Briefadvies

Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid

10 februari 2021
Teasertekst: 
Er zijn steeds meer oplossingen voor bereikbaarheidsvraagstukken. De te maken keuzes hangen steeds sterker samen met andere opgaven in de leefomgeving. Hoe komen we tot integraal bereikbaarheidsbeleid?
Adviesnummer: 
Rli 2021/03
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

De Tweede Kamer heeft de Rli gevraagd om advies te geven over hoe een meer integrale benadering van het bereikbaarheidsvraagstuk in de praktijk kan worden gerealiseerd. De vragen die de Kamer heeft gesteld aan de raad luiden: Welke institutionele belemmeringen zijn er binnen overheidsorganisaties en hoe kunnen deze worden weggenomen? Verschillen deze belemmeringen tussen nationale, regionale en grensoverschrijdende mobiliteitsopgaven? Hoe kan een integrale afweging worden geborgd in de diverse afwegingsinstrumenten? Hoe kan de Kamer hierop invloed uitoefenen?

De Rli beantwoordt het verzoek van de Tweede Kamer met dit advies, met als centrale vraag:

Hoe kan in de beleidsvorming een meer integrale afweging van bereikbaarheidsopgaven en –oplossingen worden gerealiseerd? Wat zijn de belangrijkste belemmeringen die zo’n integrale afweging in de weg staan voor instituties in het algemeen en de Tweede Kamer in het bijzonder en hoe zijn die belemmeringen weg te nemen?

Riding through the city
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Er is een toenemend besef dat in het bereikbaarheidsbeleid een ‘integrale’ benadering gewenst is. Een integrale benadering gaat verder dan het mogelijk maken van een efficiënte verplaatsing per auto, fiets of openbaar vervoer. Zo’n benadering doet recht aan nieuwe mogelijkheden en innovaties op het gebied van mobiliteit. Ruimtelijke oplossingen en spreiding van mobiliteit over de dag worden in de afwegingen betrokken. Het beleid houdt een open oog voor digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen. Een integrale benadering houdt bovendien rekening met andere opgaven in de leefomgeving, zoals verstedelijking, veiligheid en klimaat. Om te komen tot een integraal afgewogen bereikbaarheidsbeleid doet de raad in dit advies een aantal aanbevelingen aan regering en parlement.

De drie hoofdaanbevelingen zijn:

Stuur op brede welvaart: als ijkpunt in de gehele beleidscyclus van het bereikbaarheidsbeleid, inclusief visies en afwegingsinstrumentarium

De raad adviseert om het faciliteren van mobiliteit niet langer het dominante uitgangspunt van het bereikbaarheidsbeleid te laten zijn. Er is een weldoordachte visie nodig, bekrachtigd door politieke besluitvorming, op de doelen van het bereikbaarheidsbeleid en hoe die het beste kunnen worden gerealiseerd. De effecten op brede welvaart zouden wat de raad betreft daarbij het ijkpunt moeten vormen in de gehele beleidscyclus, van visievorming tot implementatie. Dit vergt aanpassing van het afwegingsinstrumentarium en het gebruik ervan. Het denkkader en de systematiek van maatschappelijke kosten-batenanalyses zouden eerder en consistenter in besluitvormingsprocessen moeten worden ingezet. De nieuwe nationale markt- en capaciteitsanalyse, die in de zomer van 2021 verschijnt, dient recht te doet aan alle aspecten die uit het oogpunt van brede welvaart relevant zijn. Voorkomen moet worden dat deze analyse de status krijgt van een prioriteitenlijst voor infrastructurele oplossingen, zoals voorheen het geval is geweest.

Stuur met een brede blik: op alle beschikbare oplossingsrichtingen voor bereikbaarheidsvraagstukken

De raad roept regering en parlement op om álle beschikbare oplossingsrichtingen voor het verbeteren van bereikbaarheid te betrekken in de beleidsafwegingen. Veranderende maatschappelijke voorkeuren en technologische ontwikkelingen geven hier aanleiding toe. Naast ‘klassieke’ infra­structurele maatregelen gericht op de aanpak van verkeerskundige capaciteitsknelpunten dienen ook andere kansrijke oplossingsrichtingen, zoals gedragsbeïnvloeding, spreiding van mobiliteit in de tijd, digitale bereikbaarheidsalternatieven en slim ruimtelijk ontwerp, nevengeschikt te worden meegewogen bij het maken van beleidskeuzes. De snelle ontwikkeling van digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen, zoals online thuiswerken of onderwijs volgen, vraagt versneld om beleidsaandacht, in samenwerking met private partijen. Daarnaast kan het Rijk met ruimtelijk beleid sterker sturen op de bereikbaarheidseffecten van verstedelijking.

