Podcastserie: Lange lijnen in de leefomgeving
In deze podcastserie gaat de raad samen met spraakmakende gasten in discussie over zijn adviezen. Informerend en opiniërend bespreken zij hedendaagse ontwikkelingen in de leefomgeving. In elke aflevering staat één advies centraal.
Werk jij in het fysieke domein en ben je nieuwsgierig naar de adviezen van de Rli? Luister dan naar onze podcastserie Lange lijnen in de leefomgeving!
Uitgeschreven tekst van Woningbouw met duurzame materialen: begin er gewoon mee
In deze derde aflevering van de Rli-podcastserie ‘Lange lijnen in de leefomgeving’ gaat junior-raadslid Marnix Kluiters in gesprek met raadsvoorzitter Jan Jacob van Dijk en Job Dura, CEO van Dura Vermeer.
Aflevering 3
Voice-over: De leefomgeving in Nederland staat onder druk. Op een beperkt aantal vierkante meters willen we wonen, werken en recreëren. Hoe maken we daar de juiste keuzes in? De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur geeft advies aan de regering en het parlement over deze complexe vraagstukken. In deze podcastserie van De Rli gaat junior raadslid Marnix Kluiters op zoek naar context en antwoorden. Welkom bij 'Lange lijnen in de leefomgeving'.
Marnix Kluiters: Er spelen grote uitdagingen op de woningmarkt. Er zouden jaarlijks 100.000 woningen bijgebouwd moeten worden. Dat lukt al niet, maar die moeten ook nog eens duurzaam gebouwd worden. Het woningaanbod of wat er gebouwd wordt, zorgt voor een grote uitstoot in de aanbouwfase. Ik ga vandaag daarover in gesprek met Job Dura, nog even de CEO van Dura Vermeer. Jij wordt binnenkort voorzitter van de Raad van Commissarissen. Jan Jacob van Dijk is er ook, de voorzitter van onze raad. Job, ik begin bij jou. Wij zijn een adviesraad. Ik ben benieuwd wat jouw advies zou zijn, als jij een advies aan het kabinet zou mogen uitbrengen.
Job Dura: Goedemiddag en dank voor de uitnodiging. Het belangrijkste is keuzes maken. Als je het over woningbouw hebt en het invullen van dat programma moet je daar duidelijk prioriteit aan geven. Misschien moet je een minister van Wonen benoemen of een duidelijk ministerie van Wonen met prioriteit, geld en uitvoeringskracht. Je moet dat veel prioriteit geven. Daarnaast moet je goede keuzes maken, waar al een aanzet voor gemaakt is in de concept-Nota Ruimte. Wat, waar en hoe gaan we Nederland inrichten? Keuzes en een consistent overheidsbeleid zijn het belangrijkste.
Marnix Kluiters: Keuzes hebben consequenties. Als we die keuzes standvastig blijven maken, zijn de consequenties in zicht en kun je daar een beetje op handelen.
Job Dura: Precies. Dan kun je er bijvoorbeeld naar kijken in relatie tot stikstof, netcongestie of behoeftes. Waar geef je prioriteit aan? Waar kies je voor in Nederland? Waar kies je niet meer voor? Welke besluiten komen daaruit voort? Hoe organiseer je het als je grote woningbouwgebieden wil ontwikkelen? Hoe organiseer je dat bijvoorbeeld hoe Vinex het deed met de gemeenschappelijke grondexploitatiemodellen, de markt, de overheid en samenwerkingsverbanden om de doelen te realiseren. Er zijn veel voorbeelden te noemen.
Marnix Kluiters: Zouden we met een goed beleid deze uitdaging aankunnen?
Job Dura: Wij kunnen het zeker aan, als we willen. We moeten keuzes maken voor goed beleid. Er liggen veel suggesties vanuit de brancheverenigingen, zoals Bouwend Nederland, NEPROM, Aedes over wat en hoe die keuzes moeten zijn. Het belangrijkste is dat er keuzes gemaakt worden en daarin gekozen wordt. We moeten daarop inzetten en aan vast blijven houden. De markt moet een perspectief hebben en in bepaalde richtingen kunnen investeren, zoals duurzaamheid, goedkope woningen, standaardisatie of wat dan ook. Er is perspectief nodig. Het kan niet zo zijn dat het volgend jaar of over twee jaar weer anders is, want dan hebben we net een fabriek, een oplossing of iets anders ontworpen en veel geld geïnvesteerd. Als het opeens weer anders is, maken we een haakse hoek en gaan we de andere kant op.
Marnix Kluiters: Jij bent CEO van Dura Vermeer. Wat voor bedrijf is dat en wat drijft jou om je daarvoor in te zetten?
Job Dura: Ik kan daar lang over praten, maar ik zal het kort houden.
Marnix Kluiters: We moeten nog meer behandelen.
Job Dura: Dura Vermeer is 100% een familiebedrijf. Het is onafhankelijk en zelfstandig. Ik ben van de vijfde generatie. Ik hoop het nog een tijd door te zetten binnen de familie, voor zover dat kan. Wij doen kortweg drie dingen. We doen infrastructuur in allerlei vormen, waaronder spoorbouw, het aanleggen van elektriciteitsnetten en dergelijke, het onderhoud van infra Nederland, maar ook utiliteitsbouw, woningbouw en installatietechniek.
Marnix Kluiters: Jullie zijn een familiebedrijf. Is duurzaamheid iets wat makkelijker of misschien belangrijker is? Hoe zit dat?
Job Dura: Ik denk dat binnen een familiebedrijf innovatie en duurzaamheid een speciale agenda heeft en altijd iets meer bovenaan staat, omdat wij niet van kwartaal tot kwartaal of van jaar tot jaar leven. We leven van langere periodes en naar volgende generaties. Wij, als aandeelhouders van het bedrijf, hebben op dat vlak de situatie over 10 of 20 jaar in beeld. Dat betekent dat we CO2-armer en duurzamer moeten opereren. Dat betekent dat voor de langere termijn investeren en dat prioriteit geven. Soms gaat een investering vóór resultaat maken en is groei niet de eerste prioriteit, maar continuïteit en de lange termijn wel. Daar horen duurzame en lange termijn gedachtes bij. Dat sluit goed aan op allerlei vormen van duurzaamheid of op invullingen daarvan, om de continuïteit zeker te stellen. We hebben daar iets meer ruimte voor. Het is altijd leuk om daarmee om te gaan.
Marnix Kluiters: Zeker. Jan Jacob, jij bent voorzitter van de Rli. Hoe kijk je naar dit vraagstuk vanuit de woningbouw? We hebben net een advies daarover uitgebracht. Hoe kijk jij naar het langere perspectief. Als je het over de leefomgeving en de infrastructuur hebt, dan is woningbouw en op een fijne plek wonen cruciaal voor een samenleving.
Jan Jacob van Dijk: Het is een groot maatschappelijk vraagstuk als je kijkt naar hoeveel woningen er op dit moment nog tekort zijn en hoe de krapte op de woningmarkt is. Als een grote groep jongeren het ingewikkeld vindt om zelfstandig woonruimte te vinden, vanwege het feit dat één inkomen onvoldoende is om óf ergens iets te kunnen kopen dan wel in aanmerking te komen voor sociale huur óf een huurwoning te kunnen vinden, is dat een maatschappelijk vraagstuk waar we iets mee moeten. De opgave om te zorgen dat we die woningen gaan bouwen, is een zorg die de Rli ook heeft. Wij zeggen tegelijkertijd dat je ook voor moet zorgen dat de woningen die gebouwd worden op een duurzame wijze gebouwd worden.
Jan Jacob van Dijk: Niet omdat wij denken dat het er extra bij kan, maar omdat we die CO2 in zijn totaliteit moeten terugdringen. Als het over het gebruik van de woning gaat, dan hebben we dat aardig in beeld en zijn we daar hard mee aan het werk. Als het over het bouwproces gaat, dan zullen we nog het een en ander moeten doen. We zien dat er - daar hebben we het advies over geschreven - in de markt veel initiatieven zijn om dingen te doen. Men loopt wel eens met de kop tegen de muur aan, omdat men goede bedoelingen heeft, maar het uiteindelijk toch niet gebeurt.
Marnix Kluiters: Ik wil even onderbreken. Je hebt het over een cruciaal punt. We hebben de aanloopfase waarmee uitstoot gepaard gaat. Ik had het er in de intro al over. Tijdens het leven in zo een gebouw zelf heb je ook CO2-uitstoot. We bouwden vroeger huizen op gas. Die uitstoot is drastisch naar beneden aan het gaan. Daar zijn we voor aan het zorgen.
Jan Jacob van Dijk: De eis om bijna energieneutraal te bouwen en op sommige plekken energieneutraal of meer dan energieneutraal te bouwen voor de gebruiksfase, is op dit moment common sense. Dat wordt veel gedaan. Je hebt een gigantisch probleem ten aanzien van de bestaande woningbouw. We hebben daar een stevige opgave om de uitstoot als gevolg van energiegebruik omlaag brengen. Als het over nieuwbouwwoningen gaat, hoef je je daar niet al veel zorgen over te maken. Als het over het bouwproces zelf gaat, dus welke bouwmaterialen gebruik je en op welke manier bouw je het, maar ook welke eisen stellen we aan woningen, dan kun je nog het een en ander winnen. Je ziet dat we bijvoorbeeld in onze normering veel technische installaties in woningen vereisen, terwijl daarover nagedacht zou kunnen worden.
Jan Jacob van Dijk: Hebben we dat allemaal nodig? Zouden we daar niet het een en ander mee kunnen doen? Dat is één element. Het tweede element is dat je met andere bouwmaterialen het een en ander kunt doen. Op het terrein van hout wordt al veel gedaan. Je ziet dat daar stapjes vooruit worden gezet. Je zou daar meer mee kunnen doen. Je kunt ook nadenken over andere bouwmaterialen die op een groenere manier zijn geproduceerd om daar iets mee te doen. Waarom moeten we dit doen? Omdat de Europese Unie ons een verplichting heeft opgelegd. We moeten tijdens het bouwproces veel efficiënter een aantal dingen doen. Dat was een belangrijke reden voor ons om te zeggen: bouwsector, ga hier nu goed over nadenken, want in 2030 begint het. Zorg ervoor dat je klaar bent om dat op een goede wijze te kunnen aanpakken.
Marnix Kluiters: Die bouwsector hebben we hier aan tafel zitten. Dat is waarom we graag met jou in gesprek wilden gaan, Job. Hoe hebben jullie dat opgepakt? Hoe zien jullie die uitdaging voor je? Ik kan me voorstellen dat je op die wet- en regelgeving die vanuit de EU op gang komt moet vooruitzien. Er zijn genoeg casussen in de maatschappij beschikbaar waar het ineens als een mokerslag binnen lijkt te komen, terwijl het duidelijk was dat het eraan zat te komen.
Job Dura: Er zitten goede suggesties en adviezen in het rapport wat ik heb gelezen. De vooroplopende bouwbedrijven proberen daar een invulling aan te geven door ten eerste allerlei pilotprojecten te starten en zoveel mogelijk circulair en CO2-arm te bouwen op allerlei manieren. We hebben eigen producten en conceptwoningen van hout. We hebben CO2-arme woningen en dat soort zaken. In de praktijk is het altijd anders dan op papier. De bouwsector is een geheel aan schakels met lange ketens. Nog steeds is niet alles geïndustrialiseerd. Er vindt nog steeds veel plaats met vakmensen. Dat vergt veel oefenen, vallen en opstaan én een cultuurverandering van het ontwerp tot de uitvoering. Al deze nieuwe toepassingen, zoals hergebruik, circulair, CO2- arm beton, moeten daar ingevoerd worden.
Job Dura: De moeilijkheid is dat het bouwproces van het woningbouwgebied een efficiënt proces is. We hebben geleerd om in Nederland woningen efficiënt te bouwen en er is weinig ruimte voor foutmarges of veranderingen. Als je één van die schakels verandert, kan dat het hele proces op zijn kop zetten, vooral de marges, maar ook het proces, de doorlooptijd en dergelijke. De bouw is daar best conservatief in. Er is niet op korte termijn een grote verandering daarin te realiseren. Helemaal niet als we niet gedwongen worden door Europa of Nederlandse wet- en regelgeving of normeringen. Er is ook een derde aspect. We moeten met die verandering zorgen dat die woningen niet onnodig duurder worden. Door duurzame of andere wetgeving kunnen woningen in een keer € 20.000, € 30.000 of € 40.000 duurder worden.
