van de transportsector kan de impuls zijn om de wissel te verzetten naar een betere internationale treinbereikbaarheid.

Knelpunten voor de treinreiziger

Waarom wordt er niet meer gebruikgemaakt van de internationale trein? De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) heeft zich gebogen over de vele knelpunten op het internationale spoor – niet alleen vanuit het gezichtspunt van de spoorsector, maar vooral vanuit het gezichtspunt van de internationale treinreiziger. Uit de analyse van de raad blijkt dat er voor deze treinreiziger weliswaar een uitgebreid internationaal spoornetwerk beschikbaar is, maar dat die reiziger in de praktijk nog de nodige beperkingen ervaart die een keuze voor een internationale treinreis in de weg staan.

De internationale spoorwereld is bijzonder complex. Er zijn niet alleen veel landen bij betrokken, ook is er binnen elk land een nauwe samenwerking van publieke en private partijen nodig om internationale treinen te kunnen laten rijden. Om die complexiteit te doorgronden heeft de raad de bestaande knelpunten binnen het spoorsysteem uiteengelegd in vier lagen: de mobiliteitsdiensten (vervoersplanners, apps en dergelijke), de vervoersdiensten (spoorwegmaatschappijen en hun materieel), de verkeersdiensten (capaciteitsmanagement en veiligheidssystemen) en de infrastructuur.

Er is nog veel te winnen met de huidige infrastructuur

De aanleg van nieuwe railinfrastructuur is een manier om de treinbereikbaarheid binnen Europa te vergroten. Dit is echter een kostbare, lastige en tijdrovende ingreep, waar de politiek graag over praat, maar vaak voor terugschrikt. De raad meent bovendien dat er al veel te winnen is met goedkopere en sneller te realiseren maatregelen op de andere lagen van het spoorsysteem. Dit zijn maatregelen waarmee de bestaande railinfrastructuur intensiever, efficiënter en door meer internationale reizigers kan worden benut. Uiteindelijk zullen er óók aanpassingen aan de railinfrastructuur zelf nodig zijn, maar dan wel als onderdeel van een samenhangende aanpak met de genoemde diensten.

Verbeter mobiliteitsdiensten: informatievoorziening, ticketverkoop en passagiersrechten

De internationale treinreiziger is gebaat bij een betere informatievoorziening, zoals apps die het reisaanbod van alle vervoerders laten zien. Daarnaast heeft de reiziger behoefte aan een betere vindbaarheid en boekbaarheid van internationale treintickets. Die treintickets dienen volgens de raad bovendien eerder beschikbaar te zijn dan nu gebruikelijk is (vaak pas drie maanden tevoren). Ook op het gebied van de passagiersrechten zijn verbeteringen nodig, bijvoorbeeld bij een gemiste aansluiting.

Verbeter vervoersdiensten: nieuwe internationale diensten en trein als aantrekkelijk product

Het is belangrijk om nieuwe internationale vervoersdiensten te stimuleren. De raad adviseert de rijksoverheid om actief op zoek te gaan naar vervoerders die grensoverschrijdende verbindingen willen verzorgen. Verder is het volgens de raad essentieel om van de internationale trein een aantrekkelijk product te maken dat beter met andere modaliteiten kan concurreren.

Hiervoor moet worden ingezet op comfortabele, snelle, directe verbindingen tussen de belangrijkste internationale metropolen, tegen een eerlijke en concurrerende prijs.

Verbeter verkeersdiensten: efficiëntere capaciteitstoedeling en meer gebruik van informatietechnologie

Bij het vasthouden aan de huidige uitgangspunten voor het managen van de spoorcapaciteit wordt het al snel lastig om meer ruimte te bieden aan de internationale trein. De raad denkt echter dat er wel degelijk ruimte gevonden kan worden bij een intelligenter gebruik van de bestaande capaciteit. Zo is er binnen het basisuurpatroon, dat op het spoor wordt gehanteerd, ruimte om op alle internationale trajecten in Nederland de treinfrequentie te verhogen. Ook zal de invoering van informatietechnologie helpen om het spoor intensiever te benutten.

Verbeter infrastructuur: investeer in één oostelijke corridor

Op de langere termijn zijn ook aanpassingen aan de infrastructuur van het spoor nodig. De raad bepleit dat de overheid gaat investeren in één oostelijke corridor. De raad denkt hierbij aan aanpassingen van bestaand spoor die het mogelijk maken om snel 160 tot 200 km/uur te rijden. Het ontvlechten van regionaal, nationaal en internationaal spoorvervoer kan helpen om de internationale treinbereikbaarheid van Nederland te verbeteren. Hierbij is ook aandacht nodig voor de capaciteit van de stations.

Tot slot

De raad is zich ervan bewust dat het versterken van het internationaal reizi- gersverkeer per spoor complex is:

  • Bij het realiseren van het voorgestelde beleid zijn niet alleen de overheid, maar ook de vervoerders nauw betrokken. Voor hen is het van belang dat er ook daadwerkelijk een markt is, iets dat de overheid maar ten dele kan beïnvloeden. Een verbetering van de mobiliteits- en vervoersdiensten zal deze markt overigens stimuleren.
  • Er zijn ook veel landen bij betrokken, die uiteenlopend denken over de mate waarin de EU grensoverschrijdend spoor meer taken dan wel bevoegdheden zou moeten krijgen. Vandaar dat de raad op dit punt een geleidelijke benadering voorstaat.
  • Tenslotte zal een verdergaande groei van het internationale reizigers- verkeer een toenemend beslag leggen op de beschikbare spoorcapa- citeit. Die capaciteit is er, maar niet oneindig. Er kan een punt komen waarop keuzes moeten worden gemaakt met betrekking tot het verdelen van capaciteit tussen personen- of goederenvervoer en/of nationaal of internationaal vervoer. Dit vergt een politieke afweging, die niet uit de weg moet worden gegaan. De raad constateert overigens wel dat op dit moment de belangen van de internationale treinreiger onvoldoende expliciet worden meegewogen.

Niet alle aanbevelingen die de raad doet zijn op korte termijn realiseerbaar. Dat neemt niet weg dat de raad met zijn lange termijn aanbevelingen recht wil doen aan het realiseren van beleidsdoelen die in nationaal én Europees verband worden onderschreven.

Greep op gevaarlijke stoffen

11 maart 2020
Greep op gevaarlijke stoffen
Teasertekst: 
Het beleid voor gevaarlijke stoffen is niet toereikend om risico’s in de leefomgeving voor mens en milieu voldoende te beheersen. Welke stappen zijn nodig voor een veiligere omgang met gevaarlijke stoffen?
Adviesnummer: 
Rli 2020/01
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Het beleid voor gevaarlijke stoffen is niet toereikend om risico’s in de leefomgeving voor mens en milieu voldoende te beheersen. Het aantal van deze stoffen en het gebruik ervan nemen toe, evenals het hergebruik van producten waarin gevaarlijke stoffen zijn verwerkt. Om greep op gevaarlijke stoffen te krijgen is nieuw beleid noodzakelijk.

Tientallen jaren werd de verspreiding van gevaarlijke stoffen in de leefomgeving kleiner door succesvol overheidsbeleid, maar deze ontwikkeling stagneert. Het aantal gevaarlijke stoffen neemt toe, evenals het aantal producten waarin gevaarlijke stoffen worden gebruikt. Hierdoor stapelen deze stoffen zich op in de leefomgeving, wat nieuwe risico’s geeft en ook tot incidenten leidt. Voorbeelden daarvan zijn stoffen als PFAS, gewasbeschermingsmiddelen, microplastics en medicijnresten.

Centraal in het advies staat de vraag of een veiligere omgang met gevaarlijke stoffen in de leefomgeving nodig is en welke stappen daartoe moeten worden gezet.

Doorkijk naar natuur vanuit buis met waterafvoer
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De raad doet in dit advies tien aanbevelingen die kunnen helpen om meer greep te krijgen op de verspreiding van stoffen in de leefomgeving, de nadelige effecten van cumulatieve blootstelling te beperken en toe te werken naar een veilige circulaire economie in 2050. De aanbevelingen zijn er mede op gericht om maatschappelijke partijen actiever te betrekken bij het maken van een afweging over nut en noodzaak van chemische stoffen. Dit vereist een grotere transparantie. Weten welke stoffen in welke producten zitten en welke risico’s dat meebrengt is cruciaal om veilig kringlopen te kunnen sluiten.