Stuur samen: rijksbreed én met de regio’s, op basis van een meerjarige programmatische aanpak en financiering van bereikbaarheidsbeleid

Om te komen tot integraal afgewogen keuzes zullen op rijksniveau de drie betrokken departementen het bereikbaarheidsbeleid moeten beschouwen als een gezamenlijke, samenhangende opgave: IenW (voor het thema mobiliteit) en BZK (voor het thema verstedelijking en ruimtelijk ontwerp) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) (voor het thema digitale bereikbaarheid). Er is een gezamenlijke visie en beleidsagenda nodig, op basis waarvan verantwoordelijkheden en financiële middelen voor het bereikbaarheidsbeleid worden toegewezen. De uitvoering van zorgvuldig op elkaar afgestemde verstedelijkings- en bereikbaarheidsstrategieën mag vervolgens in de uitvoeringsfase niet worden belemmerd door een sectorale projectenaanpak of door belangen van individuele organisaties. Gebiedsgerichte programmasturing, gekoppeld aan gezamenlijke programmafinanciering, vormen volgens de raad de basis voor een betere verankering van integraal werken in de samenwerking, rijksbreed en tussen het Rijk en de regio’s. Dat vraagt voor de komende periode ook om verbreding van de financiële basis voor integraal bereikbaarheidsbeleid.

De Tweede Kamer vervult in de hele beleidscyclus een belangrijke rol bij het realiseren van een integraler bereikbaarheidsbeleid. De raad heeft daarbij twee specifieke aanbevelingen:

Maak meer gebruik van de beschikbare parlementaire sturingsmogelijkheden

De Tweede Kamer kan haar sturingsmogelijkheden beter benutten door het kabinet scherp te bevragen op het integrale karakter van uitgangspunten en voorstellen voor bereikbaarheidsbeleid en daarover het politieke debat te voeren. Ook kan de Kamer desgewenst, bijvoorbeeld met een initiatiefnota, een initiërende rol vervullen. Het effectief gebruiken van deze sturingsmogelijkheden vraagt van de Kamer dat zij zich een mening vormt over de rol die bereikbaarheidsbeleid kan spelen bij het bevorderen van brede welvaart. Het vereist ook dat de Kamer erop toeziet dat gebruikte afwegingskaders en beslisinstrumenten voldoende zijn ingericht op het maken van integrale afwegingen.

Richt de parlementaire aandacht sterker op de samenhang tussen effecten, oplossingsrichtingen en bestuurlijke organisatie van het bereikbaarheidsbeleid

De Tweede Kamer zou bij de invulling van haar controlerende taak de aandacht minder moeten richten op de resultaten van afzonderlijke projecten en maatregelen en zich meer moeten concentreren op de effecten en doelrealisatie van het bereikbaarheidsbeleid als geheel.

Dat betekent ook: het kabinetsbeleid nadrukkelijker beoordelen op gemaakte verbindingen met andere relevante inhoudelijke beleidsdomeinen zoals ruimtelijk beleid, verstedelijking en digitalisering en op samenwerking tussen departementen en bestuurslagen. Een meer integraal bereikbaarheidsbeleid zou volgens de raad ook gebaat zijn bij het regelmatig organiseren van gezamenlijke ­vergaderingen van de vaste commissies voor IenW en BZK.

Publicatiedatum

Op 10 februari bood de raad zijn advies ‘Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid’ aan de Tweede Kamer aan. Kamerlid Rutger Schonis (D66) nam het advies namens de Tweede Kamer online in ontvangst.

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luc Boot, projectleider, luc.boot@rli.nl of 06 1057 7495.

Europees landbouwbeleid

Subtitel: 
Inzetten op kringlooplandbouw
22 mei 2019
Europees landbouwbeleid 2021-2027: inzetten op kringlooplandbouw
Teasertekst: 
De raad richt zich in dit advies op de vraag op de mogelijkheden die de implementatie van het GLB biedt voor de ondersteuning van de omslag naar kringlooplandbouw.
Adviesnummer: 
Rli 2019/03
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie wordt eens in de zeven jaar opnieuw vastgesteld. De Europese Commissie heeft vorig jaar voorstellen gedaan waarin de lidstaten meer vrijheid krijgen om met het beschikbare geld nationale doelen na te streven. Voor de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit was dit aanleiding de raad te vragen om haar te adviseren over hoe het GLB de komende jaren in Nederland het beste kan worden ingezet om de omslag naar kringlooplandbouw te ondersteunen. Een landbouw die toekomstbestendig, veerkrachtig en robuust is en die past binnen de eisen op het gebied van milieu, klimaat, biodiversiteit, bodem, water, dierenwelzijn, landschap en volksgezondheid.
 

foto: ‘bloemrijke akkerranden bevorderen de biodiversiteit’, fotograaf: Lilian Pruissen
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De raad vindt het belangrijk dat het landbouwbeleid, en dus ook de inzet van de Europese landbouwgelden, de komende jaren flexibel is. De veranderingen die nodig zijn om te komen tot kringlooplandbouw zijn moeilijk in een keer te realiseren, juist omdat het zich gaandeweg verder ontwikkelt aan de hand van experimenten en onderzoek. De basis voor betalingen aan boeren dient periodiek te kunnen worden aangepast aan groeiende kennis, voortschrijdend inzicht en verder te concretiseren doelen die passen bij kringlooplandbouw. Dat kan wanneer de inzet van Europees landbouwgeld in de loop van de tijd steeds minder aan inkomenssteun en steeds meer aan prestaties op het vlak van klimaat en milieu wordt gekoppeld. Als grondslag voor deze prestatiebetalingen kan worden gewerkt met een puntensysteem gebaseerd op prestatie indicatoren. Door daarin de betalingen te koppelen aan steeds hogere prestaties op het vlak van klimaat en milieu kunnen boeren de omslag naar kringlooplandbouw geleidelijk inpassen in hun bedrijfsstrategie.