Job Dura: Er is juist behoefte aan goedkope en sociale woningen. We moeten tweederde betaalbaar gaan bouwen, zoals sociaal, middeldure koop en huur. Dat is al lastig te ontwikkelen, gezien de grondprijzen en bouwprijzen op dit moment, maar het is te realiseren. Je hebt daarnaast investeerders nodig die de huurwoningen willen afnemen. Dit is een zijstapje. Het investeringsklimaat voor woningbeleggers moet ook aantrekkelijk gemaakt worden. Het is goed om daarop in te zetten. De grote opgave is nu hoe we die tweederde betaalbare woonwens krijgen, waar veel vraag naar is. Met name voor ouderen die van grote woningen naar kleinere woningen willen en starters die kleinere woningen nodig hebben. Hoe krijg je vraag en aanbod bij elkaar?
Job Dura: Hoe krijg je dat toekomstige programma voor 100.000 woningen per jaar of 1 miljoen woningen in totaal toegevoegd? Hoe krijg je dat gecombineerd met de duurzaamheidsambities van Europa en Nederland daarin?
Marnix Kluiters: Je hebt het over een keten. Ik kan me voorstellen dat jullie zelf welwillend zijn, maar het is niet zo dat je in die keten rond gaat bellen en vraagt: kunnen jullie met hout werken in plaats van beton? Je moet een andere keten optuigen, denk ik.
Job Dura: Wij zien het als hoofdontwikkelaar/aannemer al in ons eigen bedrijf, bij onze eigen uitvoerders, projectleiders en voorbereiders. Hoe krijg je hen een stap verder? We zien in de praktijk als we opeens hout toepassen en het hout ligt te lang op een bouwplaats buiten, dan is het vervormd of is er vocht is ingetreden. Later, als het hout in een woning zit, dan krijg je houtrot, als het niet goed ventileert. Onze eigen mensen, maar ook onze onderaannemers, toeleveranciers en leveranciers moeten ermee leren werken en leren er garantie over te geven. Producten moeten gecertificeerd en genormeerd worden en in bouwbesluiten en dat soort zaken passen. Het is zowel bij onszelf als bij onze ketenleveranciers, maar ook bij de overheid, de wet- en regelgeving, controleurs en inspecteurs van belang. Het is ook voor de brandweer en het bouwbesluit [het Besluit bouwwerken leefomgeving – het Bbl] en dat soort zaken belangrijk dat het stelselmatig en gelijkmatig die bedrijfstak ingaat.
Job Dura: In de bouw gaat 100 miljard om per jaar. Dat is het bouwvolume. Dat is 8% of 10% van het bruto binnenlands product. Het is een substantieel op elkaar afgestemd geheel. Dit zijn wezenlijke veranderingen.
Marnix Kluiters: Je kunt niet zomaar een stokje wegtrekken, dan stort de hele toren waarschijnlijk in.
Job Dura: Precies. Het is op elkaar afgestemd. Het is een efficiënt systeem, vooral de woningbouw. Bij de utiliteitsbouw en infrastructuur is het anders, maar de woningbouw is een efficiënt product, waardoor de prijs nu laag is. Dat staat ook goed in het advies. Laten we de Europese norm nemen en niet het een en ander gaan opstapelen. Dat maakt het duurder. Gemeenten hebben er een handje in om extra eisen te stellen. We moeten dat niet doen. Dat maakt het onnodig duur. Eerder minder dan meer wet- en regelgeving en normeringen. Dan kunnen we het betaalbaar houden.
Jan Jacob van Dijk: Je geeft in dat licht een belangrijk argument waarom wij zeggen: als je weet dat die Europese richtlijn ons verplicht om ambitieuze stappen te zetten, kom dan ook vanaf nu met ambitieuze plannen. Zet het helder in de markt wanneer daaraan voldaan moet worden, zodat de sector zich daar op een adequate manier op kan voorbereiden. En ga niet, zoals we op andere terreinen wel eens gezien, de Europese wet- en regelgeving nog een poosje voor ons uit schuiven. Denk aan stikstof of de Kaderrichtlijn Water. Dan worden we er in één keer mee geconfronteerd, met alle gevolgen van dien. Laten we dit op een constructieve, heldere, transparante wijze doen. Leg op nationaal niveau stevige ambities neer, zodat gemeenten zich niet meer genoodzaakt voelen om allerlei lokale elementen eraan toe te voegen.
Jan Jacob van Dijk: Dat doen gemeenten met goede bedoelingen, begrijp ons niet verkeerd. Maar ze moeten daar vanaf kunnen zien. Volgens ons help je daar de bouwsector het beste mee. Je helpt ons niet door het nu niet te doen. We gaan pas in 2035 daarover nadenken. Dat is in onze ogen veel te laat.
Job Dura: Mee eens. Zo een routekaart hebben we absoluut nodig. Over een periode van vijf tot tien jaar kunnen we veranderen, maar niet over een periode van één of twee jaar. We moeten ook zorgen dat de overheid, lokaal of centraal, zich vasthoudt aan die routekaart en dat niet een volgend kabinet het weer anders wil. Dan kunnen we niet investeren in die oplossingen. Het liefst willen we in de toekomst zoveel mogelijk industrieel bouwen door eigen fabrieken of fabrieken van onderaannemers en leveranciers te gebruiken, zodat je een soort assemblage krijgt. Je hoeft het niet allemaal zelf te doen. Je kan het ook aan leveranciers uitbesteden en op die manier fabrieksmatig bouwen. Dat vergt consistentie. Je kan niet een fabriek voor drie jaar bouwen en dan weer iets anders genereren. Je moet een lange-termijnperspectief hebben.
Job Dura: Dan wordt er geïnvesteerd. Dan is het in lijn van de Europese Unie. Laten we dat vooral aanhouden en er verder niets extra's aan koppelen, zoals we ooit met stikstof gedaan hebben. Van de stikstofrichtlijnen in Europa was de Vogel- en Habitatrichtlijn op zich goed, maar de invulling in Nederland was niet goed. Ik hoop dat we dat nog gaan aanpassen. Dat is een ander onderwerp. Consistentie voor de komende tien jaar. Dan kunnen we daar wat mee.
Marnix Kluiters: Jan Jacob, het gaat hier veel over de overheid. We zijn een adviesraad ingesteld door de overheid, maar we zijn onafhankelijk. Dat betekent dat wij dit advies opsturen naar het kabinet. Zij reageren hierop. Ze zijn het niet altijd met ons eens.
Jan Jacob van Dijk: Dat vind ik niet zo erg. Wij hebben dat advies uitgebracht. Dat was kort voor de zomer. We hebben afgelopen week, net na de kerstperiode, een kabinetsreactie ontvangen. Daarin zeggen ze dat ze de doelstellingen die wij schrijven snappen. Ze ondersteunen de doelstellingen die daarin opgeschreven zijn, maar ze kiezen er voorlopig voor om geen extra eisen op tafel te leggen. Dat zou die betaalbare woningen en de snelheid daarvan kunnen doorkruisen. Dat is een antwoord van hen. Ik ben het daar niet mee eens. De raad heeft nadrukkelijk een ander advies gegeven. Meedenkend met de sector heb je een aantal jaren nodig om te kunnen anticiperen op die nieuwe wet- en regelgeving. Leg een ambitie neer die je niet in 2027 wilt halen, maar in 2030 of in 2031. Dan weet de hele sector waar ze globaal rekening mee zouden moeten gaan houden. Ik denk dat dat een belangrijk verschil van mening is.
Marnix Kluiters: Dan zeg je dat goedkoop duurkoop is in dit geval?
Jan Jacob van Dijk: Uiteindelijk is goedkoop duurkoop. Het is een ingewikkeld proces om ervoor te zorgen dat die bouwsector kan anticiperen op die nieuwe eisen die er uiteindelijk zullen gaan komen. Je moet ze de tijd geven om die omslag te kunnen maken naar op een duurzame wijze bouwen. Dat hebben we ook gedaan met de introductie van de gloeilamp. Het uitfaseren van de gloeilamp hebben we niet van de ene op de andere dag gedaan. Kijk nu naar de discussie omtrent fossiele brandstofauto's. Ik denk dat het onverstandig is dat men dat nu een beetje gaat afzwakken. Dat is een andere discussie. Geef ook daar tijd. Wees helder op welk moment iets gedaan zou moeten zijn, zodat de sector zich op een goede manier kan voorbereiden.
Jan Jacob van Dijk: Het kabinet Schoof heeft daar een iets andere visie op. Wie weet dat straks het kabinet Jetten daar weer een andere visie op heeft. Dat ze het niet met ons eens zijn, vind ik niet zo erg. Alleen, laten we nu met elkaar het gesprek aangaan over de mening die het kabinet heeft en de mening die wij hebben, zodat we daarmee een stapje verder in de discussie kunnen komen.
Marnix Kluiters: Eén van de dingen die wij ontdekten was dat veel duurzame materialen niet duurder hoeven te zijn dan conventionele materialen, zoals beton et cetera.
Jan Jacob van Dijk: Als je kijkt naar het totale proces zal het in het begin misschien nog wat duurder zijn. Je moet experimenteren. Je zult foutjes maken. Je zult zien dat sommige dingen net iets anders zullen moeten dan je aan de voorkant bedacht hebt. Als je daarmee gaat beginnen, zul je na verloop van tijd met de schaalvoordelen zien dat het goedkoper kan zijn dan de manier waarop je het met conventionele materialen blijft doen. Zeker wanneer je weet dat bijvoorbeeld op beton straks ETS gaat komen met alle gevolgen van dien. Dat gaat in prijs omhoog. Hetzelfde geldt voor staal, wat ook veel gebruikt wordt. Dat zijn ook materialen die duurder worden. Als je op een andere manier materialen weet te gebruiken die minder CO2 uitstoten, dan weet je dat je goedkoper zal kunnen gaan bouwen dan nu.
Jan Jacob van Dijk: De mythe die er op sommige plekken nog wel bestaat is dat wanneer je duurzaam wilt gaan bouwen, het veel langer zal duren. Als je fabrieksmatig gaat bouwen, dan kun je het sowieso veel sneller doen. Wanneer je met houtbouw het één en ander gaat doen, kan het over het algemeen ook sneller gaan dan de traditionele bouw.
Marnix Kluiters: Daar wil ik graag wat weten zometeen, Job. Maar ik ben benieuwd, deel jij de uitkomst dat duurzame materialen betaalbaar zouden kunnen zijn?
Job Dura: Ik zal daarop reageren, maar eerst één stap terug. We hadden het er net over. Dat bouwbesluit moet meebewegen met wat er in Europa gebeurt en met wat de bouwpraktijk is. Er moet een zekere mate van flexibiliteit in blijven. Misschien is het wel zo dat we over tien jaar voldoende CO2-arm beton hebben. Cement is met name de component. Kan die staalfabriek die, geloof ik, in Finland wordt gebouwd al CO2-arm staal leveren dan? Dat weten we natuurlijk niet. Aan de andere kant moeten we deze duurzame materialen verder ontwikkelen naar die flexibiliteit. Nu is het zo dat de beschikbaarheid van circulaire materialen, van hergebruikte materialen of de beschikbaarheid van een component, bijvoorbeeld hout voor de woningbouw, nog maar beperkt is. Er moet opgeschaald worden.
Job Dura: Als dat te hard gaat of als er tekort van is, wordt het duurder. Je kan de woningen goedkoper bouwen als je het minder duurzaam maakt, maar dat faseert zich vanzelf uit op het moment dat het volume groter wordt en je weet hoe je het efficiënt moet aanbrengen, fabriceren en dergelijke. Ook die toelevering en beschikbaarheidsketen moet groeien daarin. Als je daar tien jaar voor neemt, kan dat opgeschaald worden. Dan kan je die kosten tegelijkertijd in controle houden. Wat steeds druk geeft op dit moment is die betaalbaarheidseis die nu al geldt. Dat kan conflicteren op een aantal vlakken met die duurzaamheidseis. Als we daar nooit aan beginnen, dan komen we nooit verder. Het mag nu niet zo zijn dat die duurzaamheidseisen zo hoog zijn, dat bepaalde plannen die hard nodig zijn en waar behoefte aan is, met name die betaalbare woningen, klem komen te zitten of dat die plannen niet haalbaar zijn.