Transparante informatie en meer kennis noodzakelijk

Om de toename van risico’s van gevaarlijke stoffen voor mens en milieu te voorkomen is in de eerste plaats meer kennis nodig over de mate waarin zij in de leefomgeving terechtkomen. Dat geldt in verschillende fasen: tijdens de productie, het gebruik, het hergebruik en de verwerking van afval waarin deze stoffen voorkomen. De raad beveelt het kabinet daarom aan om bedrijven te verplichten de route van gevaarlijke stoffen tijdens hun hele levenscyclus bij te houden met een zogenaamd track & trace-systeem. Daarnaast is versterking nodig van de beleidscapaciteit en de kennis bij overheden om de beleidsuitvoering, de handhaving en het toezicht te verbeteren. Hiervoor moet extra geld worden uitgetrokken.

Beperk de risico’s van cumulatieve blootstelling voor mens en milieu

Door de groei van het aantal en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen neemt ook het risico van gelijktijdige blootstelling aan verschillende stoffen toe. Waar voorheen het belangrijkste risico voor mens en milieu bestond uit de blootstelling aan een enkele gevaarlijke stof, gaat het nu veel meer om de risico’s van stoffen die elk afzonderlijk wellicht geen probleem vormen, maar die tezamen een schadelijke uitwerking hebben. De raad adviseert om bij het stellen van nationale milieunormen rekening te houden met het effect van deze gelijktijdige blootstelling. Dit kan ook voor specifieke gebieden noodzakelijk zijn. De rijksoverheid zal gemeenten en provincies hierbij moeten ondersteunen.

Veilig hergebruik en recyclen van producten vraagt om nieuwe Europese regels

De overgang naar een circulaire economie leidt tot nieuwe uitdagingen. Circulaire economie leidt tot het sluiten van kringlopen. Gevaarlijke stoffen kunnen zich daarin ophopen. Voorafgaand aan de productie en het (her)gebruik van deze stoffen moet rekening worden gehouden met het veilig hergebruik ervan. De raad roept het kabinet daarom op om in Europees verband te pleiten voor de regels die veiligstellen dat het hergebruik onderdeel wordt van de risicobeoordeling van stoffen. Natuurlijk moet ook bekend zijn welke stoffen er precies in welke producten zitten. Daarom moet onderzocht worden of het mogelijk is in internationaal verband een materiaalpaspoort voor de chemische samenstelling van producten in te voeren. Dit paspoort biedt producenten en gebruikers inzicht in de mogelijkheden voor hergebruik.

On line discussiebijeenkomst op 8 juni 2020 en datum van publicatie

Online discussiebijeenkomst 8 juni 2020

Op 8 juni 2020 organiseerde de Rli een online discussiebijeenkomst over het advies dat de raad onlangs aan de nationale overheid presenteerde. Tijdens deze bijeenkomst besprak de raad zijn advies, dat deels ook betrekking heeft op Europees beleid voor gevaarlijke stoffen, met een aantal experts, stakeholders en Ngo’s die refelcteerden op het advies. Met deze bijeenkomst leverde de raad een bijdrage aan het debat op Europees niveau. Diederik Samsom, kabinetschef van het Kabinet van EU-commissaris Timmermans, sloot aan het eind van de bijeenkomst aan en gaf zijn visie.

Bekijk hier de livestream

Datum van publicatie 11 maart 2020

Op 11 maart 2020 heeft de raad zijn advies ‘Greep op gevaarlijke stoffen’ uitgebracht. Minister Van Veldhoven voor Wonen en Milieu nam het advies in ontvangst.

vlnr: Yvette Oostendorp (projectleider), Jan Jaap de Graeff (voorzitter Rli), Stientje van Veldhoven (minister Milieu), Ingrid Odegard (junior-raadslid), André van der Zande (raadslid), Co Verdaas (raadslid), Annemarie van Wezel (extern commissielid) Foto: Fred Ernst

Discussiebijeenkomst op 1 april 2020 is geannuleerd

DE DISCUSSIEBIJEENKOMST OP 1 APRIL GAAT NIET DOOR I.V.M. CORONA-MAATREGELEN.

We doen ons best om de bijeenkomst naar een latere datum te verplaatsen. 

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Yvette Oostendorp, projectleider, yvette.oostendorp@rli.nl, 06 27020642.

De samenleving wordt steeds vaker opgeschrikt door berichten over schadelijke stoffen die wijd verspreid in de leefomgeving voorkomen en die risicovol blijken te zijn of waarvan de risico’s nog onduidelijk zijn. Zo was er recent beroering over de aanwezigheid van PFAS in de bodem. Andere voorbeelden zijn de groeiende zorgen over de verspreiding van microplastics en de zorgen over de mogelijke aanwezigheid van geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen in het drinkwater. Zulke incidenten leiden tot onrust bij burgers en veroorzaken ook substantiële maatschappelijke schade. Het overheidsbeleid voor het veilig omgaan met gevaarlijke stoffen heeft de afgelopen decennia weliswaar de risico’s voor mens en milieu gereduceerd, maar de huidige aanpak lijkt niet meer toereikend om de ontwikkelingen in de toekomst in goede banen te leiden.

Een betere beheersing van de risico’s rond gevaarlijke stoffen in de leefomgeving is extra urgent geworden nu de transitie naar een ‘circulaire economie’ in gang is gezet. Ons land werkt de komende decennia toe naar een productie- en consumptiesysteem met gesloten kringlopen en efficiënter gebruik van grondstoffen. Veiligheid voor mens en milieu is daarbij een voorwaarde. Zonder dat komt de circulaire economie niet tot stand.

Een veilige omgang met gevaarlijke stoffen in de leefomgeving stelt ook eisen aan hoe we anticiperen en reageren op onbekende risico’s en hoe we omgaan met nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Preventie en voorzorg zijn van belang, gezien het hoge tempo waarin er nieuwe stoffen op de markt komen en gezien de toenemende productievolumes. Het beoordelen van risico’s van bepaalde stoffen is complex en de inzichten veranderen regelmatig. Wat eerst veilig werd geacht, blijkt soms later toch schadelijk te zijn. Het kan jaren duren voordat er wetenschappelijke consensus is over langetermijneffecten van stoffen.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur heeft zich daarom afgevraagd of een veiliger omgang met gevaarlijke stoffen in de leefomgeving nodig is en welke stappen daartoe moeten worden gezet. Daarover gaat dit advies.

Problemen met gevaarlijke stoffen in de leefomgeving

De overheid heeft de afgelopen decennia maatregelen getroffen om de problemen met gevaarlijke stoffen in de leefomgeving aan te pakken. Daardoor zijn de gemeten concentraties van veel bekende stoffen verminderd. De inwerkingtreding van de Europese REACH-verordening heeft daarnaast gezorgd voor beter inzicht in eigenschappen van stoffen die door bedrijven op de markt worden gebracht. Desondanks signaleert de raad dat zich op dit moment drie problemen voordoen:

  • De verspreiding van gevaarlijke stoffen in de leefomgeving neemt de laatste jaren onvoldoende af. Er worden stoffen aangetroffen op onverwachte plekken en er doen zich onvoorziene risico’s voor. De verspreiding van gevaarlijke stoffen wordt, kortom, onvoldoende beheerst. 
  • Het risico van gelijktijdige (‘cumulatieve’) blootstelling aan verschillende stoffen neemt de laatste jaren toe. Waar voorheen het belangrijkste risico voor mens en milieu gevolg was van lokale, relatief hoge concentraties van een individuele stof, gaat het nu veel meer om diffuus verspreide mengsels van stoffen die elk afzonderlijk een lage concentratie hebben, maar tezamen een minstens zo schadelijke uitwerking kunnen hebben.
  • Met de transitie naar een circulaire economie dienen zich nieuwe vraagstukken aan bij het gebruik van gevaarlijke stoffen. Want bij hergebruik en recycling komen gevaarlijke stoffen als ‘secundaire grondstoffen’ in nieuwe productieketens terecht waarbij nieuwe blootstellingsrisico’s ontstaan. Ook kunnen niet-afbreekbare gevaarlijke stoffen zich bij veelvuldig recyclen ophopen in producten. Dit kunnen zelfs stoffen zijn die inmiddels verboden zijn.