De omslag naar kringlooplandbouw is niet een zaak van boeren alleen, de hele keten heeft daarin een rol. Niet alleen de landbouw dient te veranderen maar het hele voedselsysteem. Door de ecoregelingen via het puntensysteem te koppelen aan duurzaamheidsschema’s die in de private sector worden ontwikkeld, ontstaat er zowel voor boeren als voor andere ondernemingen in de keten gaandeweg een verdienmodel voor kringlooplandbouw. De administratieve lasten voor zowel de overheid als de agrarische sector kunnen door deze koppeling vergaand worden beperkt.

De Rli adviseert ook om de voorgenomen korting op het Europese budget voor duurzaam plattelandsbeleid ongedaan te maken, en dit budget minimaal op het huidige peil te houden en waar nodig te verhogen met het oog op investeringen voor klimaat en milieu. Dit budget is volgens de raad hard nodig om de omslag naar kringlooplandbouw te ondersteunen. Bijvoorbeeld door kennis uit te wisselen, experimenten te doen en praktijkervaringen te delen op het gebied van bodemverbetering, biodiversiteit, en het tegengaan van respectievelijk aanpassen aan de klimaatverandering. Daarnaast is het van belang dat dit geld beschikbaar blijft om boeren te belonen voor publieke diensten die zij verrichten voor het agrarisch natuur- en waterbeheer.

Datum van publicatie

Op 22 mei 2019 heeft de raad zijn briefadvies ‘Europees landbouwbeleid: inzetten op kringlooplandbouw’ aangeboden aan minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Raadslid Krijn Poppe (l) en voorzitter Rli Jan Jaap de Greaff (m) overhandigen het advies aan minister Schouten (LNV) Foto Fred Ernst

Meer informatie

Het briefadvies met toelichting en de bijbehorende infographics zijn te downloaden via deze site.

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Hannah Koutstaal, projectleider, hannah.koutstaal@rli.nl , 06 11797505.

 

Nationale Omgevingsvisie

Subtitel: 
Lakmoesproef voor het Omgevingsbeleid
20 november 2018
Nationale Omgevingsvisie: Lakmoesproef voor de Omgevingswet
Teasertekst: 
Met welke governance en sturing komen de prioriteiten van het kabinet binnen bereik?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli 2018/06
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

De minister van BZK heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) gevraagd te adviseren over de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Concreet vraagt de minister de raad hoe de “hoofdlijnen van governance en sturing, al dan niet aangepast, effectief ingezet kunnen worden voor het realiseren van de inhoudelijke prioriteiten van het kabinet”.

Aanleiding voor de adviesvraag is het voornemen om begin 2019 een ontwerp-NOVI aan de Tweede Kamer aan te bieden. Als tussenstap is op 5 oktober het Kabinetsperspectief NOVI uitgebracht.

De NOVI is een nieuw beleidsinstrument dat is geïntroduceerd in het vernieuwde stelsel van het omgevingsrecht.

foto: Spiegelwaal, Nijmegen, voorbeeld van complexe regionale opgaven: verstedelijking, waterveiligheid, infrastructuur en kwaliteit landschap; fotograaf: © Thea van den Heuvel /DAPh
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting en uitgangspunten

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is hét instrument van het kabinet om te sturen op de kwaliteit van de leefomgeving. Een samenhangende aanpak van de grote opgaven waar Nederland voor staat is essentieel. De Rli is bezorgd dat deze samenhang onvoldoende uit de verf komt, zowel bij de voorbereiding van de NOVI als bij de uitvoering daarvan. Departementale verkokering en onvoldoende gezamenlijk optrekken van het Rijk en andere overheden zijn daarvan belangrijke oorzaken. De raad beschouwt de door hem bepleite samenhangende aanpak – kernpunt van het recent ingrijpend vernieuwde omgevingsrecht – als een lakmoesproef voor het nieuwe omgevingsbeleid, en daarmee als een belangrijke opdracht voor het kabinet. Directe politieke aansturing van de totstandkoming van de NOVI is volgens de raad daarvoor essentieel. Dat is een van de aanbevelingen die de raad doet in zijn recente advies ‘Nationale Omgevingsvisie: lakmoesproef voor het omgevingsbeleid’.

Aanbevelingen

In zijn advies geeft de raad acht aanbevelingen gericht op de inhoud van de NOVI, op het proces van de totstandkoming van de NOVI en, na vaststelling, op het werken met de NOVI. Enkele aanbevelingen uit het advies:

  1. Zorg dat de NOVI een inspirerende en robuuste visie op de toekomst van Nederland biedt, die overheden, bedrijven, maatschappelijke partijen en burgers in staat stelt toekomstbestendige beslissingen te nemen. Breng deze visie als concept zo snel mogelijk in discussie, zodat deze kan rijpen en kan worden verrijkt in het politiek-maatschappelijke debat.
  2. Meer politieke aansturing door het kabinet en interbestuurlijke samenwerking zijn onmisbaar om tot afstemming en integratie van beleidsdossiers te komen.
  3. De keuze voor een gebiedsgerichte benadering en actieve betrokkenheid van het Rijk bij regionale ontwikkeling, impliceert een regio-indeling (in circa dertig regio’s) met een beleidsmatige aanwezigheid van het Rijk in deze regio’s.