Job Dura: Dan stoppen projectontwikkelaars die plannen in een koffer. Dan beginnen we niet en hebben we niets. We moeten wel zorgen dat dit proces in evenwicht blijft. We moeten niet de bouwproductie vanuit het kostenoogpunt stil gaan leggen. Daar moeten we voor waken.
Marnix Kluiters: Ik proef wel dat er meer zou kunnen dan we op dit moment doen. Of is dat een te lichte observatie?
Job Dura: We hebben inmiddels al veel kennis. We bouwen nu in Nederland 3% of 4% van de woningen met hout. Het is niet zo dat we nu opeens 25% kunnen bouwen morgen. We hebben kennis. We hebben veel goede toepassingen van biobased en circulaire materialen, zowel in de infrastructuur, utiliteitsbouw als de woningbouw. We weten inmiddels al veel. De beschikbaarheid van hergebruikte materialen is nog niet voldoende om die toe te passen. Die markt moet ontwikkelen en groeien. Dat moet in evenwicht gebeuren met de kostprijsontwikkeling.
Jan Jacob van Dijk: Wij hebben begrepen dat de capaciteit op dit moment bij het fabrieksmatig bouwen nog niet optimaal benut wordt.
Job Dura: Nee, dat klopt. De fabrieksbezetting is nog onder de maat. Dat is een belemmering voor andere bedrijven om een fabriek te starten. Die fabriek heb je op zich niet nodig. Je kan ook onderaannemers of leveranciers hebben die een fabriek hebben. Je hoeft niet als bouwbedrijf een fabriek te hebben, als je slimme assembleert met prefab. Door leveranciers en onderaannemers heb je ook een fabrieksmatige woning. Zo blijven wij flexibel. Zo kan je makkelijker een nieuw bouwbesluit op een andere eis aanpassen. Dat betekent wel dat je soms van leverancier moet switchen, die op houtbouw of circulaire materialen verder is.
Marnix Kluiters: We hebben het nu veel over hout. Waar ik aan moet denken zijn de conventionele materialen. Beton en staal. Er zijn nog meer materialen?
Job Dura: Voor woningen, met name beton. Staal zit meer in de infrastructuur. Daar wordt zeker naar gekeken. Wij sluiten met onze duurzaamheidsstromen aan op wat de woningbouw, Rijksvastgoedbedrijven en bij infra Rijkswaterstaat hanteert. We hanteren diezelfde ontwikkelpaden. Daar komen we steeds steeds verder in. Woningbouw is met name beton en betonarm. We gebruiken nu al 30% CO2-armer beton dan vijf jaar geleden door andere cementtoepassingen en dergelijke.
Marnix Kluiters: Dan is het nog beter om naar biobased materialen te gaan. Dan valt het woord hout veel. Is hout de belangrijkste oplossing? Wat voor oplossingen zijn er nog meer waar we aan moeten denken?
Job Dura: Wij zien nu houttoepassingen, CLT en allerlei andere vormen als de belangrijkste. Waar we eerst grondgebonden woningen in hout bouwden, bouwen we nu appartementen van hout en CLT-toepassing en dergelijke. Hout is de belangrijkste en daaromheen isolatiemateriaal en dergelijke. Je hebt andere materialen. We hebben een eigen standaard woningconcept. Dat zijn standaard woningen die je goedkoop kan bouwen. Die hebben we in beton, maar we hebben ook een houtvariant.
Marnix Kluiters: Dan gaan we naar het fabrieksmatig bouwen.
Job Dura: Dat is hout fabrieksmatig bouwen.
Marnix Kluiters: Zou je daar wat meer over kunnen vertellen? Dat zou een oplossing kunnen zijn om meer vaart in de transitie naar die 1 miljoen woningen te kunnen krijgen.
Job Dura: De aantallen opschalen kan nu al. Wij kunnen nu 20.000 woningen meer bouwen met onze industrie. Daar zit die capaciteitsissue. Vooral diegenen die een fabriek hebben, hebben juist productie nodig om die fabrieken rendabel te maken. Wij worden daarin belemmerd door allerlei andere bekende factoren. Teveel regelgeving, teveel inspraak en bezwaarschriften, te weinig locaties. Alle belemmeringen op de woningmarkt. Zo kan ik even doorgaan. Netcongestie, stikstof, milieu, het gebrek aan locaties, noem maar op. Wat remt het verhogen van de productie van 65.000/70.000 of 75.000 naar 100.000? Wij willen en kunnen dat. We kunnen dat ook opschalen met onze normale traditionele producten. Vooraanstaande bouwbedrijven, waaronder wij, willen dat ook. We zijn bezig om nieuwe producten te ontwikkelen. Veel duurzamere en circulaire producten. Daar speelt hout een belangrijke rol in.
Jan Jacob van Dijk: Als ik het goed beluister, is er geen specifieke belemmering om houtbouw of duurzame bouw op dit moment toe te passen. Het is meer in zijn algemeenheid dat er onvoldoende ruimte is voor woningbouw.
Job Dura: Alle belemmeringen die we nu hebben om die aantallen te halen, gebrek aan locaties, gebrek aan capaciteit bij gemeente, al die wet- en regelgeving, netcongestie, heb je altijd, ook al wil je duurzamer bouwen. Die moeten we zien te overwinnen. Waar de basisproblemen in de woningbouw mee beginnen is dat vraag en aanbod niet goed op elkaar afgestemd zijn. We hebben veel grotere koopwoningen en eengezinswoningen grondgebonden in Nederland staan, terwijl er meer vraag is naar kleinere woningen voor ouderen die van de grotere woningen naar een kleinere woning willen. Daardoor komt de doorstroming op gang. Starters hebben ook een kleine woning nodig. Daar hebben we tekort aan. Vraag en aanbod moeten op peil gebracht worden. Vervolgens moeten we, waar we het net over hadden, die remmende factoren oplossen.
Job Dura: Als derde is het mooi om te kijken hoe we bij die Europese CO2-normen en doelen komen. Met welke vormen van circulair bouwen is dat? Welke materialen horen daarbij? Hoe sluit het bouwbesluit daarop aan? Hoe beweegt dat mee? Als we op een gegeven moment wel in staat zijn om over tien jaar CO2-arm beton te maken, dan is dat ook goed in plaats van hout. Het moet per vierkante meter, per CO2-uitstoot of per materiaalgebruik voldoet aan die normen. Je moet die woningen ook certificeren. Dat moet ook plaatsvinden. De materialen moeten gecertificeerd worden om toegepast te worden. Constructief moet het voldoen. We zullen steeds moeten kijken hoe onze normering daarop aan kan sluiten, maar het bouwbesluit zal flexibel moeten worden en moet meebewegen in deze richting.
Marnix Kluiters: Jan Jacob, dat klinkt als een vrij helder verhaal. Ik proef veel frustratie dat het al zo lang niet lukt om dit soort problemen op te lossen. Dat herken jij als voorzitter, denk ik. Dit raakt aan veel andere adviezen die wij uitgebracht hebben.
Jan Jacob van Dijk: De schaarste in Nederland is groot als het gaat over de ruimte. We weten dat ongelooflijk veel vraagstukken, waar we op dit moment tegenaan lopen, ruimte vragen. Als je kijkt naar extensivering van de landbouw, dan betekent het dat je meer ruimte nodig hebt voor de landbouw. We hebben meer ruimte nodig voor de natuur. Defensie heeft ook een vrij grote claim als het gaat om ruimte. Energietransitie vraagt ook wat aan ruimte, om het een en ander te gaan doen. Woningbouw is er ook en we willen nog iets met bedrijvigheid. We zullen met elkaar keuzes moeten maken. Dat is in feite hetgeen wat Job net op tafel legt. We zullen helder moeten weten waar wij woningen kunnen bouwen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het op een redelijk snelle manier aangepakt zou kunnen worden?
Jan Jacob van Dijk: Ik denk dat dat één van de vraagstukken is waar het kabinet en de komende kabinetten keuzes zullen moeten gaan maken. Nu ligt er een concept-Nota Ruimte op tafel. Er zijn een aantal interessante opties op tafel gelegd, namelijk dat dat je sommige regio's aanwijst. Daar wil ik meer groei toestaan. Op andere terreinen zou je dat op een andere manier kunnen doen. Ik denk dat dat een interessant element is. Je zult ergens een keer heldere keuzes moeten maken. Waar gaan we wel bouwen en waar niet? Ten koste van wat gaat dat? Er ligt nu een concept-Nota op tafel. Als je dat vergelijkt met datgene wat er eerder lag, dan is het meest opvallende dat het hoofdstuk over landbouw anders is dan het vorige stuk.
Jan Jacob van Dijk: Als 1% van de huidige ruimte van landbouw ingewisseld gaat worden voor andere activiteiten en we helder weten aan te wijzen waar dat globaal zou kunnen zijn, kunnen we alle woningen bouwen die er op dit moment zijn. Het is goed om die getallen in je hoofd te hebben. Tweederde van het Nederlandse grondgebruik wordt op dit moment gebruikt door de agrarische sector. Dan is er nog een stukje voor natuur is. Dan is er nog een stukje voor woningbouw en een stukje voor bedrijvigheid en infrastructuur. Tweederde wordt op dit moment gebruikt door de agrarische sector. Als je daar 1% van afhaalt, dus dat niet 66%, maar 65% van het Nederlandse grondgebruik voor de agrarische sector is, en die ene procent toevoegt aan de andere functies die we nodig hebben, dan kun je die problemen voor een groot gedeelte oplossen. We zullen keuzes moeten maken.
Marnix Kluiters: Dat is interessant. Wat vaak de gedachte is in transities is het aanbod vergroten. Dat hebben we in Nederland in het verleden een keer gedaan door een provincie erbij te bouwen. Dat gaat niet zomaar op korte termijn nog een keer lukken. Als je snelheid wil, dan zul je die vierkante meters op de juiste manier moeten verdelen. Keuzes maken. Dat is waar wij mee bezig zijn met de raad, denk ik. Dat moeten scherpe keuzes zijn. Die keuzes kunnen af en toe pijn doen.
Jan Jacob van Dijk: De reden dat die keuzes op dit moment niet gemaakt worden, is omdat we doodsbenauwd zijn om iemand ergens pijn te doen. Elke keuze die je maakt doet iemand pijn. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat niet kiezen ook iemand pijn doet.
Marnix Kluiters: Die hebben we nu aan tafel zitten, volgens mij. Wat merk jij daarvan in de praktijk, Job?
Job Dura: Ik herken die percentages. Als je 1% van het landbouw en veeteelt areaal zou omwisselen voor woningen, heb je er een miljoen woningen bij. Woningen zijn maar 6% of 7% van de oppervlakte van Nederland. Als je 2% van landbouw afhaalt, dan kan je een procent naar de natuur terugbrengen. Dan kan je daarmee in één keer een andere klap slaan. Dan heb je nog niet over industrie terugbrengen en dat soort zaken. Het tweede punt wat je noemde was een vraag.
Marnix Kluiters: Ik had het over de pijn die sommige partijen voelen.
Jan Jacob van Dijk: het feit dat we niet kiezen, levert ook pijn op.
Job Dura: Ja, uitstel leidt tot onduidelijkheid en een tekort aan locaties. Dat merken we duidelijk, niet alleen bij ons in de bouwbranche, maar ook in de industrie. De industrie heeft ook duidelijkheid nodig. Doordat er geen keuzes gemaakt worden, zien we dat de industrie in Nederland zich terugtrekt. Dat zijn voor ons ook opdrachtgevers, dus daar hebben wij last van. Die pijn hebben wij ook, dat we vanuit die industriesector minder opdrachten en werk hebben. Los daarvan is het voor de economie van Nederland niet goed als bedrijven verdwijnen. Minder werkgelegenheid, minder belastinginkomsten en minder economische activiteit. Ik zie wel pijn in het bedrijfsleven vanwege het feit dat er geen keuzes gemaakt worden.
Job Dura: Oog voor het bedrijfsleven, werkgelegenheid, belastinginkomsten, economie en btw, dus alles wat erachteraan komt, is voor de inkomsten van ons land erg van belang. Dat zie ik naar de tweede plaats schuiven. Zet het bedrijfsleven weer in de spotlight, zeg ik altijd. Dan heb ik het nog niet over de bouwbranche, maar in het zijn algemeenheid om die economie begroot te krijgen. Dan krijgen we inkomsten en kunnen we weer investeren. Dan kunnen we investeren in de veranderingen in die ruimtelijke opgaven.