Aanbevelingen

De raad doet in dit advies tien aanbevelingen die kunnen helpen om meer greep te krijgen op de verspreiding van stoffen in de leefomgeving, de nadelige effecten van cumulatieve blootstelling te beperken en toe te werken naar een veilige circulaire economie in 2050. Deze aanbevelingen richten zich primair op het handelen van de overheid. Maar het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving is een taak waar overheden, bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen gezamenlijk aan moeten werken. Onderstaande aanbevelingen zijn er mede op gericht om maatschappelijke partijen actiever te betrekken bij het maken van een afweging over nut en noodzaak van chemische stoffen. Dit vereist een grotere transparantie, ook gezien de beweging die moet worden gemaakt naar het veilig gebruiken van stoffen in een circulaire economie. Weten welke stoffen in welke producten zitten en welke risico’s dat meebrengt is cruciaal om veilig kringlopen te kunnen sluiten.

Aanbevelingen voor betere controle op de verspreiding van stoffen in de leefomgeving

  1. Verplicht bedrijven die (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen in een productketen brengen om de volumestroom van deze stoffen door de gehele keten bij te houden met een track & trace-systeem. Bevoegde gezagen en de bedrijven kunnen dan ‘lekken’ in alle fasen van de keten signaleren en daarnaar handelen. Deze gegevens zijn ook van belang om een goed beeld te krijgen van de cumulatieve blootstelling in de leefomgeving.
  2. Verleen alleen nog tijdelijke milieuvergunningen, zodat bedrijven beter kunnen worden aangesproken op hun zorgplicht om de impact op de leefomgeving te minimaliseren.
  3. Maak als bevoegd gezag bij het verlenen van milieuvergunningen meer gebruik van contra-expertise, om de door bedrijven verstrekte informatie over stofeigenschappen te valideren.
  4. Versterk de kennis en capaciteit bij overheden voor beleidsuitvoering, handhaving en toezicht, opdat overheden adequaat kunnen toetsen of bedrijven genoeg doen om de impact van hun emissies op de leefomgeving te minimaliseren. Dit vereist extra geld.
  5. Bevorder de mogelijkheden voor burgers en maatschappelijke partijen om druk uit te oefenen ter vermindering van het gebruik van gevaarlijke stoffen in producten. Zorg voor meer transparantie bij bedrijven over hun omgang met en het gebruik van stoffen. Burgers en investeerders kunnen daarmee beter afgewogen keuzes maken bij aankoop- of investeringsbeslissingen.
  6. Stimuleer bedrijfssectoren om positieve lijsten te gebruiken met chemische stoffen die op een veilige manier kunnen worden gebruikt, ook in een circulaire economie.

Aanbevelingen om nadelige effecten van cumulatieve blootstelling te beperken

  1. Houd in de milieunormering rekening met het effect van cumulatieve blootstelling. Geef hiervoor als rijksoverheid handreikingen voor het bepalen van het risico van cumulatieve blootstelling bij de mens en in het milieu.
  2. Toets de effectiviteit van het beleid met een monitoringprogramma voor het meten van de toxische druk op mens, dier en milieu in gebieden waar een verhoogd risico wordt verwacht. Wanneer nadelige effecten van stoffencumulatie in de leefomgeving worden vastgesteld, kunnen de normen voor vergunningen worden aangescherpt of kan de toelating van specifieke stoffen worden heroverwogen.

Aanbevelingen om te zorgen voor veilige omgang met stoffen in de circulaire economie

  1. Agendeer in de Europese Unie de noodzaak om bij het ontwerp van stoffen en producten rekening te houden met veilig gebruik en toepassing in de gehele levenscyclus (Safe by Design). Daarvoor zijn in de risicobeoordeling aanvullende criteria nodig voor de traceerbaarheid, degradeerbaarheid en verwijderbaarheid.
  2. Onderzoek de mogelijkheden voor het invoeren van een materiaalpaspoort voor de chemische samenstelling van producten. Een materiaalpaspoort kan de basis zijn voor de informatie-uitwisseling tussen partijen in ketens en inzicht geven in de hergebruikmogelijkheden van producten en stoffen.

Naar een duurzame economie

Subtitel: 
Overheidssturing op transities
10 december 2019
Teasertekst: 
Klimaatverandering, grondstoffenschaarste en afnemende biodiversiteit maken de transitie naar een duurzame economie onvermijdelijk. Hoe kan de overheid sturen op de transitie naar een duurzame economie?
Adviesnummer: 
2019/05
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

De Nederlandse samenleving gaat de komende decennia ingrijpend veranderen. Dat hangt samen met de verduurzaming die nodig is op tal van terreinen, zoals onze energievoorziening, ons grondstoffenverbruik en ons voedselsysteem. De veranderingen zullen niet alleen de fysieke leefomgeving beïnvloeden, maar ook de manier waarop we werken, produceren, consumeren, ons voeden, ons verplaatsen enzovoort. De duurzame samenleving vraagt om andere productieprocessen, vaardigheden, verdienmodellen en regels. Een economie, kortom, met een andere economische structuur.

illustratie van een wereldbol op weg van grijs naar groen
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

De centrale vraag in dit advies is hoe de rijksoverheid kan sturen op de transitie naar een duurzame economie, welke strategieën en instrumenten de rijksoverheid daartoe tot haar beschikking heeft en hoe de rijksoverheid de samenleving bij de transitie betrekt.

Toelichting

De Nederlandse overheid is onmisbaar om dit transitieproces naar een duurzame economie te begeleiden. De sturingsmogelijkheden die de (rijks)overheid daarvoor heeft staan centraal in dit advies. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur past in dit advies wetenschappelijke inzichten over sturing op transities toe op de Nederlandse beleidspraktijk rond drie actuele dossiers: de energietransitie, de grondstoffentransitie en de voedseltransitie. Op basis daarvan formuleert de raad aandachtspunten en aanbevelingen voor transitiesturing door de rijksoverheid, hieronder samengevat.

Duurzame economie vraagt om visie gebaseerd op brede welvaart

De Nederlandse overheid heeft ambitieuze duurzaamheidsdoelen geformuleerd voor de korte en lange termijn, zoals 49% CO2-reductie in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050. Maar een samenhangende visie op de vraag hoe een duurzame samenleving eruit zal zien en welke route moet worden afgelegd om daar te komen ontbreekt. Zo’n visie zou een verbinding moeten leggen tussen economische, sociaal-maatschappelijke en ecologische doelstellingen. Daarbij moet, vanwege de begrenzing die de aarde stelt aan de groei van ons huidige economische systeem, worden uitgegaan van een breed welvaartsconcept waarin naast materiële welvaart ook bijvoorbeeld gezondheid en kwaliteit van leven volle aandacht krijgen. De totstandkoming van de door de Rli bepleite visie is overigens niet een eenmalige exercitie, maar een geleidelijk proces.

De overheid moet zoeken naar een goede balans tussen oud en nieuw

De overheid wil de transitie naar een duurzame economie met zo min mogelijk maatschappelijke schade laten verlopen en zoekt terecht een balans tussen het behoud van bestaande economische structuren en het bevorderen van structuurverandering. De raad signaleert dat de vernieuwing van de economie in de praktijk te veel wordt gezocht binnen het bestaande economische systeem. Hierdoor kunnen het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen én de economische perspectieven van Nederland op lange termijn onder druk komen te staan. De overheid zou daarom al vroegtijdig meer oog moeten hebben voor afbouw van economische activiteiten waar dat nodig is. Dat vraagt niet alleen om verduurzaming van de economie per sector, maar ook om een macro-economisch perspectief op een duurzame economie. Bovendien bevoordelen bestaande regelgeving en institutionele structuren, waar de overheid overigens zelf ook deel van uitmaakt, gevestigde partijen en belangen ten opzichte van innovatieve nieuwkomers die willen toetreden tot de markt.