Datum van publicatie

Op 20 november 2018 is het advies ‘Nationale Omgevingsvisie: lakmoesproef voor het omgevingsbeleid’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Informatie of reactie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Tim Zwanikken, projectleider, tim.zwanikken@rli.nl, telefoon: 06 52874404.

 

Versnellen woningbouwproductie, met behoud van kwaliteit

28 juni 2018
Versnellen woningbouwproductie, met behoud van kwaliteit
Teasertekst: 
Kiezen voor snelheid én kwaliteit
Adviesnummer: 
Rli 2018/05
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Hoe kan de bouwproductie worden verhoogd zodat het aantal woningen aansluit bij de woningbehoefte? De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een reeks van maatregelen aangekondigd om de bouwproductie te versnellen. Er wordt onder andere ingezet op het voeren van gesprekken met de regio, op aanpassing van de Crisis- en herstelwet en op een fonds om moeilijke binnenstedelijke woningbouwlocaties financieel haalbaar te maken. In de Nationale Woonagenda 2018–2021 spreekt de minister samen met vertegenwoordigers van projectontwikkelaars, bouwers, bewoners en verhuurders de ambitie uit 75.000 nieuwe woningen te realiseren per jaar tot 2025.

Gezien de maatschappelijke en politieke druk om snel te bouwen, doet de raad de minister een aantal handreikingen in een briefadvies. De centrale vraag die de raad zich stelt is hoe de bouwproductie te versnellen, maar tegelijkertijd de kwaliteit te behouden.

Woningbouwproductie
Raad: 

Toelichting en uitgangspunten

Een centrale boodschap in het advies is dat de urgentie van de bouwopgave niet mag leiden tot het ondergeschikt raken van andere opgaven die bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Met de nieuwbouwwoningen van nu worden immers de woonmilieus van de toekomst gemaakt. Een tweede boodschap is dat er volgens de raad geen quick fix bestaat voor het versnellen van de woningbouwproductie. De raad pleit daarom voor realisme bij alle partijen. Bovendien stelt de raad dat er geen sprake is van een nationaal probleem, maar dat blijvende woningtekorten alleen voorkomen in een aantal regio’s.

In zijn advies doet de raad een aantal voorstellen om de bouwproductie te versnellen. Tevens vindt de raad het belangrijk dat de minister naast het beleid dat is gericht op de bouw van meer woningen, ook helpt om de woningmarkt stabieler te maken. De productie van woningen is nu erg conjunctuurgevoelig.

Aanbevelingen

De aanbevelingen richten zich enerzijds op maatregelen op de korte termijn, ter ondersteuning van de gesprekken die de minister is gestart in de regio’s met de meest gespannen woningmarkten. Anderzijds beveelt de raad maatregelen aan die effect zullen hebben op de langere termijn, maar die nu al moeten worden genomen.

  1. Minister, zet alleen in op regio’s met gespannen woningmarkten met structurele tekorten, en ga daarbij uit van langdurige betrokkenheid;
  2. Agendeer de volgende onderwerpen aan de regionale overlegtafels: verhoog de kwaliteit van monitoring op plancapaciteit, zorg voor goede regionale cijfers, probeer los te komen van de tegenstelling binnenstedelijk-buitenstedelijk ontwikkelen en prioriteer locaties en gebieden;
  3. Gemeenten zet in op extra verdichting op binnenstedelijke locaties;  
  4. Los bereikbaarheidsproblemen van bouwlocaties op;
  5. Benut en ontwikkel instrumenten om grondeigenaren aan te zetten tot daadwerkelijke bouw overeenkomstig een bestemmingsplan;
  6. Maak mogelijk dat corporaties meer kunnen investeren in bouwproductie, door een kortingsregeling op de verhuurderheffing voor nieuwbouw;
  7. Neem maatregelen om het woningmarktbeleid op termijn meer anticyclisch te maken.

Datum van publicatie

Op 28 juni 2018 is de brief ‘Versnellen woningbouwproductie, met behoud van kwaliteit’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer.

Informatie of reactie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Lianne van Duinen, projectleider, lianne.vanduinen@rli.nl, tel. 06 15369330.

sitecontent: 
Adviestype: 
Oorspronkelijke url: 
g

Brede blik op erfgoed

Subtitel: 
Over de wisselwerking tussen erfgoed en transities in de leefomgeving
18 december 2017
Brede blik op erfgoed
Teasertekst: 
Nederland gaat op de schop om allerlei transities en ontwikkelingen ruimtelijk te kunnen opvangen. De Raad voor Cultuur en de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur hebben gekeken wat deze ontwikkelingen voor het onroerend erfgoedbeleid betekenen.
Advies bestand: 
Omslagfoto: 
Voorkant briefadvies Brede blik op erfgoed
Adviesnummer: 
Rli 2017/03
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Nederland gaat op de schop om allerlei transities en ontwikkelingen ruimtelijk te kunnen opvangen. De gevolgen van onder meer de energietransitie, klimaatadaptatie, verstedelijking, schaalvergroting in de landbouw, technologische innovaties en veranderingen in de bevolkingssamenstelling zijn groot, maar gaan met onzekerheden gepaard en zijn voor elke regio anders. Op verzoek van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben de Raad voor Cultuur (RvC) en de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) gekeken wat deze ontwikkelingen voor het onroerend erfgoedbeleid betekenen. Dat beleid hoeft niet drastisch te worden gewijzigd, is de conclusie, er is vooral behoefte aan een cultuurverandering in de sector.