Marnix Kluiters: Hoe kijk jij ernaar, Jan Jacob?
Jan Jacob van Dijk: Wij hebben inkomsten nodig om ervoor te zorgen dat we een welvarend land blijven. We hebben inkomsten nodig om uiteindelijk gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid voor een groot gedeelte overeind te houden. Daar ben ik het volledig mee eens. Ik denk dat wij ook na moeten denken over de vraag: wat voor soort bedrijvigheid kunnen wij hier in zijn totaliteit hebben? Daarin zul je verschillende afwegingen moeten maken. Sommige mensen zeggen dat we een fabriek hebben die kunstmest produceert ergens in het zuiden van het land. Dat is de enige in Europa, buiten Rusland, die dat op dit moment doet. We hebben weinig kunstmest nodig in de toekomst. Sommige mensen vragen zich ernstig af of we dat hier zouden moeten doen. 10% van onze energieproductie gaat daar voor een belangrijk deel naartoe.
Jan Jacob van Dijk: Als naast het Nederlandse bedrijf alleen in Rusland kunstmest geproduceerd gaat worden, wil je dan afhankelijk zijn van Rusland op dit terrein? Dat zijn vraagstukken waar je met elkaar een keer de discussie over moet voeren. Als je het gaat hebben over energievretende industrie of bedrijvigheid, kijk dan naar de datacenters die veel ruimte, energie en koelwater nodig hebben. Dan kunnen we met elkaar zeggen dat we dat hier niet willen hebben. Aan de andere kant weten we ook dat iedereen ongelofelijk veel capaciteit bij die datacenters gebruikt nu. Bedrijven doen dat ook. Vroeger hadden ze zelf de servers op hun bedrijf staan. Tegenwoordig is dat in de cloud en is het op die plekken ondergebracht. Dat betekent dat we met elkaar die discussies moeten gaan voeren. Wat voor economische activiteiten zouden wij hier in Nederland willen hebben? Misschien dat we dat breder moeten trekken.
Jan Jacob van Dijk: We moeten dat misschien op Europees niveau met elkaar voeren. Waar vinden we dat het één en ander thuis moet horen? De chemische industrie is hier in de jaren 60 gekomen, omdat we toen veel goedkoop gas hadden en zij veel energie nodig hebben. Wij weten dat we niet het goedkoopste eiland meer zijn op het terrein van energie. Is het verstandig om die coûte que coûte hier te houden? Dat zijn vraagstukken waar je in de meest brede zin een keer het gesprek over zou moeten voeren. Daar zullen we keuzes in moeten maken. Dat zullen buitengewoon vervelende keuzes zijn voor sommigen, terwijl ze ruimte bieden voor anderen.
Marnix Kluiters: Dat ruimte bieden is onder andere voor die woningbouw. Als we die 100.000 woningen per jaar willen realiseren, dan zullen we daar goed over na moeten denken. Dat begrijp ik goed, volgens mij.
Job Dura: Ja, mee eens. Die keuzes moet je maken met de wijze instanties die we in Nederland hebben. Dat is inclusief de Raad van State om daar de grenzen voor aan te geven. Zoals wij nu qua bevolkings- en huishoudensgroei deze ontwikkeling doormaken, zullen we die toevoeging van die huizen moeten doen. Die vraag is er de komende jaren. We groeien qua aantal mensen in Nederland. We groeien ook qua huishoudens. Daar hoort een migratievraagstuk bij. Hoe groot en uitgebreid wil je dat doen? Dat leidt ook tot een permanente vraag. Die keuzes moeten gemaakt worden. Als die keuze gemaakt is, weet de bouwbranche waar ze op in kunnen zetten, qua aantallen en soort producten.
Marnix Kluiters: Eén van die oplossingen is het fabrieksmatig bouwen. Zou je iets meer kunnen vertellen over wat voor type bouwen dat is en wat voor oplossing dat is. Daarmee kun je de snelheid van het woningaanbod vergroten, toch?
Job Dura: Fabrieksmatig bouwen kan je op twee manieren zien. Dat kun je zien als een fabriek die een integrale complete woning maakt. Er is nu maar één goed voorbeeld in Nederland. Je kan het ook zien als dat er fabrieksmatig onderdelen op verschillende plekken gemaakt worden. Die assembleer je. Dat zijn twee vormen van. Die eerste heeft duidelijk volume nodig om het rendabel en break even te maken.
Marnix Kluiters: Dan kom je weer op het andere vraagstuk, waarbij dat volume alleen gegenereerd kan worden als we die scherpe keuzes gaan maken.
Job Dura: Ja. Je moet perspectief bieden dat die grotere aantallen eraan komen en haalbaar zijn. Als we straks terugzakken naar 50.000 woningen per jaar in Nederland, omdat we te veel belemmeringen hebben, dan zijn die fabrieken niet meer rendabel en dan zullen ze daarmee moeten stoppen.
Marnix Kluiters: Wat moet ik me daarbij voorstellen? Je kunt niet zomaar een huis printen of iets dergelijks. Hoe werkt dat? Ik heb een achtergrond als fiscaal jurist.
Job Dura: Als je het in beton doet, dan stort je de speciaal gemaakte mallen vol met beton. Dat bestaat uit wanden en vloeren. Dat gaat op een fabrieksmatige trein. Het wordt door robots gedaan. Daar gaan weinig mensen aan de slag. Dan heb je een casco woning die gerealiseerd is. Daaromheen worden de dakkapel en dakpannen toegevoegd. Dat zijn allemaal prefab onderdelen. Hoe verder je dat ontwikkelt, hoe minder mensen daarmee te maken hebben. Je kan daarmee snelheid halen, maar die snelheid is niet het belangrijkste punt. We kunnen ook normaal snelle woningen bouwen. In het proces van ruimtelijke ordening en bouwen is die bouwsnelheid niet zo relevant. Het is wel veel duurzamer. Je hebt weinig wind- en weersinvloeden. Je hebt minder transporten naar de bouwplaats.
Job Dura: Het heeft zeker voordelen, helemaal nu we veel minder vakmensen hebben. We hebben steeds minder mensen. We hebben veel mensen die met pensioen gaan. Dat zijn vakmensen die na de oorlog het vak in zijn gegaan en nu met pensioen gaan. We hebben veel minder instroom van technische vakmensen. Dat los je er ook mee op. Het heeft minder faalkosten. Je kunt minder fouten maken. Het heeft veel voordelen, maar je moet wel rendabel zien te maken als je een integrale fabriek hebt. Daar zit de moeilijkheid. Daarvoor heb je perspectief en volumes nodig.
Marnix Kluiters: Dat is net als een bakker. Hij kan rendabel zijn als hij veel klanten heeft.
Job Dura: Ja. Je moet een minimaal aantal woningen per jaar produceren. Dan moet je niet te veel tussentijdse projecten hebben met bezwaarschriften waardoor producten doorschuiven. Daar hebben ze ook mee te maken. Er moet perspectief in zitten. De fabriekszaken kunnen ook in de loop der tijd veranderen. Je kan naar veel meer duurzame of circulaire producten gaan, maar dat heeft tijd nodig. Dat kan je niet vandaag of morgen doen. Dat moet blijven voldoen aan de bouwbesluiten, certificeringen en normen. Die veranderingen kunnen niet te snel gaan, maar zijn wel degelijk mogelijk. Nu zijn het woningen in beton. Zo kan je dat ook in hout doen.
Jan Jacob van Dijk: Wat wij begrepen hebben, is dat je de capaciteit die je hebt volledig moet kunnen benutten. De investeringen die je gedaan hebt zijn krap. Als je het niet gebruikt, dan weet je zeker dat elke dag geld wegloopt. Een deel van de bedrijven zeggen dat het grote probleem om het fabrieksmatig bouwen goed tot ontwikkeling te laten komen, is dat iedere gemeente net andere normen heeft over hoe het eruit zou moeten zien. Laten we daarmee stoppen. Dat is één van de redenen waarom wij in het advies hebben aangegeven dat ze er op nationaal niveau voor moeten zorgen dat er een ambitie wordt neergelegd die gemeenten niet meer de noodzaak biedt om allerlei additionele aspecten eraan toe te voegen. Dat hebben wij gezien als een belangrijk argument om te zeggen: stop met die gemeentelijke koppen. Laten we dat nationaal bekijken.
Jan Jacob van Dijk: Dan moet je op nationaal niveau ambitieus zijn. Je moet aansluiten bij datgene wat Europa wil. Eerlijk gezegd was ik er een beetje teleurgesteld over dat het kabinet dat voorlopig vooruit heeft geschoven. Ze hebben gezegd dat ze dat voorlopig nog niet gaan doen. Misschien dat het nieuwe kabinet dat wel wil. Dat is een aspect waarvan wij denken dat je daarmee stappen vooruit zou kunnen zetten. Je noemde ook een ander element. Zorg ervoor dat er helderheid gaat komen, zodat je een treintje op gang weet te brengen om ervoor te zorgen dat permanent productie van woningen zou kunnen plaatsvinden. Dat betekent dat er heldere keuzes gemaakt moeten worden van waar je woningbouw gaat toevoegen. Bij welke gemeenten ga je dat wel doen? Op welke plekken doe je dat wel en waar niet? Ik woon in Culemborg. In zit op dit moment een deel van een bedrijventerrein wat in de jaren '50-'60 is ontwikkeld.
Jan Jacob van Dijk: Daar zitten bedrijven met productiehallen en productieprocessen waarvan je je moet afvragen of dat nog voldoet aan de huidige eisen van de tijd. Dat zit dichtbij het station. Dat gedeelte wordt nu voor een groot gedeelte opgekocht. Daar wordt woningbouw neergezet. Op een andere plek wordt een nieuw bedrijventerrein, wat voldoet aan de eisen van deze tijd, verder ontwikkeld. Dat vind ik een interessante ontwikkeling om het één ander mee te gaan doen. Daar kun je betaalbare woningen gaan maken. Het is duur, maar tegelijkertijd levert het veel op om stapjes te zetten. Qua ruimte zou je dit vrij snel moeten kunnen ontwikkelen. Dat vind ik interessante ontwikkelingen. Volgens mij is datgene wat ik nu toevallig in Culemborg zie iets wat op meer plekken in Nederland zou kunnen gebeuren.
Job Dura: Er zijn veel goede voorbeelden van. Het is ook een goed voorbeeld. Het zou mooi zijn als dit soort ontwikkelingen plaatsvinden. De ervaring leert dat tijd een probleem is met eigendom, onteigening en financiële aspecten die er spelen. Dit soort projecten duren vaak 10-15 jaar, voordat je daadwerkelijk kan beginnen met je woningproductie.
Marnix Kluiters: Ik ben benieuwd. Je zei vooraf dat jullie een beetje een koploper zijn op bepaalde gebieden. Bij sommige dingen zijn jullie dat ook minder. Daar kiezen jullie strategisch voor. Als de overheid de prijszetting en de normering in de markt goed regelt, hebben de koplopers daar baat bij. Doen ze dat niet, dan hebben de achterblijvers er baat bij. Hoe speel je in op die dynamiek? Het lijkt me best lastig als je koploper bent om daar op een goede manier mee om te gaan.
Job Dura: We willen in de kopgroep zitten, maar we willen daar niet uit demarreren. We willen niet in ons eentje vooruitlopen, want dan ben je voor de rest van de bedrijfstak de ontwikkelkosten gaan betalen en faalkosten mee aan het maken. We hebben dat gezien bij de elektrificatie van vrachtwagens en materieel in de infrastructuur. Als je dat zelf eerst had gedaan, dan had je al die kinderziektes en ontwikkelkosten voor de branche betaald. Dat is bedrijfseconomisch niet handig. Je wil die trend inzetten en vormgeven. Je wil een maatschappelijke verplichting tot verduurzaming. Je wil vooroplopen en niet achterop of remmen of dat soort zaken. Dat is een aspect wat meespeelt. Als we allemaal grote en hoge marges hadden gehad in de bouw, dan kan je daar meer in investeren. De marges in de bouw zijn relatief.