De regering zou eerder en vaker moeten kiezen voor beprijzing en regulering

De overheid is bij transities terughoudend met de inzet van de effectieve instrumenten beprijzing en regulering om verduurzaming door producenten en consumenten tot stand te brengen. Dit is vooral het geval bij internationaal opererende economische sectoren. De raad concludeert dat deze instrumenten juist in de transitie naar een duurzame economie vanwege hun effectiviteit eerder en vaker zouden moeten worden ingezet. Het argument van de internationale concurrentiepositie wordt naar het oordeel van de raad selectief gebruikt om verduurzaming tegen te houden, waardoor deze soms onnodig wordt vertraagd.

Datum van publicatie

Op 10 december 2019 heeft de raad zijn advies ‘Naar een duurzame economie: overheidssturing op transities’ uitgebracht. Minister Wiebes van Economische zaken en Klimaat (EZK) nam het advies in ontvangst.

 Martijn van der Steen (extern commissielid), Fred van Beuningen (extern commissielid), Jan Jaap de Graeff (voorzitter Rli), Eric Wiebes (minister EZK), Hans Stegeman (extern commissielid) Foto Fred Ernst

 

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luc Boot, projectleider luc.boot@rli.nl tel 06-10577495

 

Naar een duurzame economie

Nederland staat voor een grote maar onvermijdelijke verduurzamingsopgave. Klimaatverandering, afnemende biodiversiteit en toenemende grondstoffenschaarste maken veranderingen noodzakelijk in onder meer onze energievoorziening, ons grondstoffenverbruik en ons voedselsysteem. Deze veranderingen zullen niet alleen de fysieke leefomgeving ingrijpend beïnvloeden, maar ook onze economie: de manier waarop we werken, produceren, consumeren, ons voeden, ons verplaatsen, enzovoort. Er zal een economie ontstaan met op onderdelen een andere structuur. Deze veranderingen voltrekken zich de komende decennia onder invloed van verschuivende maatschappelijke normen en waarden, veranderende consumentenvoorkeuren, technologische innovaties, mondiale afspraken en geopolitieke ontwikkelingen.

De Nederlandse overheid is onmisbaar om dit transitieproces naar een duurzame economie te begeleiden. De sturingsmogelijkheden die de (rijks)overheid daarvoor heeft staan centraal in dit advies. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (hierna: de raad) past in dit advies wetenschappelijke inzichten over sturing op transities toe op de Nederlandse beleidspraktijk rond drie actuele dossiers: de energietransitie, de grondstoffentransitie en de voedseltransitie. Op basis daarvan formuleert de raad aandachtspunten en aanbevelingen voor transitiesturing door de rijksoverheid.

Ontwikkel een toekomstvisie, gericht op brede welvaart, als richtsnoer voor beleid

De raad vindt het noodzakelijk dat de overheid een samenhangende visie ontwikkelt op een duurzame samenleving en de route die moet worden afgelegd om daar te komen. Hierin dient de verbinding te worden gelegd tussen economische, sociaal-maatschappelijke en ecologische doelstellingen. De raad benoemt in dit advies een aantal elementen die in zo’n toekomstvisie aan bod zouden moeten komen. Voor de raad is het essentieel dat in de visie wordt uitgegaan van een breed welvaartsconcept. Dit concept zou meer toekomstgericht moeten worden gebruikt dan nu bij beleidsvorming het geval is. Om de verschillende publieke waarden die gedurende een transitie met elkaar concurreren goed te kunnen prioriteren, moeten ze worden getoetst aan het belang dat ze hebben voor de brede welvaart.

De toekomstvisie die de raad bepleit is geen statisch document, maar zal met regelmaat herijkt moeten worden. Verder dient de visie niet alleen einddoelen te bevatten, maar ook doelen voor de kortere termijn. Die tussendoelen moeten de weg naar de einddoelen ondersteunen, zowel in tempo als in richting. Maar ze mogen een ‘open vizier’ op de route naar het einddoel niet in de weg staan. Daarom moet regelmatig worden getoetst of geformuleerde kortetermijndoelen en de manier waarop ze worden gerealiseerd nog wel stroken met wat er op lange termijn moet worden bereikt.

Zoek doelbewust naar een juiste balans tussen oud en nieuw

De overheid wil de transitie naar een duurzame economie met zo min mogelijk maatschappelijke schade laten verlopen. Ze hecht om die reden terecht aan een goede balans tussen behoud van de bestaande economische structuur en het bevorderen van structuurverandering. Elementen uit het oude systeem zijn bovendien nodig als voedingsbodem voor de benodigde vernieuwing. De raad signaleert echter dat in de praktijk vernieuwing van de economie te lang wordt gezocht binnen het bestaande systeem, waardoor transities worden vertraagd of belemmerd.

Om te kunnen bepalen welke rol op den duur is weggelegd voor afzonderlijke economische (deel)sectoren, is het nodig om de duurzaamheidstransities te beschouwen vanuit een macro-economisch perspectief. De overheid zou zich voor haar eigen inzet van mensen en middelen steeds opnieuw de vraag moeten stellen of en hoe lang het nog zinvol is om te investeren in onderdelen van het oude systeem. Dat betekent dat de overheid al in de beginfase van een transitie een open oog moet hebben voor de afbouw van economische activiteiten waar dat nodig is. De raad constateert echter dat de overheid voor het stimuleren van innovatie in de praktijk lang kiest voor het faciliteren van experimenten en het stimuleren van vrijwillige afspraken. Door ook tijdig bestaande wet- en regelgeving (die meestal de gevestigde partijen bevoordeelt) aan te passen, kan op een meer structurele manier ruimte worden gemaakt voor nieuwe duurzame initiatieven.

Transitiesturing vraagt om een andere overheidsrol

Nederland heeft bij het realiseren van ingewikkelde beleidsopgaven een rijke ‘poldertraditie’. Ook bij de actuele transitieopgaven wordt samen met de belanghebbenden gezocht naar consensus over de te volgen strategie en de te nemen maatregelen. Soms houdt dit in dat aan betrokken partijen een gezamenlijk advies wordt gevraagd. In andere gevallen streeft de overheid naar een akkoord waarbij zij zelf partij is. Bij het Energieakkoord werd de eerste weg bewandeld. Bij het nationale Klimaatakkoord werd in eerste instantie gekozen voor de tweede route, maar nam het kabinet uiteindelijk eigenstandig een besluit. Beide vormen van consultatie hebben voor- en nadelen. Van geval tot geval moet worden beoordeeld wat de beste route is. Maar bij transitieopgaven die maatschappelijk en politiek ingrijpend zijn en waar na het bereiken van consensus nog veel wetgeving en vergunningverlening op volgt, heeft de eerste route de voorkeur van de raad: een akkoord tussen maatschappelijke partijen met de status van een advies aan de overheid. Het proces van consensusvorming wordt dan gescheiden van de daaropvolgende politieke beoordeling van het resultaat. Ongeacht welke weg wordt bewandeld is het volgens de raad van belang dat de overheid van tevoren een duidelijk kader geeft waarbinnen afspraken kunnen worden gemaakt. Duidelijk moet bijvoorbeeld zijn wat de te bereiken doelen zijn, welke overheidsmiddelen beschikbaar zijn en welke inkomenseffecten aanvaardbaar zijn.

Kies eerder en vaker voor beprijzing en regulering en relativeer de betekenis van het level playing field

De overheid beschikt over een breed scala van beleidsinstrumenten die een transitieproces kunnen ondersteunen: van prijsmaatregelen en subsidies tot regulering en gedragsmaatregelen. De raad observeert bij de actuele transitiedossiers dat de rijksoverheid terughoudend is met het gebruik van beprijzing en regulering om in het bedrijfsleven de transitie naar een duurzame economie te bevorderen. De raad adviseert om beide instrumenten meer in te zetten. Dat geldt in het bijzonder voor regulering. Door in regelgeving en vergunningverlening ruim van tevoren concrete, oplopende doelen te verankeren, kan actief worden gestuurd op het realiseren van een geleidelijke transitie. Regulering heeft ook voor het bedrijfsleven voordelen. De overheid verschaft daarmee duidelijkheid over de juridische randvoorwaarden waaronder bedrijven kunnen investeren. Ook wordt zekerheid geboden over de bedrijfseconomische condities waaronder een investering rendabel kan zijn. Regulering op basis van concrete en tijdig kenbaar gemaakte duurzaamheidsdoelen stimuleert innovatie en ondersteunt het ontstaan van markten voor duurzame producten en processen.