 

Een brede blik op erfgoed

Aanbevelingen

Zorg over kwaliteit gebieden

De transities zijn aanleiding meer aandacht te geven aan de kwaliteit van gebieden.

Omgevingsvisies als instrument

Verhalen over erfgoed kunnen hierbij een inspiratiebron zijn, draagvlak creeren voor verandering en een verbindende rol spelen bij een gedeelde visie op de toekomst..

Meer oog voor de gebruiker

De erfgoedsector moet zijn focus verleggen van ‘selecteren en aanwijzen’ naar ‘makelen en schakelen’. Stimuleer tijdelijk en nieuw gebruik door mee te denken met de wensen van de gebruiker. Richt ook het instrumentarium hierop in.

Aandacht voor doelgroepen

De raden constateren dat er actiever gezocht moet worden naar draagvlak en inbreng van jongeren en Nederlanders met een migratieachtergrond. Gebruik ook de verhalen over erfgoed die zij vertellen om een verbinding te leggen in de gesprekken over de toekomst van een gebied.

Datum van publicatie

Op 18 december 2017 hebben de RvC en de Rli hun advies ‘Brede blik op erfgoed; over de wisselwerking tussen erfgoed en transities in de leefomgeving' aangeboden aan minister Van Engelshoven van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies en kunt u contact opnemen met Tim Zwanikken, projectleider, telefoon: 06 52874404 e-mail: tim.zwanikken@rli.nl

Raad: 
sitecontent: 
Adviestype: 
vr, 2017-12-15 14:20

Briefadvies Waterkwaliteit

Extra adviesbestanden: 
Te bestellen: 
nee

De Adviescommissie Water heeft op 15 juni 2015 een advies uitgebracht aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over waterkwaliteit.

De waterkwaliteit is de afgelopen decennia flink verbeterd. Toch zijn er nog een aantal hardnekkige problemen. Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten uiterlijk in 2027 alle aangewezen oppervlaktewateren en grondwater een goede chemische en ecologische toestand hebben. Daarnaast moet drinkwaterbereiding mogelijk zijn met een eenvoudige zuivering. Onderzoek laat zien dat het onwaarschijnlijk is dat die doelen gehaald zullen worden. In veel oppervlakte- en grondwater vormt de belasting met nutriënten (stikstof en fosfaat) een knelpunt voor verdere kwaliteitsverbetering. Normen voor gewasbeschermingsmiddelen worden vooral in gebieden met glastuinbouw, bloemkwekerijen, bollenteelt en groenteteelt regelmatig overschreden.

Adviestype: 
sitecontent: 
Gerelateerde adviezen: 

Stelselherziening omgevingsrecht - briefadvies

Te bestellen: 
nee

Briefadvies aan minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu, 21 mei 2015, ten behoeve van het komende wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer op 1 juni 2015 en de voorbereiding van de omgevingsvisie van het Rijk. Het briefadvies loopt vooruit op het advies over omgevingsrecht dat de raad eind 2015 uitbrengt  Dit tussentijds briefadvies gaat beknopt en op hooflijnen in op de wijze waarop de uitgangspunten van de stelselherziening worden gehanteerd bij de uitwerking van de Omgevingswet in nadere regels en instrumenten.

Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Risico's gewaardeerd

Subtitel: 
Naar een transparant en adaptief risicobeleid
26 juni 2014
Risico's gewaardeerd
Teasertekst: 
In dit briefadvies adviseert de raad om rekennormen in het veiligheidsbeleid minder bepalend te maken, en meer recht te doen aan de afzonderlijke beschrijving van de kansen en de gevolgen die spelen bij risico’s.
Advies bestand: 
Extra adviesbestanden: 
Adviesnummer: 
Rli 2014/06
Te bestellen: 
nee

Inleiding

De discussie over een nieuw risicobeleid is niet nieuw. Dit briefadvies ligt in het verlengde van een reeks doorwrochte en vernieuwende adviezen over risicobeleid. Het sluit aan bij een veranderende praktijk. Nu is het moment om wat impliciet al gaande is, expliciet in beleid om te zetten.

De Rli denkt aan een afwegingskader waarin de numerieke risiconormen minder bepalend zijn voor de besluitvorming. En waarin morele vragen over rechtvaardige verdeling van lusten en lasten en zorgen van omwonenden over onzekerheden op een transparante wijze worden betrokken bij de besluitvorming. Risico’s zijn zelden zeker, en een wetenschappelijke benadering kan de onzekerheden tot op zekere hoogte kenbaar maken. Toch hebben mensen een verwachting of een geloof over wat die onzekerheid zal brengen. Hierin ligt de basis voor verschillende opvattingen over risico’s in het maatschappelijk debat. Om recht te doen aan verschillende verwachtingen en opvattingen moet het risicobeleid zowel adaptief als transparant zijn.