Job Dura: We zijn niet gewend om grote R&D's of innovatiebudgetten in te calculeren. Als de bouw 1% haalt, dan is dat al veel. Dat is relatief, ten opzichte van andere bedrijfstakken, erg laag. We blinken niet uit om de arbeidsproductiviteit hard te verhogen. Misschien door die fabrieken uiteindelijk. Die lopen altijd fors achter. We hebben weinig marge om te innoveren. Je moet daar behendig mee omgaan. We willen als kopgroepbedrijven die transitie vormgeven, die kennis opbouwen, die materialen gaan toepassen en andersoortige denkpatronen inzetten. We willen de cultuur in ons eigen bedrijf en in die keten veranderen. Daar zetten we zeker op in.
Marnix Kluiters: Word je daar genoeg voor beloond?
Job Dura: Daar worden wij door sommige opdrachtgevers wel, maar ook vaak niet voor beloond. We zien nu in de infrastructuur dat Rijkswaterstaat te weinig doet. Daar worden we niet beloond of uitgedaagd om duurzame oplossingen aan te dragen. Vaak is het nog op de laagste kosten. Ik hoop dat Defensie met zijn opgaven niet alleen naar lage kosten, snelheid en efficiëntie gaat kijken, maar ook naar duurzame oplossingen. Wij vinden dat dat nog veel beter kan.
Marnix Kluiters: Wij ook volgens mij, Jan Jacob, want we hebben net een advies uitgebracht over brede welvaart. Dat is alweer anderhalf/twee jaar geleden.
Jan Jacob van Dijk: Ja, wij hebben een advies over brede welvaart uitgebracht. De Nederlandse landbouw heeft ongelooflijk veel innovatieve producten en projecten op poten gezet, omdat daar een bepaalde vorm van samenwerking was, met name bij de productschappen en de bedrijfsschappen om ervoor te zorgen dat men nieuwe producten ging neerzetten. Dat zat ook op marketing. Op het terrein van de bouw is er ook het één en ander gebeurd. Bernard Wientjes is daarbij betrokken geweest om te kijken hoe je daar dingen zou kunnen doen. Ik denk dat daar nog veel meer gezamenlijk ontwikkeld zou kunnen worden. Het klopt wat je zegt. Als ieder individueel bedrijf dat gaat doen, dan wordt het knap duur, ingewikkeld en risicovol om daar stappen in te gaan zetten. Misschien dat die samenwerking daar voor een deel intensiever zou kunnen zijn samen met universiteiten. Vergis je niet.
Jan Jacob van Dijk: Ik heb een aantal jaren op het mbo gewerkt. Ook daar zit ongelooflijk veel innovatieve kracht. Dat is meer op de werkplek zelf. Daar zou je behoorlijk wat dingetjes mee kunnen doen. Je zei het net zelf al. Goedkoop is duurkoop. We hebben nu de gelegenheid om met de kennis die we hebben een aantal goede dingen te gaan doen. Dan weten we dat op sommige plekken de dollartekens of eurotekens vooraan komen te staan. Met een klein beetje extra geld kun je veel meer kwaliteit toevoegen. Met de inspraakprocedures zul je dat voor een deel kunnen versnellen. Ik denk dat dat iets is waar we in de komende periodes over na zouden moeten denken. Wij gaan in onze adviezen daar verder op door. Ik heb begrepen dat Defensie veel geld krijgt. Volgens mij hebben ze ruimte om in de komende periode ongelooflijk mooie en goede dingen neer te zetten, wat een voorbeeld voor de rest zou kunnen zijn.
Marnix Kluiters: Ik wil bewegen naar een afronding van dit gesprek. Ik ben benieuwd, Jan Jacob, naar wat jij meeneemt. Het is interessant om dit gesprek te voeren. We moeten wat meenemen terug naar ons werk.
Jan Jacob van Dijk: Het belangrijkste wat ik gehoord heb is dat er een grote bereidheid en noodzaak is die gevoeld wordt door het bedrijfsleven om op een duurzame wijze het bouwproces te gaan doen. Dat hoeft niet een belemmering te zijn om tot een betaalbare en snelle productie van woningen te komen. We moeten goed met elkaar keuzes maken waar het terecht zou moeten kunnen komen. Als die keuzes niet gemaakt gaan worden, dan zullen we op al die andere trajecten ongelooflijk mooie ambities kunnen neerleggen, maar zal dat niet helpen om die woningbouw op een goede manier te produceren en ervoor te zorgen dat er voldoende woningen zijn. Dat neem ik nadrukkelijk mee. Het laatste is voorspelbaarheid, zodat er ook een verdienmodel voor het bedrijfsleven achter gaat zitten. Dat is een belangrijke randvoorwaarde om uiteindelijk de goede stappen te kunnen zetten.
Marnix Kluiters: Job, volgens mij onderschrijf je dat volledig op basis van wat ik van je gehoord heb van jou in dit gesprek. Ik ben benieuwd. Ben je hoopvol voor de toekomst? Welke hoop heb je daarin?
Job Dura: Ik kijk met een positieve blik naar de toekomst, omdat we een grote opgave hebben in Nederland, zowel op infragebied als woningbouw, utiliteitsbouw en verduurzaming, noem maar dat soort punten op. Ik ben het ermee eens. We komen daarmee op waar we mee begonnen zijn. Keuzes maken en consistent beleid. Maak het aantrekkelijk voor het bedrijfsleven om te investeren in deze verandering. Biedt een investeringsperspectief. Niet alleen voor woningbeleggers, maar ook voor woningontwikkelaars en de bouwbranche.
Marnix Kluiters: Dank je wel.
Jan Jacob van Dijk: Jij ook bedankt.
Job Dura: Dank je wel.
Voice-over: Wil je meer weten over leefomgevingsvraagstukken? Abonneer je dan op deze podcast en kijk op rli.nl, waar je ons adviezen kan downloaden.
Uitgeschreven tekst van Leefomgevingskwaliteit: gelijk voor heel Nederland?
In de tweede aflevering Leefomgevingskwaliteit: gelijk voor heel Nederland van de Rli-podcastserie Lange lijnen in de leefomgeving gaat junior-raadslid Marnix Kluiters kort voor de verkiezingen in gesprek met raadsvoorzitter Jan Jacob van Dijk, raadslid Jantine Kriens en Liesbeth Spies. Liesbeth Spies was in 2015 voorzitter van de commissie evaluatie uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur Caribisch Nederland.
Aflevering 2
Voice-over: De leefomgeving in Nederland staat onder druk. Op een beperkt aantal vierkante meters willen we wonen, werken en recreëren. Hoe maken we daar de juiste keuzes in? De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur geeft advies aan regering en parlement over deze complexe vraagstukken. In deze podcastserie van de Rli gaat junior raadslid Marnix Kluiters op zoek naar context en antwoorden. Welkom bij lange lijnen in de leefomgeving.
Marnix: Kluiters: Hoewel Bonaire, Sint-Eustatius en Saba integraal onderdeel zijn van Nederland, worden ze niet altijd meegenomen in het rijksbeleid. Bovendien ontbreekt structurele financiering op sommige terreinen. Volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur is een andere aanpak nodig. We hebben daar een advies over uitgebracht. Daar ga ik vandaag over in gesprek met de voorzitter Jan Jacob van Dijk. Welkom!
Jan Jacob van Dijk: Dank je wel.
Marnix: Kluiters: Ook welkom aan de voorzitter van de commissie, Jantine Kriens.
Jantine Kriens: Dank je wel.
Marnix: Kluiters: We hebben vandaag Liesbeth Spies uitgenodigd. Je bent voormalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en hebt de evaluatie van de hervormingen uit 2010 uitgevoerd in 2015. Zeg ik dat goed?
Liesbeth Spies: Helemaal goed. Het is een mondvol. Dank je wel.
Marnix: Kluiters: Dan ben ik benieuwd om het interview met jou te beginnen Liesbeth. Je hebt het advies gelezen. Wat is je opgevallen?
Liesbeth Spies: Ik moest vooral even zuchten, omdat je ziet dat er ondanks de goede bedoelingen op Bonaire, Saba, Statia en in de Nederlandse Rijksdienst zo ontzettend weinig veranderd. Er zijn zo vaak goede bedoelingen en er komt in de praktijk veel te weinig van terecht. Dat hebben we in die evaluatiecommissie al geconcludeerd na vijf jaar van die staatkundige vernieuwing. Er waren hele hoge verwachtingen bij de start van die nieuwe staatkundige vormgeving en andere verhoudingen tussen de drie openbare lichamen en (Europees) Nederland. Er was veel positieve energie, want dit ging op de eilanden meer geluk, voorspoed en welvaart brengen. Ook meer autonomie. Aan de kant van Nederland. Er waren oprechte intenties om daar goeie dingen voor de inwoners van dat deel van ons koninkrijk te doen.
Liesbeth Spies: Ook de Rli komt in dit advies tot de conclusie dat er nog heel veel aan schort. Dan krijg je een déjà vu dat het niet opschiet. Hoe kan het zijn dat het resultaat aan twee kanten iedere keer zo tegenvalt als er zoveel positieve energie is?
Marnix: Kluiters: Dat kan wel?
Liesbeth Spies: Het kan zeker. Het is misschien best lastig om dat heel concreet te maken. Toen we als commissie aan de slag gingen, liepen we heel erg aan tegen het begrip van ‘een voorzieningenniveau wat binnen Nederland aanvaardbaar werd geacht’. Dat was een omschrijving in de wettekst bij het tot stand komen van die staatkundige vernieuwing die aan twee kanten een soortement bezweringsformule werd. Een binnen Nederland aanvaardbaar voorzieningenniveau wat door Nederland heel anders is uitgelegd dan op de drie eilanden werd uitgelegd. Het is tot mislukken gedoemd als je met een heel verschillend en niet uitgesproken verwachtingspatroon aan zo'n staatkundige vernieuwing begint. Het vertrouwen over en weer wordt dan al heel snel beschaamd.
Liesbeth Spies: Op Bonaire, Saba of Statia dachten ze bijvoorbeeld dat de bijstand of de AOW, in Nederlandse termen, op gelijk niveau gebracht zou worden als in Nederland. Dat is niet gebeurd. Dan krijg je heel snel dat de bestuurslichamen op die openbare lichamen zich ongemakkelijk gaan voelen. Ze worden door hun eigen inwoners aangesproken dat het daar beter zou worden en gaan. Nederland zegt dat ze dat verkeerd begrepen hebben, want ze zijn op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg echt goede dingen aan het doen. Heb een beetje geduld. Dan kom je in een hullie-en-zullie-verhouding terecht als je niet uitkijkt, die niet in het belang is van die inwoners daar. Dat zijn inwoners van ons koninkrijk. Dat zijn mensen die dagelijks worstelen met het betalen van de rekening, want energie en water zijn daar veel duurder.
Liesbeth Spies: Tot die conclusie kwamen jullie ook in jullie advies. De manier waarop je de openbare lichamen, het bestuurscollege, in staat stelt om hun werk goed te doen. Het is daar echt een stukje ingewikkelder dan in Nederland. Je moet maximaal 2,5 uur in de trein naar Den Haag zitten voor je met de minister aan tafel zit als je een gemeente in Nederland bent. Bonaire, Saba en Statia zijn 8000 kilometer verder weg. Probeer maar eens een voet tussen de deur te krijgen bij het Nederlandse parlement, de rijksdienst, de minister of de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties op het moment dat je met een concreet knelpunt aan de gang bent. Alleen al die afstand maakt het daar een heel stuk ingewikkelder. De kwaliteit om een bestuursapparaat van goede ambtenaren te voorzien, ik geef het je te doen.
Marnix: Kluiters: Ik wil zo even afkaderen met Jan Jacob hoe die relaties precies zijn. In de inleiding zei ik al dat het integraal een onderdeel van Nederland is.
Liesbeth Spies: Dat vergeten we heel vaak en dat zien jullie in jullie advies ook. Eigenlijk moeten alle wetten die we in Nederland in het fysieke domein maken van een uitvoeringstoets worden voorzien als dat de gemeenten, de provincies of de openbare lichamen raakt. Het wordt heel vaak vergeten. Dat is geen onwil. Een wet kan in Nederland heel anders uitpakken dan in Caribisch Nederland. Het Bouwbesluit vind ik altijd een iconisch voorbeeld. Dat is in Nederland gemaakt op hele hoge isolatiewaarden, want warmte willen we graag binnenhouden. Grote ramen, want we willen de zon graag gebruiken om onze huizen te verwarmen. In Caribisch Nederland hebben ze te maken met hurricanes. Je moet dus je ramen zo klein mogelijk houden vanwege al die stormen en je wil de warmte graag buiten houden.