Een belangrijke reden waarom de overheid terughoudend is met generieke beprijzing en regulering in marktsectoren, is de vrees hiermee de concurrentiepositie van internationaal opererende bedrijven en sectoren te schaden en op korte termijn economische groei mis te lopen. De raad vindt deze zorgen legitiem, maar constateert dat het argument van de concurrentiepositie soms selectief wordt gebruikt en dat de discussie erover het proces van verduurzaming onnodig vertraagt. Het vestigingsklimaat van een land wordt bepaald door een reeks factoren, van de kwaliteit van instituties en infrastructuur tot arbeidsmarkt, innovatiepotentieel en het belastingklimaat. Deze factoren verschillen per land. In die zin is het onmogelijk om bij het kiezen van de instrumenten die worden ingezet voor de verduurzaming van de economie, te sturen op een volledig gelijk internationaal speelveld. Bovendien blijft in beschouwingen over mogelijke nadelige gevolgen van verduurzamingsmaatregelen voor het bedrijfsleven veelal buiten beschouwing dat er in Nederland óók tal van overheidsmaatregelen zijn die de huidige economische spelers juist tot voordeel strekken, zoals lage energieprijzen, lage vennootschapsbelasting en andere fiscale voordelen. Tot slot moet volgens de raad in de discussie over het internationaal gelijke speelveld nadrukkelijker worden meegewogen dat verduurzamingsmaatregelen gebaseerd zijn op internationale afspraken. Dit betekent dat de inbreuk op het gelijke speelveld in principe slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn. Het toepassen van een omgekeerde bewijslast ten aanzien van het uit balans raken van de internationale concurrentiepositie kan helpen om de discussie hierover in evenwicht te brengen.

Waardevol toerisme

Subtitel: 
Onze leefomgeving verdient het
6 september 2019
Waardevol toerisme
Teasertekst: 
Hoe kan worden gestuurd op een gebalanceerde groei van het inkomende en binnenlandse toerisme in Nederland, waarbij economie, samenleving en leefomgeving met elkaar in samenhang worden bekeken?
Omslagfoto: 
Kaft met titel en foto van een markt met volle terrasjes
Adviesnummer: 
2019/04
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Het aantal toeristen in Nederland groeide de afgelopen tien jaar exponentieel en blijft ook de komende jaren exponentieel doorgroeien. Met toerisme wordt inmiddels evenveel verdiend als in de bouw en ruim tweemaal zoveel als in de landbouw. De toegenomen toeristische druk zorgt echter ook steeds vaker voor problemen en overlast. Dat is schadelijk voor de leefomgeving en de samenleving én op den duur ook nadelig voor de sector.

De raad richt zich in dit advies op de vraag hoe kan worden gestuurd op een gebalanceerde groei van het inkomende en binnenlandse toerisme in Nederland, waarbij de economie, de samenleving en de leefomgeving met elkaar in samenhang worden bekeken.

markt met volle terrasjes
Adviestype: 

Toelichting

De raad vindt dat een perspectiefwisseling nodig is in het toerismebeleid om te voorkomen dat de groei van het toerisme leidt tot overlast en schade. De huidige politieke en beleidsmatige aandacht voor toerisme is nog vooral gericht op het vergroten van inkomsten. Maar toerisme is niet alleen een economisch belang, het heeft ook invloed op bereikbaarheid en op het gebruik van de openbare ruimte, vastgoed, natuur en milieu. Pas als een toename van toerisme leidt tot schade aan de leefomgeving of tot overlast voor bewoners, wordt nagedacht over het tegengaan hiervan. De perspectiefwisseling houdt in dat de overheid samen met de sector en de samenleving moet anticiperen op toekomstige ontwikkelingen. Dat is nodig om een goede balans te vinden tussen enerzijds het economisch voordeel en anderzijds de draagkracht van de leefomgeving en het draagvlak onder bewoners. Het Rli-advies ‘Waardevol toerisme: onze leefomgeving verdient het’ biedt hiervoor een analysekader. Regie van de rijksoverheid is noodzakelijk om de bepleite beleidsverandering te bevorderen. De raad adviseert onder meer om een rijksvisie te formuleren, de beleidscapaciteit voor toerisme structureel te vergroten en voor de benodigde perspectiefwisseling een ministeriële commissie Toerisme in te stellen of het onderwerp op te nemen in het Interbestuurlijk Programma (IBP).

De raad beveelt aan om binnen twee jaar voor alle regio’s in Nederland een toeristische strategie op te stellen. In zo’n strategie staat waar en wanneer uitbreiding van het toerisme wordt nagestreefd en welke voorzieningen daarvoor moeten worden gerealiseerd. Maar er staat ook in waar de te verwachten toename van toeristen onwenselijk is en met welke instrumenten het aantal toeristen kan worden beïnvloed, hoe zij beter kunnen worden gespreid, dan wel hoe overlast kan worden voorkomen.

Nieuwe instrumenten om de ontwikkeling van het toerisme te kunnen sturen zijn niet nodig. De raad presenteert in het advies een menukaart van het bestaande instrumentarium, waaruit gekozen kan worden om negatieve gevolgen te beperken en nieuwe kansen te verzilveren. Om effectief van deze instrumenten gebruik te kunnen maken en daarin kennis en ervaring op te bouwen, is extra beleidscapaciteit en investeringsbereidheid hard nodig. Ook moet er onder regie van de rijksoverheid meer onderzoek worden gedaan, bijvoorbeeld in experimenteergebieden, naar de effectiviteit van verschillende beleidsingrepen. Zo wordt voorkomen dat groei van toerisme Nederland ‘overkomt’ en schaadt en zo kan toerisme bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving voor bewoners, bezoekers en ondernemers.

Ter voorbereiding van het advies heeft SWECO een onderzoek gedaan naar het Toerismebeleid bij gemeenten en provincies. U vindt dit rapport hier

Datum van publicatie

Op 6 september 2019 heeft de raad zijn advies ‘Waardevol toerisme: onze leefomgeving verdient het’ uitgebracht. Staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarbij laatstgenoemde werd vertegenwoordigd door directeur-generaal Van Kempen, namen het advies in ontvangst.

Vlnr: Marjolein Demmers raadslid Rli, Erik Jan van Kempen directeur-generaal BZK, Mona Keijzer staatssecretaris EZK, Jan Jaap de Graeff, voorzitter Rli Foto: Fred Ernst

Presentatie advies - 12 september 2019

Op 12 september 2019 presenteerde de Rli zijn advies ‘Waardevol toerisme: onze leefomgeving verdient het’ tijdens een drukbezochte publieke bijeenkomst. Het advies werd besproken met bestuurders, ondernemers en wetenschappers.

Lees hier het verslag van de bijeenkomst

Bekijk de foto's van de bijeenkomst

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Douwe Wielenga, projectleider douwe.wielenga@rli.nl tel 06-21240809

Raad: 
sitecontent: 

Waardevol toerisme

Toerisme in Nederland groeit sterk. Het aantal binnenlandse en buitenlandse bezoekers neemt exponentieel toe. Dat levert flink geld op: met toerisme wordt in Nederland inmiddels bijna net zoveel geld verdiend als in de bouwsector en tweemaal zoveel als in de landbouwsector. De bezoekers zorgen bovendien voor levendigheid en een hoog voorzieningenniveau. Toerisme is onlosmakelijk verbonden met onze huidige maatschappij, waarin we er zo nu en dan graag op uittrekken, rust zoeken of juist inspanning en vertier. De enorme groei heeft echter ook een keerzijde: te veel toerisme leidt tot schade aan leefomgeving en samenleving in de vorm van overbelasting van de openbare ruimte, wegen, natuur en milieu en overlast voor bewoners. Hierdoor verminderen het draagvlak voor toerisme onder bewoners en de aantrekkelijkheid van bestemmingen voor bezoekers.