De Rli buigt zich in dit briefadvies ook over de vraag waarom voortschrijdend inzicht niet in beleid tot uitdrukking kwam. Het advies presenteert een aantal elementen voor een transitieprogramma. Deze elementen kunnen leidend zijn bij de eerste stappen tot een nieuw afwegingskader. Als eerste stap voor de implementatie van dit advies denkt de Rli aan beleidsdossiers zoals het Deltaprogramma en het Basisnet.

Risicobeleid
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Agendapunten voor nieuw risicobeleid

In dit briefadvies agendeert de Rli de volgende kerngedachten:

Zorg voor een meer consistent risicobeleid door te differentiëren naar soorten risico’s en door risico’s te beschouwen vanuit een brede karakterisering

Een karakterisering van risico’s op basis van kans maal effect is te beperkt, beschrijf de kansen en effecten afzonderlijk. Onderscheid de risico’s in de hoofdgroepen personen, het milieu en de economie en samenleving. Differentiëren van het beleid naar hoofdgroepen en verschillende risicokarakteristieken maakt het beleid consistenter. Volledige consistentie is onbereikbaar.

2. Betrek burgers op een andere manier en in alle fasen van de besluitvorming over de omgang met risico’s

Betrokken burgers zijn een bron van informatie over de waarden die bij risico’s in het geding zijn. Bovendien levert contact met burgers informatie op over hoe kansrijk de beleidsvoorstellen zijn.

Verken de mogelijkheden voor eerlijker verdeling van de lusten en lasten van risicovolle activiteiten en voor een meer expliciete afweging van de te verwachte baten en mogelijke risico’s

De verwachte baten en de verdeling van lusten en lasten zijn belangrijke factoren in de waardering en acceptatie van risico’s door betrokkenen. Deze factoren kunnen in voorkomende gevallen zwaarder wegen dan het strikt hanteren van een generieke risiconorm, zoals een maximaal risico van 10-6 per jaar.

Onderscheid ‘voorzorg’ en ‘al doende leert men’ door helder taalgebruik

De keuze tussen deze benaderingen is immers politiek. In het huidige beleid en debat wordt het begrip ‘voorzorg’ op verschillende manieren toegepast. Enerzijds als het afzien van activiteiten waarvan de risico’s (vooralsnog) onbekend of onzeker zijn: ’nog even wachten met introductie’. Anderzijds als het instemmen met bepaalde activiteiten onder specifieke voorwaarden die leiden tot vermindering van de onzekerheid over de risico’s: ‘al doende leert men’. Dit onderscheid moet expliciet gemaakt worden. Alleen dan kunnen de politieke beslissingen rondom onzekere risico’s naar waarde geschat worden.

Prikkel tot innovatie

Het risicobeleid moet prikkelen om ook in bestaande vergunde situaties de risico’s verder te reduceren. Bijvoorbeeld wanneer nieuwe technieken dit mogelijk maken of nieuwe inzichten of ruimtegebruik hiertoe aanleiding geven. Voorbeelden van prikkels zijn dynamische vergunningen, gefaseerde doelstellingen of financiële prikkels.

Overhandiging adviezen Rli en WRR over risicobeleid aan staatssecretaris Mansveld

Bekijk de foto's van de bijeenkomst op 26 juni 2014

Publicatiedatum

Het advies ‘Risico’s gewaardeerd’  is op 26 juni 2014 aangeboden aan de minister en staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mevrouw Schultz van Haegen en mevrouw Mansveld samen met het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): ‘Consistent maatwerk - handreikingen voor dossieroverstijgend risico- en veiligheidsbeleid’.

Lees de toespraak van staatssecretaris Mansveld bij ontvangst van beide adviezen

Meer nformatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Rli-secretariaat via info@rli.nl

vr, 2014-10-24 16:05

Milieuschade verhalen

Subtitel: 
Advies financiële zekerheidsstelling milieuschade Brzo- en IPPC4-bedrijven
4 juni 2014
Milieuschade verhalen
Teasertekst: 
Dit briefadvies verkent de mogelijkheid van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade die ontstaat of aan het licht komt bij de bedrijfsbeëindiging van risicobedrijven, die vallen onder het Brzo of in de IPPC categorie 4.
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli 2014/05
Te bestellen: 
nee

Inleiding

In Nederland is de kans op milieuschade klein, maar de milieueffecten van een calamiteit of een sanering kunnen groot zijn. Juist bij ongelukken met grote gevolgen is de schade lang niet altijd te verhalen op de veroorzaker. Regering en parlement overwegen de daarom de invoering van een wettelijke zekerheidsstelling voor milieuschade.