Liesbeth Spies: Ze hebben daar niets aan de isolatiewaarden die heel duur zijn in het realiseren. Toch hebben we dat Bouwbesluit met de beste bedoelingen van toepassing verklaard op de openbare lichamen Bonaire, Saba en Statia. Niemand heeft daarover nagedacht. Als je zo'n uitvoeringstoets serieus zou nemen, zou degene die verantwoordelijk is voor het maken van dat Bouwbesluit in Nederland moeten bedenken of dit integraal van toepassing is op het hele Koninkrijk. Misschien moet hij daar voor Bonaire, Saba en Statia een uitzonderingsbepaling in opnemen of een andere set van criteria belangrijker vinden. Daar ontmoeten we elkaar veel te weinig.
Liesbeth Spies: Omgekeerd hebben de bestuurslichamen veel te weinig ambtelijke capaciteit om constant in de gaten te houden wat er allemaal in Nederland aan wetten en regels wordt gemaakt en tijdig hun vinger op te steken om te zeggen dat het bij hen niet gaat werken zo. Dat kan een reguliere gemeente in Nederland niet bijhouden, laat staan 8000 kilometer verder en in de omvang waarmee je met Saba, Statia en Bonaire te maken hebt. Dat zijn openbare lichamen die in veel gevallen kleiner zijn dan de meeste Nederlandse gemeenten.
Marnix: Kluiters: Jan Jacob, er valt een aantal keren 8000 kilometer verder. Dat is ver weg. Ik wil afkaderen waar we het precies over hebben. Als ik het puur topografisch bekijk, weet ik van vroeger dat we het vaak hadden over de ABC-eilanden en de eilanden met de drie s'en. Dat heeft te maken met hoe ons koninkrijk in elkaar zit. Zou je kunnen toelichten hoe dit precies zit en waarom we hier praten over de BES-eilanden?
Jan Jacob van Dijk: We hadden indertijd de Bovenwindse en de Benedenwindse eilanden, want dat was hetgeen wat we op school geleerd hebben. De benedenwindse waren Aruba, Bonaire en Curaçao. De Bovenwindse eilanden waren de drie s'en. Dat was Sint-Eustatius, Sint-Maarten en Saba. Het Koninkrijk der Nederlanden bestond uit drie landen. Dat was de Nederlandse Antillen, Aruba was een apart land en je had het Europese deel van Nederland. In 2010 is dat gewijzigd, want toen is Nederlandse Antillen opgedeeld. Er zijn twee nieuwe landen bijgekomen. Dat zijn Sint-Maarten en Curaçao geworden. Toen hadden we vier landen binnen het koninkrijk. We hebben toen de drie BES-eilanden de status gegeven van openbaar lichaam. Die status is niet vergelijkbaar met wat een gemeente hier precies doet.
Jan Jacob van Dijk: Het is datgene wat in Nederland gebeurt door een gemeente, een waterschap en een provincie. In sommige gevallen zijn het zelfs ook enkele taken die in Nederland door het Rijk worden uitgevoerd, bijvoorbeeld op het terrein van luchthavens en havens. We hebben sinds 10 oktober 2010 een Koninkrijk der Nederlanden, waarin in totaal vier landen zijn. Dat is Europees Nederland inclusief de BES-eilanden, Curaçao, Aruba en Sint-Maarten. In het Koninkrijk hebben we drie openbare lichamen en dat zijn de zogeheten BES-eilanden. We hebben dit advies alleen geschreven over de BES-eilanden.
Marnix: Kluiters: Dat is ook logischer dan advies uit te brengen over de andere landen die erbij horen. Dat is interessant. We zitten hier op 8000 kilometer afstand een advies uit te brengen over een gemeenschap die daar speelt. Wat kunnen we daarover vertellen?
Jan Jacob van Dijk: Het is een beetje vreemd om de vraag te stellen waarom we ook een advies uitbrengen over dat deel van het land. Ze maken gewoon deel uit van het land. Wij als Rli gaan over het hele land. Wat dat betreft, is het logisch dat we daar een advies over uitbrengen. Wij zijn uitgenodigd door de voormalige staatssecretaris Van Huffelen. Zij zei dat ze ertegenaan loopt dat de regel pas toe of leg uit die we formeel hebben afgesproken vanaf 10 oktober 2010 niet uitgevoerd wordt of op een gebrekkige manier gedaan wordt. Zij vroeg daarmee te helpen, want zij zag dat er verschillen zijn. Dat waren voor ons twee aanleidingen om dit advies te gaan doen en hier iets over te schrijven. Er is een element in tegenstelling tot wat we anders doen.
Jan Jacob van Dijk: Normaal gaan we op werkbezoek voor het onderwerp waar we het over hebben. Dat hebben we in dit geval niet gedaan. We hebben uitgebreid gesproken met mensen daar. Voor een deel hebben we dat via de digitale weg gedaan. We hebben gesprekken gevoerd of reacties van hen gevraagd, maar we zijn daar niet naartoe geweest om uitgebreid met de bevolking over dit soort onderwerpen te praten. Dat is een tekortkoming die je zou kunnen noemen ten aanzien van dit advies.
Marnix: Kluiters: Ik heb aan jou gevraagd waarom we adviseren over het Caribisch deel van Nederland. Jantine, waarom dit advies? We kunnen over allerlei dingen adviseren.
Jantine Kriens: Er is door de toenmalige staatssecretaris Alexandra van Huffelen gevraagd om een advies, omdat je voelt dat er enig ongemak is in de onderlinge verhoudingen. Daarbij staat voorop wat Liesbeth Spies zojuist al zei. Dat is dat iedereen er met hele goede bedoelingen in zit. Dat was wat ons heel erg opviel. Er zijn veel ambtenaren binnen de departementen die heel graag willen dat het goed gaat. Ondanks al die goede bedoelingen lukt het niet. Comply or explain is blijkbaar niet voldoende een handvat om het te herijken. De aanleiding is de vraag. Er was nog een ander element voor ons als Rli. Twee jaar geleden hebben we een advies gemaakt en dat gaat erover dat elke regio telt. We realiseren ons in toenemende mate dat verschil maken in het beleid dat je hebt, niet alleen geldt op de eilanden.
Jantine Kriens: Het voorbeeld kwam naar voren van de isolatie van woningen die echt anders zou moeten bekeken worden op de eilanden. Dat geldt niet alleen 8000 kilometer verder weg, dat geldt in Zeeuws-Vlaanderen, de Achterhoek en Noordoost-Groningen. De manier waarop je beleid maakt, zou je om moeten gaan keren. Wat zijn de ambities die we hier in Nederland hebben? Wat voor land willen we zijn? Hoe werkt dat uit en wat betekent dat in de Achterhoek, Zeeuws-Vlaanderen en in het Caribisch gebied? Toen we die vraag van staatssecretaris Van Huffelen hadden en ons beeld over dat elke regio telt, vonden we het interessant om dat met elkaar te gaan combineren.
Marnix: Kluiters: Je zegt elke regio telt. Dat vind ik wel interessant. Bij generatiedenken moet ik altijd denken aan de uitspraak dat er vaak meer verschil is binnen een generatie dan tussen een generatie. We hebben het hier over 8000 kilometer verderop, maar het is heel gevaarlijk om te denken dat we het dan over de BES-eilanden hebben. Jullie hebben ook gekeken naar hoe de eilanden tussen elkaar verschillen.
Jantine Kriens: Zeker. Dat is precies wat je in elke regio telt ziet. Je kunt het hebben over de regio Achterhoek, maar binnen de regio Achterhoek zijn er ook weer verschillen. Ook is de regio niet per se de panacee voor alle kwalen. We constateren hier dat je een aantal ongewenste verschillen hebt. Dat betekent niet dat al die ongewenste verschillen enkel via een regionale aanpak aangepakt zouden kunnen worden. Soms moet je dingen gewoon via onderwijs of werkgelegenheid aanpakken. In dit geval is het zo ver weg. Jan Jacob zei zojuist dat ze de taken hebben van de gemeenten, de waterschappen, de provincies en soms van het Rijk. Tegelijkertijd zien we dat het met heel weinig mensen moet gebeuren, waar jij je ambtelijke medewerkers uit een hele kleine vijver moet halen. De expertise is heel beperkt en dat is een hele ingewikkelde combinatie. We geven in onze aanbevelingen aan paar dingen aan over dat wat je samen kunt doen.
Marnix: Kluiters: Je noemde comply and explain. Zou je dan kunnen explainen, uit kunnen leggen wat dat precies is? Het lijkt me zinvol om daar mee verder te gaan.
Jantine Kriens: Zeker. Het is heel simpel. Je voert een wet in. Je maakt beleid in Nederland en je vraagt of dat van toepassing is op de eilanden. Zo niet, moet je dat beargumenteren. Je ziet dat daar soms wat onzorgvuldig mee omgegaan is. Jan Jacob en ik waren deze week in de Tweede Kamer. Toen was er een Kamerlid dat aan ons vroeg of het normaal is dat je als argument krijgt dat hier op de eilanden niets mee wordt gedaan in verband met comply and explain. We zeiden dat het niet normaal is, want je mag verwachten dat je een argumentatie krijgt waarom je het niet doet. Dat vond ik heel erg tekenend, want dat is het type slordigheid dat we tegenkwamen. Dat is niet met slechte bedoelingen, maar het wordt een mantra. Er wordt niet meer nagedacht over wat voor argumentatie je precies op papier gaat zetten of in de toelichting gaat geven.
Marnix: Kluiters: Volgens mij hoorde ik een hoop herkenning bij jou, Liesbeth.
Liesbeth Spies: Absoluut. Het is zelfs zo dat Bonaire, Saba en Sint-Eustatius enorm van elkaar verschillen. Bonaire is benedenwinds. Daar wordt Papiaments gesproken en daar is de bevolkingsadministratie niet zo nauwkeurig als dat in Nederlandse gemeenten het geval is. Er zijn rond de 20.000 inwoners. Saba en Sint-Eustatius zijn bovenwinds en daar is de voertaal Engels. Daar hebben we met die staatkundige hervorming afgesproken dat de bestuurstaal Nederlands moet zijn. Niemand spreekt daar Nederlands op straat. Ze rekenen af in dollars. Daar hebben we het dualisme op losgelaten. Saba heeft 2000 inwoners en een eilandsraad van vijf personen. Daar moet een aparte griffier opkomen, want dat paste binnen de manier waarop we in het Nederlandse systeem het decentrale bestuur hebben georganiseerd.
Liesbeth Spies: Op Saba zijn de mensen vaak afkomstig van zeerovers van vroeger, vanuit de vijftiende à zestiende eeuw. De mensen die op Saba wonen hebben een hele andere origine, cultuur en mentaliteit dan de mensen die op Sint-Eustatius wonen. Als het een beetje helder weer is, kun je vanaf Saba Sint-Eustatius zien liggen. Sint-Eustatius was in de middeleeuwen een soort hub waar het slavernijverleden een stempel heeft gedrukt op de huidige situatie. Er wonen zo'n 6 à 7000 mensen. Die drie zijn op zichzelf al totaal verschillend. Het is prachtig om die historische verhalen van de inwoners daar te horen en de trots die ze hebben op het eiland waar ze wonen. De ingewikkeldheid van het bestaan is daar echt groter dan bij ons. Dan zie je dat zo'n staatkundige hervorming in 2010 er met de beste bedoelingen toe leidt dat het eerste zichtbare teken van Nederland een groot kantoor wordt op Bonaire, waar heel veel mensen uit de Rijksdienst intrekken.
Liesbeth Spies: Het is het grootste en duurste kantoor van het eiland. Ze gaan daar belastingen doen. Dat is niet iets wat uitgelegd wordt als een grote verbetering en hoe we er samen iets goeds van kunnen maken in de term van hoe dat landt en wordt ervaren. Jantine zegt terecht dat zo'n uitvoeringstoets geen vinkje mag worden op een lijstje van een protocol. Je moet er goed over nadenken waarom een regel die voor het (Europees) Nederlandse deel van het Koninkrijk gaat gelden, wel of niet ook gaat gelden op Bonaire, Saba of Sint-Eustatius. Waarom wel of niet?