In dit advies constateert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) dat een perspectiefwisseling nodig is in het toerismebeleid. De huidige politieke en beleidsmatige aandacht voor toerisme staat niet in verhouding tot de grote economische en maatschappelijke betekenis. Overheden richten zich nu nog te eenzijdig op economisch profijt van toerisme, terwijl er ook oog moet zijn voor de toenemende kansen en de negatieve gevolgen voor leefomgeving en samenleving. Om de verwachte toename van bezoekers in goede banen te leiden en te voorkomen dat toerisme ons overkomt, pleit de raad voor toekomstgericht sturen op toerisme door overheden in álle gebieden van Nederland. Daarvoor zijn zowel lokale als provinciale overheden aan zet en is regie van de rijksoverheid noodzakelijk.

Analyseer de gevolgen: bekijk toeristische druk en draagkracht van de leefomgeving

De gevolgen van toerisme manifesteren zich vooral op regionale schaal. Om op dat schaalniveau goed te kunnen inspelen op toeristische ontwikkeling is een nauwkeurige analyse nodig van de relatie tussen toerisme en de leefomgeving. Dat kan door de aard en omvang van de toeristische druk af te zetten tegen de draagkracht van de leefomgeving. Toeristische druk duidt op de hoeveelheid bezoekers en de invloed van hun activiteiten op een bestemming. Wanneer de toeristische druk op een bestemming hoog is, betekent dit echter niet automatisch dat er ter plaatse sprake is van overlast of schade. Dit hangt af van de draagkracht van de leefomgeving van een bestemming. De draagkracht van de leefomgeving duidt op het vermogen van de leefomgeving van een bepaalde bestemming om bezoekers te ontvangen, zonder dat negatieve gevolgen optreden. Daarbij maakt de raad onderscheid in fysieke elementen van draagkracht (mobiliteit, vastgoed, openbare ruimte, erfgoed, natuur en milieu) en sociale elementen (publieke ruimte en persoonlijke leefomgeving). De analyse van druk en draagkracht levert een beeld op van de ontwikkelruimte en opgaven van een bestemming, zowel in gebieden met veel bezoekers als in gebieden waar meer bezoekers gewenst zijn.

Maak een plan: stel regionale toeristische ontwikkelstrategieën op

Waardevol toerismebeleid richt zich op een optimale balans tussen toeristische druk en de draagkracht van de leefomgeving. De raad beveelt gemeenten en provincies aan er zorg voor te dragen dat er over twee jaar voor elke regio een toeristische ontwikkelstrategie gereed is, waarin de route naar die balans wordt uitgestippeld. De strategie bevat keuzes over de gewenste ontwikkeling van toerisme, en een bijbehorend pakket van beleidsmaatregelen dat aansluit bij de regionale opgaven en behoeften. De strategie wordt vervolgens verwerkt in het omgevingsbeleid van gemeente en provincie.

De raad adviseert het Rijk om op relevante dossiers bij te dragen aan de regionale toeristische ontwikkelstrategieën. Bijvoorbeeld voor wat betreft natuurbeleid, verduurzaming van mobiliteit, de gebouwde omgeving of klimaatadaptatie. Belangrijk is dat duidelijk wordt vastgelegd welke agenda het Rijk heeft voor toerisme in de regio’s en op welke manier regio’s steun van het Rijk kunnen verwachten.

Onderneem actie: vertaal de gewenste ontwikkeling in instrumenten

Er zijn meer dan voldoende beleidsinstrumenten om te sturen op de ontwikkeling van toerisme met oog voor de balans tussen toeristische druk en draagkracht van de leefomgeving. De toeristische druk kan beïnvloed worden met marketing en bereikbaarheidsmaatregelen voor bestemmingen, of door toeristen te spreiden over meerdere plekken of verschillende tijdstippen gedurende de dag. Ook het beïnvloeden van gedrag van bezoekers kan helpen om de druk te laten afnemen. Sturen op de fysieke draagkracht van een bestemming kan door de capaciteit te vergroten of de kwaliteit te verbeteren, door het reguleren van de groei of juist het verminderen van de capaciteit. De sociale draagkracht van een bestemming kan worden beïnvloed door compensatie van bewoners of het vergroten van de betrokkenheid en zeggenschap. Overheden maken op dit moment onvoldoende gebruik van de vele mogelijkheden om te sturen op de relatie tussen de ontwikkeling van toerisme en de leefomgeving.

Investeer in een krachtige kennisinfrastructuur en meer beleidscapaciteit

Kennis is het fundament voor kwalitatief goede beleidsvorming. Op dit moment is er onvoldoende bekend over de effecten van toerisme voor leefomgeving en samenleving en over de effectiviteit van instrumenten. Monitoring ontbreekt. De raad adviseert het Rijk om, in samenwerking met provincies en gemeenten, een meerjarige agenda vast te stellen voor het opbouwen en onderhouden van een krachtige kennisinfrastructuur. Er is een substantiële en structurele verhoging nodig van de beschikbare rijksmiddelen voor kennisontwikkeling en onderzoek naar toerisme.

Gemeenten, provincies en het Rijk zullen bovendien fors moeten investeren in beleidscapaciteit en onderzoek om te komen tot toekomstgericht beleid dat stuurt op de ontwikkeling van toerisme in balans met economie, leefomgeving en samenleving.

Rijk neem regie: maak een visie en voer die uit

De raad adviseert het Rijk het nieuwe toerismebeleid vast te leggen in een eigen visie. Kern daarvan is aandacht voor economie, leefomgeving én samenleving, onder meer door verbinding te leggen met andere (rijks)doelen. Daarnaast wordt in de visie de bijdrage van het Rijk aan de kennisagenda vastgelegd, en de benodigde extra inzet van capaciteit en middelen om de beoogde doelen te bereiken. De visie dient regio’s te inspireren en richting te geven aan de regionale toeristische strategieën en een actieve inzet van instrumenten te stimuleren. Waar nodig faciliteert de rijksoverheid regio’s bovendien door de inzet van eigen instrumenten. Om het perspectief te verleggen van een economische naar een samenlevingsbrede agenda voor toerisme, adviseert de raad om een ministeriële commissie Toerisme op te richten of het als extra opgave op te nemen in het Interbestuurlijk Programma (IBP).

Gerelateerde adviezen: 

Luchtvaartbeleid

Subtitel: 
Een nieuwe aanvliegroute
18 april 2019
Luchtvaartbeleid: een nieuwe aanvliegroute
Teasertekst: 
De raad richt zich in dit advies op de vraag of er een ander perspectief mogelijk is in het luchtvaartbeleid, en zo ja, of dit nieuwe perspectief leidt tot andere uitgangspunten en beleidsopties voor het rijksbeleid.
Omslagfoto: 
Kaft met titel en foto van Vliegtuig vliegt laag over het Amsterdamse Bos naar Schiphol om te landen
Adviesnummer: 
Rli 2019/02
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Wereldwijd is de luchtvaart fors toegenomen, ook in Nederland. Het vliegverkeer draagt bij aan de goede internationale bereikbaarheid van Nederland. Door geluidsoverlast en de uitstoot van fijnstof en CO2 botst de groei van het vliegverkeer echter steeds sterker met het belang van een gezonde en prettige leefomgeving en met de opgaven rond het klimaatbeleid. Deze conflicterende belangen, gecombineerd met een afnemend vertrouwen van burgers in de overheid en de luchtvaartsector, vragen om een nieuw perspectief in het luchtvaartbeleid.

De raad richt zich in dit advies op de vraag of er een ander perspectief mogelijk is in het luchtvaartbeleid, en zo ja, of dit nieuwe perspectief leidt tot andere uitgangspunten en beleidsopties voor het rijksbeleid. Onderzocht is wat de nationale sturingsmogelijkheden zijn en hoe deze aangevuld kunnen worden.

Vliegtuig vliegt laag over het Amsterdamse Bos naar Schiphol om te landen
Adviestype: 

Toelichting

In het advies betoogt de raad dat de luchtvaart veel meer als gewone bedrijfstak moet worden behandeld – niet anders dan andere bedrijfstakken. Veiligheid, milieu- en omgevingskwaliteit, hinder en CO2 stellen grenzen aan de mogelijkheden voor luchtverkeer. De luchtvaart zal zich net als andere economische sectoren moeten ontwikkelen binnen die grenzen.