Op verzoek van staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu stelde de Rli een briefadvies op over de mogelijkheid van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade die ontstaat of aan het licht komt bij de bedrijfsbeëindiging van risicobedrijven (Brzo- en IPPC categorie 4-bedrijven). Daarbij heeft de raad ook gekeken naar de verzekerbaarheid van deze aansprakelijkheid. Bij het beoordelen van financiële zekerheidsstelling beschouwde de raad twee effecten:

  1. Verhaalbaarheid van kosten
  2. De mate waarin bedrijven worden geprikkeld om milieuschade te vermijden

Ook moet rekening gehouden worden met de concurrentiepositie van de bedrijven. Uiteindelijk gaat het om een rechtvaardigheidsvraag: is het aanvaardbaar dat de samenleving, regelmatig moet opdraaien voor de schade die door een risicovol bedrijf is veroorzaakt? De raad vindt het een politiek-maatschappelijke keuze om te bepalen of hier sprake is van een probleem dat om een wettelijke regeling vraagt.

Aansprakelijkheid milieuschade Brzo- en IPPC categorie 4-bedrijven
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Belangrijkste aanbevelingen

Randvoorwaarden van een financiële zekerheidsstelsel zijn belangrijk

Indien het politiek-maatschappelijk gevoelen is dat de schade niet of minder bij de overheid of bij de samenleving terecht mag komen, ligt het voor de hand om na te gaan of er een financieel zekerheidsstelsel in de milieuregelgeving moet worden opgenomen. Dit stelsel moet er (a) op gericht zijn het totaalbedrag aan onverhaalbare schade te beperken, (b) mag er in ieder geval niet toe leiden dat de bestaande prikkels tot preventie afnemen en zou bij voorkeur de preventie van incidenten en het beperken van de gevolgen van incidenten juist moeten stimuleren. Verder moet (c) het stelsel rekening houden met de (internationale) concurrentiepositie van bedrijven en slim aansluiten bij internationale ontwikkelingen op het gebied van (Europese) regelgeving en instrumenten. Ten slotte moeten (d) de administratieve kosten voor de totstandkoming en implementatie van het stelsel proportioneel zijn.

De eventuele zekerheidsstelling zelf is belangrijk, de invulling ervan moet vrij te kiezen zijn 

In de praktijk blijkt dat een verzekering, een van de vele vormen voor financiële zekerheidsstelling, niet in alle gevallen het juiste instrument is voor financiële zekerheid. Naast een verzekering zijn  er ook andere vormen van zekerheidsstelling mogelijk, zoals een concerngarantie, een bankgarantie, fondsvorming en een onderling waarborgfonds.

Uitsluitingsgronden kunnen de zekerheidsstelling ondermijnen

De raad merkt op dat uitsluitingsgronden kunnen worden opgenomen die de zekerheidstelling beperken. Polisvoorwaarden kunnen bijvoorbeeld clausules bevatten over nalatigheid en schuld en daarmee de zekerheid beperken. Dit moet bij het oordeel betrokken worden.

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt juridische mogelijkheden 

Als voor het invoeren van een financieel zekerheidsstelsel wordt gekozen, ligt het in de rede dit stelsel op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur op basis van artikel 4.1 van de Wabo. Uitgangspunt dient te zijn dat de financiële zekerheid een rol speelt bij de beslissing over de vergunning voor een risicovol bedrijf. Aan een te verlenen vergunning kunnen dan voorschriften worden verbonden over financiële zekerheid. Ontbreekt ieder zicht op financiële zekerheid, dan kan op die grond de vergunning worden geweigerd.

Er is een rol voor horizontaal toezicht

Er moet toezicht worden gehouden op het naleefgedrag van bedrijven, waaronder toezicht op de wijze waarop voldaan wordt aan de voorwaarden van de financiële zekerheid. De raad ziet hier niet alleen een taak weggelegd voor de toezichthoudende overheid, maar nadrukkelijk ook voor de markt.

Aanleiding en totstandkoming van het advies

De directe aanleiding voor de raad was het debat over externe veiligheid in de Tweede Kamer (december 2013) en de aangenomen motie-Van Tongeren. Het advies van de Rli over veiligheid bij Brzo-bedrijven (juni 2013) vormde mede aanleiding voor dit briefadvies. De raad adviseerde toen het toezicht op en de handhaving van de veiligheid bij deze categorie bedrijven te verbeteren. Aangezien veiligheid primair de verantwoordelijkheid is van de bedrijven zelf, gaf de raad tevens een aantal aanbevelingen om bedrijven te prikkelen tot een hoger veiligheidsniveau. Deze aanbevelingen betroffen ondermeer een onderzoek naar de invoering van een verplichte verzekering voor milieuaansprakelijkheid voor deze groep bedrijven en het verkennen van de mogelijkheden van premiedifferentiatie op basis van het risico.

Publicatiedatum

Het advies ‘Milieuschade verhalen’  is op 3 juni 2014 aangeboden aan staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu.

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Rli-secretariaat via info@rli.nl

vr, 2014-10-24 16:04

Langer zelfstandig, een gedeelde opgave van wonen, zorg en welzijn

23 januari 2014
Langer zelfstandig, een gedeelde opgave van wonen, zorg en welzijn
Teasertekst: 
Advies over de gevolgen van de hervormingen van de langdurige zorg voor de woningmarkt. Het advies geeft handelingsperspectieven aan het Rijk en gemeenten voor het verbinden van wonen, zorg en welzijn.
Adviesnummer: 
Rli 2014/01
Te bestellen: 
nee

Inleiding

Minister Blok voor Wonen en Rijksdienst heeft de Rli gevraagd om advies te geven over de gevolgen van de voorgenomen beleidsveranderingen in de langdurige zorg voor de woningmarkt, de verschillen tussen regio's en handelingsperspectieven voor sturing.