Marnix: Kluiters: Er zit een beetje een negatieve ondertoon in. Je kunt ook zeggen: ruimte voor verbetering. Je begon met een zucht. Ik denk dat het goed is om daar op aan te sluiten. Jan Jacob, we hebben een fragment van iemand van de eilanden. Zou je even kunnen toelichten wie het is? Daarna ben ik benieuwd of de regie het wil afspelen.
Jan Jacob van Dijk: Dat is van Bruce Zagers. Hij is gedeputeerde op Saba. Het zal in het Engels zijn, want hij beheerst de Nederlandse taal niet.
Liesbeth Spies: Hij begrijpt het, maar spreken doet hij liever niet.
Jan Jacob van Dijk: Op het moment dat we het advies aanboden, kwam hij met een antwoord in het Engels terug. Daarom is de quote ook in het Engels.
Bruce Zagers: Countless studies have confirmed what the islands have long been saying about urgent issues. Too often these reports gathered dust. Millions of euros and countless hours spent, while the problems persist. We keep repeating the cycle. Studies confirm challenges, but real action remains absent.
Marnix: Kluiters: Dat klinkt ook als een behoorlijke zucht.
Liesbeth Spies: Bruce verdient een compliment voor het feit dat hij al zo lang zijn stinkende best doet om de situatie op Saba en op alle BES-eilanden te verbeteren. Ook in 2015 hebben we een aantal aanbevelingen gedaan met de evaluatiecommissie waarvan ik had gehoopt dat die een stukje verder zouden zijn. Die hebben weer met vertrouwen te maken. Wat de Rli volgens mij in dit rapport concludeert, is dat de eilanden niet de financiële middelen hebben om het noodzakelijke onderhoud, zoals de investeringen in de havens, de weginfrastructuur en digitale snelwegen, op een goede manier te kunnen doen. Dat kun je niet op blijven lossen vanuit Nederland met iedere keer een projectsubsidie of doeluitkering. Gemeenten krijgen een uitkering uit het gemeentefonds.
Liesbeth Spies: De openbare lichamen krijgen een algemene uitkering en die is te laag als je kijkt naar de taken en de verantwoordelijkheden die ze hebben. Ons advies toen al was om passend bij de autonomie en de zelfstandigheid van de openbare lichamen een hogere algemene uitkering te geven. Heb daar goed financieel toezicht op. We hebben het College Financieel Toezicht specifiek ingericht voor deze drie openbare lichamen. Gun hen de ruimte en geef ze het vertrouwen om het werk waar ze voor aan de lat staan ook fundamenteel beter te kunnen gaan doen. Zorg ervoor dat ze niet ieder jaar naar Nederland moeten vliegen met de mededeling dat ze weer een beetje tekort komen voor de haven. Ze vragen dan of we niet kunnen kijken of ze in het riool iets extra kunnen doen.
Liesbeth Spies: Het vliegveld moet nodig van een nieuwe laag asfalt worden voorzien. Geef hen de ruimte en de financiële mogelijkheden om dat soort dingen op het eigen eiland beter te kunnen doen. Ik denk dat het in de afgelopen tien jaar ten onrechte niet is gebeurd. Dat had kunnen voorkomen dat we in die negatieve spiraal blijven waar Bruce doodmoe van wordt. Dat legt de lat voor de eilanden wat hoger om zelf te gaan presteren. Met zelfstandigheid en verantwoordelijkheid komt de noodzaak om te laten zien dat je het waard bent. Die uitdaging zou ik de bestuurscolleges daar gunnen om te laten zien dat ze kunnen wat ze zeggen dat ze kunnen. Dat zal met vallen en opstaan gaan. Ook daar moeten we niet na twee jaar de rekening op willen maken en met een ingewikkelde miljoenen euro's kostende evaluatie zeggen dat het gelukt is of niet. We moeten met elkaar zo'n ontwikkeltraject door. Ieder jaar dat we daarin missen, maakt dat ze daar een beetje chagrijniger worden.
Marnix: Kluiters: Deze podcast komt 15 jaar na 10-10-'10 uit. Die datum is al een aantal keren gevallen. Ik neem aan dat het op 10-10-'10 niet het idee was om met zijn allen steeds chagrijniger te worden.
Liesbeth Spies: Zeker niet. Daarom zeg ik ook dat de verwachtingen aan twee kanten hooggespannen waren.
Marnix: Kluiters: Wat was destijds het idee daarachter?
Liesbeth Spies: Dat had ermee te maken dat binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk - Sint-Maarten, Bonaire, Saba, Sint-Eustatius en Curaçao - echt van elkaar los wilden. Er werd een beetje begerig naar Aruba gekeken, die al veel langer de status heeft van apart land binnen ons koninkrijk. Dat zagen Sint-Maarten en Curaçao ook als een wenkend perspectief. Ik zeg het wat huiselijk, maar Bonaire, Saba en Sint-Eustatius vonden Curaçao heel dominant. Die dachten dat ze ‘wat groter’ zouden worden als ze onder de vleugels van Curaçao weg konden en zelfstandige bestuursorganen konden worden. Dan gaan ze een beetje af van het gevoel dat Curaçao bepaalt wat goed voor hen is. Ze wilden meer autonomie binnen dat koninkrijk. Sint-Maarten nam zichzelf ook veel serieuzer.
Liesbeth Spies: Alles gebeurde op Curaçao en het bestuurscollege zat daar. Sint-Maarten dacht dat ze dat zelf misschien een stuk beter konden. Bovendien is Sint-Maarten voor de helft onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden en voor de helft Frankrijk. Die keken of het aan de andere kant van hun eiland niet makkelijker ging. Daar hebben ze het idee dat het Franse deel een grotere autonomie had. Ze wilden dus de status aparte van het land binnen het koninkrijk. Het was toen met de beste bedoelingen wat we voor die BES-eilanden hebben bedacht. Er waren hooggespannen verwachtingen, maar de werkelijkheid is helaas dat het iets met vallen en opstaan is.
Marnix: Kluiters: Ik neem aan dat we dat vallen en opstaan in het advies proberen te versterken en verbeteren. Daar zaten interessante dingen in. Zo las ik onder andere dat bijvoorbeeld basale zaken als water volgens mij bijna een factor tien duurder is.
Jantine Kriens: Internet is ook veel duurder. Ik zou het willen formuleren als: wees oorzaak en geen gevolg. Dat is een beetje de ambitie die er op de eilanden zelf zou moeten zijn. Wat zijn de dingen van mobiliteit, connectiviteit en infrastructuur die in die leefomgeving belangrijk zijn? Dat is de betaalbaarheid van de manier waarop je gebruik kunt maken van connectiviteit. Dat is ook de betaalbaarheid van water. Daar zit een ongewenst verschil in. We hebben gezegd ervoor te zorgen om aan het begin de ambitie op die grote opgaven te definiëren. Dat is denk ik waar indertijd onvoldoende in geïnvesteerd is met elkaar. Die ambitie is op Saba misschien anders dan op Bonaire en dat geeft niet. Definieer die ambitie samen met Nederland, zodat je aan de voorkant met elkaar helder hebt wat de lat is die we met elkaar definiëren.
Jantine Kriens: Van daaruit ga je kijken hoe je daar verder mee aan de slag gaat. We hebben geconstateerd dat je ook samen aan de lat moet staan als het gaat over de uitvoering. Dat hoor ik in het verhaal van Liesbeth Spies ook terug. Dat moet je niet zien als een principieel verschil van wie voor welke bevoegdheden verantwoordelijk is, maar wie kan een bijdrage leveren aan de uitvoering van die ambities die je met elkaar hebt afgesproken?
Marnix: Kluiters: Ik hoor duidelijk terug dat bijvoorbeeld de AOW niet doorkomt vanuit het rijksbeleid, maar wel allerlei normen oplegt over de bouw die daar totaal irrelevant zijn en zelfs de kwaliteit verslechteren in het geval van tornado's. Je noemde hurricanes. Zijn dat tornado's?
Liesbeth Spies: Tornado's, grote stormen en orkanen.
Marnix: Kluiters: Daar zit het rijksbeleid heel erg in de weg. Zijn er dingen waar we naar gekeken hebben om dat te stroomlijnen?
Jantine Kriens: We hebben daar geen specifieke uitspraken over gedaan. We hebben gezegd dat het juist iets is waar je de ambities op de eilanden zelf moet vinden. We hebben een paar vingers op zere plekken gelegd, bijvoorbeeld als je kijkt naar de veren tussen de eilanden. Er zijn verschillen, maar ze zijn alle drie onderdeel van dat koninkrijk. Er is een groot verschil in overheidsinspanningen met de veren tussen de Waddeneilanden en tussen de BES-eilanden. Daar kost het veel geld om van het ene eiland naar het andere te komen. Dat is meer de vinger op de zere plek leggen in de hoop dat daar iets mee gebeurd als ze een gezamenlijke agenda maken en we zeggen waar het over moet gaan.
Marnix: Kluiters: De term die me de hele tijd bekruipt, is het gevoel van onrechtvaardigheid.
Jantine Kriens: We hebben dat ongewenste verschillen genoemd. Ik ben er niet geweest. Iedereen die je spreekt, heeft het over de kwaliteit van de wegen. Die kwaliteit is onvergelijkbaar met de kwaliteit van de wegen hier in Nederland. Dat heeft te maken met het feit dat je daar als eiland afzonderlijk niet in kunt investeren. Dat geld heb je helemaal niet. Je kunt geen beroep doen op een aantal fondsen die we in Nederland hebben waar men hier in het Europese gedeelte van het Koninkrijk wel een beroep op doet. Je hebt een gezamenlijke ambitie nodig en geld als je die infrastructuur en de kwaliteit van de wegen met elkaar aan wilt pakken.
Marnix: Kluiters: Jantine stipt allerlei dingen aan. Er moet veel veranderen volgens mij. We adviseren over heel veel verschillende zaken als leefomgeving en infrastructuur. Daar is veel te doen, denk ik, met iedereen samen als Koninkrijk der Nederlanden.
Jan Jacob van Dijk: Eens. We merkten in de gesprekken met mensen binnen onze departementen dat er op sommige terreinen een ambitie is en ze vragen zich af waarom we niet doen wat we van belang vinden. Dat komt voor een groot gedeelte, omdat er aan de voorkant niet met elkaar is afgesproken wat de gemeenschappelijke agenda van de BES-eilanden en Nederland is richting 2040. We hebben ons beperkt tot de fysieke leefomgeving. We zeggen dat het verstandig zou zijn om met elkaar een gemeenschappelijke agenda op te stellen, inclusief prioriteit, uitvoeringscapaciteit en financiën, waarin we met elkaar zeggen wat we moeten gaan doen. Dat is nog nooit gebeurd. Op het moment dat je dat gaat doen, kun je tegen de BES-eilanden en het Europese deel van Nederland zeggen dat we dit met elkaar gaan doen en dat ze de ruimte krijgen om dit te doen.
Jan Jacob van Dijk: Daar hoort de gepaste financiering bij. Een van de elementen die gezegd wordt, is om extra geld te geven. Het wordt knap ingewikkeld om op Saba de volledige uitvoeringskracht uit die 2000 mensen te krijgen. Daar zul je een beetje hulp moeten geven van de zijde van het Europese deel. Dat ligt misschien op Bonaire weer totaal anders. Je moet iets doen in het opbouwen van de bestuurskracht en de uitvoeringskracht daar. Het is niet handig om helemaal opnieuw het wiel uit te vinden. Je kunt kijken in hoeverre je samenwerkingstrajecten, bijvoorbeeld met gemeentes of waterschappen hier zou kunnen doen om sommige projecten daar gemeenschappelijk op te gaan bouwen. Dat is een beetje de lijn die we naar voren hebben gebracht in het advies zoals we dat hier hebben neergelegd.
Marnix: Kluiters: Dat is volstrekt logisch, want op het Europese Nederlandse gedeelte doen we niets anders. Daar verwachten we niet van Terschelling dat ze de uitvoeringskracht volledig zelf in handen hebben.