De raad werkt dit in het advies uit in een aantal aanbevelingen:

  • Stuur op duidelijke grenswaarden voor de luchtvaart.
  • Pas het ALARA-beginsel toe (as low as reasonably achievable).
  • Ontwikkel een Nederlands klimaatbeleid voor de luchtvaart met reductiedoelen voor CO2-uitstoot.
  • Zorg voor vertrouwen bij burgers door strikte handhaving en sanctionering.
  • Zorg dat de vervuiler betaalt.
  • Besteed meer aandacht aan (beïnvloeding van) reizigersgedrag.
  • Stuur op internationale bereikbaarheid van Nederland en heroverweeg daarbinnen de netwerkkwaliteit.

De raad formuleert enkele concrete uitwerkingen van deze aanbevelingen, over onder andere het beperken van hinder in de nacht en het invoeren van een bijmengverplichting voor duurzame brandstof voor kerosineleveranciers aan Nederlandse luchthavens.

Omdat de Nederlandse luchtvaart opereert in een internationaal speelveld, zal Nederland zich bij voorkeur in EU- en internationaal verband moeten inzetten voor veranderingen op bovengenoemde aspecten. De realiteit is echter dat wereldwijd eensgezindheid hierover nog lang op zich zal laten wachten. Daarom vindt de raad dat Nederland waar mogelijk eigen beleid zou moeten voeren om de knelpunten in de luchtvaart aan te pakken.

Publicatie

Op 18 april 2019 heeft de raad zijn advies ‘Luchtvaartbeleid: een nieuwe aanvliegroute’ aangeboden aan minister Van Nieuwenhuizen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en aan de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer.

Minister Cora van Nieuwenhuizen (IenW) ontving het advies uit handen van Jan Jaap de Graeff, voorzitter Rli (r) en raadslid Niels Koeman (l) Foto Fred Ernst

Vergelijkende studie

Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur een vergelijkende analyse laten maken van de overheidssturing van de luchtvaartsector enerzijds en de overheidssturing van enkele andere mobiliteits- en bedrijfssectoren anderzijds: het railverkeer, de zeevaart, de binnenlandse scheepvaart, het wegverkeer en de zware industrie. In deze vergelijkende studie is gekeken naar het geheel van wet- en regelgeving, beleidsmaatregelen en de bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling. Het eindrapport van KWINK groep is hier te downloaden (pdf 1Mb).

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Bart Swanenvleugel, projectleider, bart.swanenvleugel@rli.nl , 06 5201 2691.

Bestellingen voor het adviesboekje worden vanaf 15 mei verzonden.

Raad: 
sitecontent: 

Luchtvaartbeleid: een nieuwe aanvliegroute

Wereldwijd is de luchtvaart fors toegenomen, ook in Nederland. Door geluidsoverlast en de uitstoot van fijnstof en CO2 botst de groei van het vliegverkeer steeds sterker met het belang van een gezonde en prettige leefomgeving en met de opgaven rond het klimaatbeleid. Deze conflicterende belangen, gecombineerd met een afnemend vertrouwen van burgers in de overheid en de luchtvaartsector, vragen om een nieuw perspectief in het luchtvaartbeleid. In dit advies heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) een voorstel voor zo’n nieuw perspectief uitgewerkt.

De kern van het nieuwe perspectief is dat de luchtvaart in het overheidsbeleid veel meer als een gewone bedrijfstak moet worden behandeld. Op dit moment neemt de luchtvaart nog een uitzonderingspositie in. Verschillende milieubeginselen worden niet of nauwelijks toegepast in het luchtvaartbeleid. In het beleid ligt de nadruk op het versterken van de concurrentiekracht van met name Schiphol. Andere sectoren worden veel minder op zo’n manier van overheidswege ondersteund.

De raad meent dat deze afwijkende behandeling in het beleid niet langer kan worden volgehouden. Veiligheid, milieu- en omgevingskwaliteit én de klimaatambities stellen grenzen aan het luchtverkeer. De luchtvaart zal zich net als andere economische sectoren moeten ontwikkelen binnen die grenzen. Het uitgangspunt in het beleid zal niet langer kunnen zijn ‘eerst groei toestaan, dan mitigeren’. De volgorde zal moeten worden: eerst handhaven op de randvoorwaarden, daarna besluiten over capaciteitsgroei bij luchthavens. Dat betekent dat groei van het aantal vliegbewegingen van en naar Nederland pas mogelijk is nádat aan de randvoorwaarden is voldaan.

Dit nieuwe perspectief heeft de raad in dit advies uitgewerkt tot de volgende aanbevelingen:

Stuur in het luchtvaartbeleid op milieugrenswaarden voor de luchtvaart in plaats van op het aantal vliegbewegingen

De huidige beleidsmatige sturing op het aantal vliegbewegingen strookt niet met hoe de overheid andere economische sectoren behandelt. Tegen een lampenfabriek wordt immers ook niet gezegd dat men een maximum aantal lampen mag maken. De overheid zou primair moeten sturen op heldere milieugrenswaarden, waarbinnen de luchtvaart moet blijven. Aanvullend op de bestaande grenswaarden zou ook een nieuwe hindernorm moeten worden ontwikkeld voor de beleving van geluid.

Pas het ALARA-beginsel toe en scherp periodiek de grenswaarden voor de luchtvaart aan

Luchthavens en –maatschappijen moeten zich meer inspannen om de milieuhinder door luchtvaart zo laag te laten zijn ‘als redelijkerwijs mogelijk’. Scherp daarom periodiek de grenswaarden aan voor de luchtvaart. Dit wordt het ALARA-beginsel genoemd, een afkorting van as low as Reasonably achievable. In het verlengde daarvan zou de hinder gedurende de nacht zoveel mogelijk moeten worden teruggebracht. Het aantal vluchten in de nacht kan worden beperkt met behulp van een prijsprikkel en/of het verbieden van starts.

Ontwikkel een nationaal klimaatbeleid voor de luchtvaart

Het is van belang dat er in Nederland voor de luchtvaart, net als voor andere bedrijfssectoren, CO2-reductiedoelen worden opgesteld. Omdat het gebruik van duurzame brandstof voorlopig de meest kansrijke manier is om de CO2-uitstoot van vliegen te beperken, bepleit de raad een bijmengverplichting voor duurzame brandstof, die wordt opgelegd aan brandstofleveranciers van Nederlandse luchthavens. Om negatieve effecten van tanken in het buitenland te voorkomen, moet het prijsverschil tussen duurzame brandstof en gewone kerosine gedurende een overgangsperiode worden gesubsidieerd.

Investeer in herstel van vertrouwen bij burgers door strikte handhaving en sanctionering

Het succes van het hier geschetste nieuwe perspectief in het luchtvaartbeleid staat of valt met het vertrouwen van burgers in de overheid en luchtvaartsector. Daarom zal het nieuwe luchtvaartbeleid gepaard moeten gaan met een strikte handhaving en met sanctionering als de grenswaarden en doelstellingen worden overschreden.

Zorg dat de vervuiler betaalt

De reiziger en luchtvaartmaatschappijen moeten net als andere bedrijfssectoren gaan betalen voor de negatieve externe effecten die het luchtverkeer veroorzaakt. Nationaal moeten de luchthaventarieven daarom gedifferentieerd worden op basis van milieukarakteristieken van vliegtuigen. De raad adviseert daarnaast om een vliegticketheffing te introduceren die verder gaat dan het bestaande wetsvoorstel op dit punt. Daarnaast zal de Nederlandse overheid zich in internationaal verband ervoor moeten inzetten dat ook op kerosine accijns wordt geheven.

Besteed meer aandacht aan (beïnvloeding van) reizigersgedrag

Terwijl in andere mobiliteitssectoren sturing op gedrag van de reiziger heel gebruikelijk is als beleidsdoelen niet worden bereikt of als er sprake is van negatieve externe effecten, gebeurt dat bij de luchtvaart niet. Dat moet veranderen. Een grondige analyse van de mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding zou onderdeel moeten zijn van een nieuw luchtvaartbeleid. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat het bieden van goede alternatieven (zoals de internationale trein) of het inzetten op bewustwording van de gevolgen van vliegen het reizigersgedrag kunnen sturen.