De raad constateert in zijn advies 'Langer zelfstandig, een gedeelde opgave van wonen, zorg en welzijn' dat de hervormingen van de langdurige zorg goed aansluiten op de autonome maatschappelijke ontwikkeling dat mensen zelfstandig willen wonen, met regie over hun eigen leven. In algemene zin bieden de hervormingen kansen om mensen met beperkingen in de eigen buurt te laten wonen, om mensen met een zorgbehoefte hun woonwensen te laten realiseren en om het marktaanbod van nieuwe woon- en dienstverleningsconcepten te vergroten. Op de korte termijn signaleert de raad ook een aantal knelpunten en doet daarover aanbevelingen.

foto zelfstandig wonen ouderen
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

De raad signaleert de volgende belangrijkste knelpunten:

  • Er is een toenemend verschil, zowel kwantitatief als kwalitatief, op de woningmarkt ontstaan tussen vraag en aanbod van 'wonen met zorg', 'wonen met diensten' en andere geschikte woningen voor mensen met beperkingen.
  • Er zijn grote verschillen in de ruimtelijke opgave voor wonen, zorg en welzijn tussen steden, randgemeenten en plattelandsgemeenten, als ook daarbinnen. Een lokale inventarisatie van de woning- en voorzieningenbehoefte in regionaal verband is nodig, waarna binnen de lokale context naar oplossingen moeten worden gezocht.
  • De korte termijn waarop de beperking van toegang tot intramurale verblijfsvormen wordt geregeld, past niet bij de omvang van de benodigde aanpassingen voor het zorgvastgoed. Herbestemming van vastgoed kost tijd. De raad heeft berekend dat het gaat om ruim 4 miljoen m2 zorgvastgoed dat gerenoveerd of herbestemd moet worden.
  • Coalities, van bijvoorbeeld woningcorporaties, zorginstellingen en welzijnaanbieders, die voor mensen met een zorgvraag de domeinen wonen, zorg en welzijn verbinden, moeten worden gekoesterd en gestimuleerd. In het licht van de genoemde autonome maatschappelijke ontwikkeling en de doelstelling van de hervormingen, brengen zij de gewenste toekomst van meer zelfregie immers dichterbij. De raad ziet echter dat de vorming van dergelijke coalities onder druk staat door een tekort aan beleidsruimte.

Er zijn dus diverse knelpunten te overwinnen en investeringen te doen. Door de economische crisis en verschillende beleidswijzigingen zijn veel partijen beducht voor het doen van investeringen. Bovendien toetsen toezichthouders strenger op de primaire taakstelling van partijen. Dit gaat ten koste van het verbindend vermogen tussen partijen, wat in het domein van wonen, zorg en welzijn juist hard nodig is. Bepaalde beleidswijzigingen leiden bij verschillende partijen bovendien tot focus op het eigen belangenkader. En de korte tijdspanne van de hervormingen drijft partijen tot kortetermijnbeslissingen, wat tot kapitaalvernietiging op de langere termijn kan leiden.

De raad vindt dit geen wenselijke situatie. Daarom adviseert de raad het kabinet een heldere visie over wonen, zorg en welzijn uit te werken voor de komende tien tot vijftien jaar. Deze visie bevat een duidelijk standpunt over de vraag voor welke chronische zorgindicaties de scheiding tussen woon- en zorgkosten gaat gelden en wat de route daar naartoe is. Dit biedt duidelijkheid aan partijen, zodat zij met elkaar een langetermijnstrategie voor het zorgvastgoed en voor huur- en koopwoningen kunnen ontwikkelen en hierin gaan investeren.

Om de knelpunten weg te nemen, beveelt de raad aan om:

  • partijen meer ruimte te bieden om verbindingen tussen de domeinen aan te gaan, onder andere door samenwerking tussen partijen in het woon-, zorg en welzijnsdomein als deel van ieders kerntaak te beschouwen, door een verdere financiële scheiding van woon- en zorgkosten te realiseren en voor een goede verbinding tussen het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) te zorgen
  • investeringsprikkels te creëren, onder andere door partijen te stimuleren te investeren in de gezamenlijke opgave, 'split incentives' op te lossen en mensen te prikkelen tijdig na te denken over hun wens zelfstandig te (blijven) wonen
  • meer tijd en flexibiliteit te creërenvoor de transformatie van het zorgvastgoed, onder andere door de mogelijkheid van een transitieplan van vastgoedeigenaren met oog voor de sociaal-ruimtelijke context en aandacht voor kwetsbare groepen

Het advies is in samenwerking met de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) tot stand gekomen.

Publicatiedatum

Het advies is op 23 januari 2014 aangeboden aan minister Blok voor Wonen en Rijksdienst en aan staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 Rli voorzitter Henry Meijdam overhandigt het advies aan Minister Blok en staatssecretaris van Rijn

vlnr Rli-voorzitter Meijdam overhandigt het advies 'Langer zelfstandig' aan minister Blok (Wonen) en staatssecretaris Van Rijn (VWS)

Bekijk de foto's van de presentatie in Societeit de Witte

di, 2014-01-21 16:09