Stuur op internationale bereikbaarheid van Nederland en heroverweeg daarbinnen de netwerkkwaliteit

Een goed luchtvaartnetwerk is van belang voor de internationale bereikbaarheid van Nederland. Maar die internationale bereikbaarheid wordt bepaald door de optelsom van alle beschikbare vervoersmodaliteiten: door de lucht, via het spoor, over de weg en over het water. De raad beveelt aan goed te analyseren hoeveel en welke verbindingen nodig zijn om onze internationale bereikbaarheid te waarborgen. De omvang en kwaliteit van het benodigde luchtvaartnetwerk van Nederland, dat wil zeggen van Schiphol en de regionale luchthavens samen, moet daarvan een afgeleide zijn. Op dit moment vindt een dergelijke samenhangende beoordeling van het luchtvaartnetwerk onvoldoende plaats.

Omdat de Nederlandse luchtvaart opereert in een internationaal speelveld, zal Nederland zich bij voorkeur in EU- en internationaal verband moeten inzetten voor veranderingen op bovengenoemde aspecten. De realiteit is echter dat wereldwijd eensgezindheid hierover nog lang op zich zal laten wachten. Daarom vindt de raad dat Nederland waar mogelijk eigen beleid zou moeten voeren om de knelpunten in de luchtvaart aan te pakken.

 

Warm aanbevolen

Subtitel: 
Naar een CO2-arme verwarming van de gebouwde omgeving
13 december 2018
Warm aanbevolen: CO2-arme verwarming van de gebouwde omgeving
Teasertekst: 
Welke maatregelen moet de overheid treffen om te zorgen dat alle partijen zich kunnen en willen inzetten voor een voortvarende transitie naar een CO2-arme warmtevoorziening in de gebouwde omgeving?
Adviesnummer: 
Rli 2018/07
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

In Parijs zijn in 2015 tijdens de klimaattop afspraken gemaakt om te voorkomen dat de gemiddelde temperatuur op aarde te veel stijgt ten gevolge van het broeikaseffect. In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is dit vertaald in de doelstelling om de uitstoot van broeikasgassen in de periode tot 2050 met 95% te verminderen ten opzichte van 1990. Als tussendoel geldt een reductie van 49% in 2030.

Om deze doelen te halen is een transitie nodig in onze energievoorziening, in alle sectoren. Een onderdeel hierin is de transitie in de gebouwde omgeving die moet overschakelen naar CO2-arme warmte en koude in woningen en andere gebouwen. In de gebouwde omgeving wordt hierin nog altijd beperkt voortgang geboekt, zeker in het licht van de opgave die voorligt. De raad richt zich in dit advies op de volgende vragen:

Welke maatregelen moet de overheid treffen om te zorgen dat alle partijen zich kunnen en willen inzetten voor een voortvarende transitie naar een CO2-arme warmtevoorziening in de gebouwde omgeving?
Welke financiële maatregelen en welke afspraken over de rol en verantwoordelijkheden van overheden zijn nodig om de doelen uit het regeerakkoord voor 2030 en 2050 te halen?

kinderen spelen met een sleetje in de sneeuw in een woonwijk
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting en uitgangspunten

Om de Nederlandse klimaatdoelstellingen te halen moeten er in Nederland tot 2050 jaarlijks tweehonderdduizend woningen CO2-arm gemaakt worden. Dat komt neer op bijna achthonderd woningen per werkdag, dertig jaar lang. De komende decennia krijgt vrijwel elk huishouden en iedere gebouweigenaar hiermee te maken. De inzet en betrokkenheid vanuit de samenleving hierbij is niet op voorhand gegarandeerd.

De raad constateert dat twee randvoorwaarden essentieel zijn om de individuele burgers en de samenleving als geheel in beweging te krijgen: duidelijkheid en verbinding. Er is behoefte aan meer duidelijkheid over verdeling van verantwoordelijkheden, over de omvang en verdeling van kosten en over de fasering van de transitie. Daarnaast zal de transitie alleen slagen als er op effectieve wijze verbinding gelegd wordt met de samenleving. Er ontstaat pas zicht op een haalbare energietransitie als andere thema’s die spelen in de wijk en bij de betrokken huishoudens, gekoppeld kunnen worden aan de uitvoering.

De raad heeft geconstateerd dat er drie uitgangspunten zijn die vragen om een politiek-bestuurlijk debat. Expliciete keuzes over deze uitgangspunten kunnen de transitie versnellen. Het gaat om keuzevrijheid, verdeling van publieke en private verantwoordelijkheden en de versnelling in de eerste fase van de transitie.

Aanbevelingen

Met duidelijkheid en verbinding als randvoorwaarden en de drie uitgangspunten als onderliggende principes komt de raad tot aanbevelingen over de fasering, de kosten en betaalbaarheid, en het draagvlak in de wijk.

Om tegemoet te komen aan de in de samenleving gewenste duidelijkheid over het verloop van de energietransitie, is een gedeeld beeld van de fasering in de tijd essentieel. De raad doet aanbevelingen waarmee de fasering verder kan worden verfijnd. Zo is er in de eerste fase van de transitie, naast extra overheidsmiddelen, een visie nodig op de gemeentelijke governance van nieuwe infrastructuur. In de eerste fase van de transitie moet ook vol ingezet worden op energiebesparing, en in 2040 moeten alle overheidsgebouwen CO2-neutraal zijn.

De aanleg van warmte-infrastructuur in de openbare ruimte ziet de raad als een publieke aangelegenheid. De raad beveelt aan dat iedereen in een leveringsgebied meebetaalt aan de aanleg van deze voorziening, ook als er individueel gekozen wordt voor een alternatief. Daarbij kunnen de kosten voor warmte verschillen per wijk, gemeente en regio. De raad pleit voor een wettelijke maximumprijs voor verwarming. Daar is een kostenreguleringssysteem voor nodig waar het hele spectrum van warmtelevering (verschillende temperatuurniveaus, all electric, waterstof en biogas) wordt ondergebracht.

De energietransitie heeft niet bij iedereen prioriteit, zeker niet als andere prangende zaken spelen zoals problemen met wateroverlast of rond veiligheid en leefbaarheid. De raad beveelt daarom aan om nauw aan te sluiten bij de dynamiek in de wijk en dit een verplicht onderdeel te laten zijn van de gemeentelijke transitievisies warmte en warmteplannen.

Publicatiedatum 13 december 2018

Op 13 december 2018 is het advies ‘Warm aanbevolen: naar een CO2-arme verwarming van de gebouwde omgeving’ aangeboden aan Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat.

Bijeenkomst 7 februari 2019

Op 7 februari 2019 organiseerde de Rli een bijeenkomst om de inhoud van het advies te bespreken met deskundigen, belanghebbenden en belangstellenden. De aanbevelingen werden in een aantal gespreksrondes geconcretiseerd met tafelgasten: Meindert Smallenbroek (directeur Energie en omgeving EZK), Alexander van Ofwegen (directeur Warmte NUON), Claudio Bruggink (Wethouder Hengelo), Marieke van Doorninck (wethouder Amsterdam), Thomas Dekker (duurzaam wonen en bouwen Rabobank), Arjan Schep (Erasmus studiecentrum voor belastingen en lokale overheden),  Marco Pastors (directeur Nationaal Programma Rotterdam Zuid), Ferdi Licher (Directeur Bouwen en energie BZK) en Mariette Heemskerk (directeur Goede Woning). Diederik Samsom (voorzitter sectortafel Gebouwde omgeving van het klimaatakkoord) startte de bijeenkomst met de discussiepunten die spelen in het maatschappelijk debat en aan de overlegtafels gebouwde omgeving.

Lees het verslag van de bijeenkomst op 7 februari 2019 (1Mb)

Bekijk de foto's van de bijeenkomst

Informatie of reactie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Folmer de Haan, projectleider, f.w.dehaan@rli.nl, telefoon: 06 – 461 524 96