Jan Jacob van Dijk: Sterker nog, een gemeente heeft een aantal terreinen. De provincie heeft een aantal terreinen waar ze over gaat. Het Rijk doet sommige dingen en waterschappen ook. Dat is allemaal bij die openbare lichamen ondergebracht met een gebrekkige bestuurskracht. Ik denk dat het een probleem is in de onderlinge samenwerking. Hier zijn heel veel gemeentes die met elkaar samenwerken, omdat het bovengemeentelijk handiger is om een aantal taken samen te doen in plaats van ze individueel te doen. Dat is daar een stukje ingewikkelder door de afstand tussen die eilanden. Saba en Sint-Eustatius liggen op zichtafstand, maar het is een stuk verder wanneer je naar Bonaire moet. Hoe doe je dat nog eens met elkaar? Wat dat betreft, is de positie van de openbare lichamen niet vergelijkbaar met wat hier een gemeente of een provincie voor de kiezen krijgt om dat soort dingen te gaan doen. Ze moeten binnen dat openbaar lichaam veel meer doen, terwijl dat hier bij de verschillende onderdelen zit.
Marnix: Kluiters: We hoorden net het fragment van Bruce. Hij gaf heel duidelijk aan dat er met dit soort rapporten vaak te weinig gebeurt. Tegelijkertijd adviseer je precies waar hij behoefte aan heeft. Dat is een betere organisatie en betere uitvoeringskracht.
Jan Jacob van Dijk: Hij heeft gelijk. Liesbeth heeft dat evaluatierapport gedaan. De ROB heeft sindsdien een aantal adviezen uitgebracht die in diezelfde lijn zitten. Ze hebben vlak na ons een advies uitgebracht wat in essentie bijna hetzelfde is als wat we naar voren brengen. Ik kan me voorstellen dat ze zeggen dat er zoveel adviezen zijn geweest dat het tijd is dat de politiek doorkomt en eindelijk eens iets gaat doen. Wat dat betreft, hebben we het goed getimed. We wisten niet dat het kabinet ging vallen toen we begonnen met dit advies. Het is niet hierover gevallen. We hebben nieuwe verkiezingen en er komt een nieuwe formatie aan. Ik denk dat dit echt een onderwerp is wat bij de formatie aan bod zou moeten komen om daar het een en ander mee te gaan doen.
Jan Jacob van Dijk: We hebben er enige ervaring mee dat de formatie vaak gaat over hele grote onderwerpen en dit niet direct het meest vooraanstaande is. Dat biedt misschien de gelegenheid om daar een aantal stapjes te zetten, juist omdat het niet het belangrijkste is.
Marnix: Kluiters: Liesbeth, je begon met een zucht. Klinkt dit als iets waarmee die zucht weggenomen kan worden en er nu echt verbetering kan ontstaan?
Liesbeth Spies: Ik denk dat we dat aan onze stand over en weer verplicht zijn. Jantine noemde net het voorbeeld van de veren bijvoorbeeld. Dat is een heel mooi voorbeeld van hoe dat iedere keer gaat. Dan is er incidenteel een beetje geld over op de begroting van IenW. Er komen incidenteel investeringen in de havens op Saba en Sint-Eustatius, maar het geld om het vervolgens te onderhouden zit er niet bij. We weten allemaal dat je een serieuzer probleem hebt over 15 jaar dan over 5 jaar als jij je huis niet iedere 5 of 10 jaar schildert. Ik zou er heel erg voor pleiten dat we bijvoorbeeld bij die kabinetsformatie een incidentele impuls geven op dat fysieke domein waarbij je een investering doet op de drie eilanden zodat ze naar een soort nulsituatie gaan. Dat je een groot deel van het achterstallig onderhoud kwijt bent en je vervolgens die algemene uitkering structureel wat hoger maakt, zodat ze hun eigen broek op kunnen houden.
Liesbeth Spies: Dat legt daar de verantwoordelijkheid om dat waar te maken. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de bestuurscolleges op de drie eilanden niet altijd stabiel zijn. Wat dat betreft, hebben we in Nederland een probleem. Ook op Bonaire kunnen ze er wat van met de vele wisselingen in coalitieverband. Ik denk dat dit een uitgelezen kans zou zijn om ze een duwtje te geven door incidenteel het achterstallig onderhoud weg te werken en structureel een hogere algemene uitkering te geven die passend is bij de verantwoordelijkheden zoals we die bedacht hadden bij die staatkundige vernieuwing in 2010. Ik ben een optimistisch mens. Het glas is altijd halfvol. Waarom zouden we niet proberen om dat bij deze formatie voor elkaar te krijgen? Dan kom je in andere verhoudingen tot elkaar te staan.
Liesbeth Spies: Ik zou het de eilanden gunnen dat ze iets meer eigen zeggenschap krijgen over de prioriteiten die ze in dat onderhoud gaan stellen. Dat is vaak een behoorlijke zucht op de eilanden. Dan bedenkt een Kamerlid dat toevallig wel is geweest op de eilanden wat er heel hard nodig zou zijn. Er komt ineens bij een begrotingsbehandeling incidenteel geld uit voor het redden van het koraal. Dat is fantastisch in de ogen van sommigen. Dan vragen die eilandbestuurders of ze misschien hadden mogen bepalen wat ze het belangrijkste vinden voor hun eigen inwoners. Dat is misschien niet het redden van het koraal, maar het dichten van de gaten in de wegen of ervoor zorgen dat de inwoners een iets betere levensstandaard krijgen.
Liesbeth Spies: Dan kunnen we als meer gelijkwaardige partijen met elkaar dat gesprek voeren. Ik denk dat we heel hard toe zijn aan dat soort volwassen verhoudingen. Dan moet de Tweede Kamer en kan het Nederlandse kabinet iets vaker op zijn handen blijven zitten en tegen de eilandbestuurders zeggen dat ze moeten laten zien dat ze het waard zijn dat ze het gekregen hebben.
Marnix: Kluiters: Ik kom een keer per jaar op Terschelling voor een congres. Het lijkt me een onhandige situatie als ik op basis van de kennis van die paar dagen ga bepalen wat daar de relevante onderwerpen zijn. Het is best schrijnend zoals je het schetst.
Liesbeth Spies: Bovendien zie je op die paar dagen op Terschelling helemaal in jouw liefhebberij waarschijnlijk de mooie dingen van dat eiland. Het is heel anders als je er 365 dagen per jaar zou wonen, iedere dag je boodschappen moet doen of je auto van een volle tank moet voorzien. Bedenk eens wat er aan materiaal verscheept moet worden om op Saba de gaten van de weg dicht te maken. Dat is 8000 kilometer met veel zee om je heen. Je kunt niet een paar graafmachines over de weg naar die eilanden brengen. Dat vraagt een heel andere manier van kijken, denken en doen. Laten we daar vooral de kennis en kunde die aanwezig is, leidend zijn. We moeten hen blijvend ondersteunen op de manier die ze nodig hebben en vragen. Ik denk dat het heel nuttig zou zijn dat je veel meer de krachten gebruikt van de lokale overheden, de waterschappen en de provincies hier. Die zijn vaak wat pragmatischer en meer gericht op de uitvoering dan veel rijksambtenaren die heel goed zijn in andere dingen.
Marnix: Kluiters: Herken je dit vanuit het adviestraject zelf, Jantine?
Jantine Kriens: Dat herken ik erg. Ik denk dat de pragmatiek die wordt aangegeven ontzettend belangrijk is om een stap verder te kunnen zetten en om goed na te denken. De graafmachine die niet zomaar over de weg kan, is een ontzettend mooi voorbeeld. Dat kan iedereen zich meteen voorstellen. Los van het feit dat er veel basale basisdingen niet op orde zijn. De bevolkingsgegevens en het kadaster zijn allemaal basisdingen die je op de eilanden zelf nooit voor elkaar kunt krijgen. Ik denk niet dat het heel makkelijk zal zijn om er in en na de verkiezingen voor te zorgen, want dit vraagt politieke wil om het op een andere manier te doen binnen dat koninkrijk. We kunnen mooie rapporten maken, maar ik vrees dat we daarmee niet voldoende impact hebben op de afspraak, omdat er ook zoveel andere dingen zijn. Ik hoop heel erg dat er vanuit de eilanden zelf met behulp van dit advies een stevige lobby gevoerd gaat worden om op een andere manier te gaan werken. Om dat pragmatisch te doen en duidelijk te maken wat ze nodig hebben. We zullen hen helpen waar we kunnen.
Marnix: Kluiters: Kun je meer vertellen over de aanbevelingen die we hebben gedaan?
Jantine Kriens: We hebben drie grote aanbevelingen. De eerste aanbeveling is om die gezamenlijke agenda te maken. Heb het over die dingen die moeten gebeuren. Dat kan gaan over die kadaster- of bevolkingsgegevens, maar dat zou ook moeten gaan over de kwaliteit van de wegen, de connectiviteit en de mobiliteit.
Marnix: Kluiters: Per eiland dan?
Jantine Kriens: Het is niet één regio. Het zijn drie regio's die we bij elkaar zetten, omdat ze samen die afstand hebben. Die vraagstukken in de leefomgeving hebben een eigen inkleuring en een eigen belang op de verschillende eilanden. Daar moeten ze zelf hun eigen keuzes in kunnen maken. Zorg voor een uitvoeringsagenda die heel praktisch is en duidelijk maakt dat het Kadaster daar in de komende periode de boel op orde gaat brengen. Onderdeel van die gezamenlijke uitvoeringsagenda en die ambitie moet zijn dat je die structurele financiering daaraan koppelt. Zonder die financiering zal het niet gaan. Dat is nadenken over onderhoud.
Marnix: Kluiters: Die analyse van Liesbeth is heel terecht dat het niet toevallig leuk moet zijn als er een keer een potje over is. Het moet structureel ingezet en geregeld worden.
Jantine Kriens: Meer dan terecht. Dat is een belang dat ze niet alleen in de eilanden hebben, maar dat ook regio's in Nederland hebben. Dat is een gezamenlijk belang waar ze gezamenlijk op zouden kunnen trekken. De regiodeals maken zoals in het Europese gedeelte van het Koninkrijk nu gebeurt, is hartstikke mooi. Dat is pleisters plakken. Op een aantal van die thema's moet je tot structurele financiering zien te komen.
Jan Jacob van Dijk: De laatste aanbeveling was om echt eens pas toe of leg uit, comply or explain, toe te passen. Niet aan het einde van de rit dat je denkt dat je die toets nog moet doen als het beleid helemaal klaar is. Neem het van meet af aan mee in het beleidsdocument waar je op dat moment mee bezig bent. Dan voorkom je echt verrassingen. Bijvoorbeeld de stimulering van duurzame energie. Dat was van toepassing in het Europees deel van het Koninkrijk, maar niet op het Caribisch deel. Dat zou niet zo mogen zijn. Er is geen enkele aanleiding om het daar niet van toepassing te verklaren. Zo zijn er meer van dat soort voorbeelden. Pak dat van meet af aan goed mee.
Jantine Kriens: Draai het ook om. Geef ze de mogelijkheid om in te haken op een beleidsontwikkeling. Het klimaatvraagstuk is op de eilanden een enorm probleem. De klimaatmaatregelen zoals we die in Europees verband hebben afgesproken, gelden niet voor de eilanden. Er is alle aanleiding om ons binnen het Koninkrijk af te vragen wat we op die eilanden gaan doen aan de klimaatproblematiek die daar een ontzettende bedreiging is.
Marnix: Kluiters: Dan heb je het niet alleen over mitigatie, waarmee we onder onze Europese regelgeving heel veel regeldruk hebben. Je hebt het met name over adaptatie en misschien ook herstel.
Jantine Kriens: Zeker.
Marnix: Kluiters: Jan Jacob, waar zou dit heen kunnen groeien als je het wat breder bekijkt? Ik hoor veel dingen dat we moeten zorgen dat we van een minnetje naar nul gaan. Ik ben ook een positief mens. Het zou gewoon beter moeten worden en iets goeds moeten zijn?
Jan Jacob van Dijk: Het zou goed moeten zijn. Daarbij is het van belang om te onderkennen dat Caribisch Nederland niet exact hetzelfde hoeft te worden als wat we hier hebben. Ze hebben daar andere gewoontes. Ze zijn gewend aan het feit dat bijvoorbeeld drinkwater substantieel duurder is. Dat hoeft geen probleem te zijn. Zo zijn hier sommige dingen duurder dan daar. Het gaat erom is dat je met elkaar goeie afspraken weet te maken over wat we gewenste en ongewenste verschillen vinden. We moeten het zien te voorkomen als we vinden dat iets ongewenst is, maar laat het gebeuren als iets past bij de cultuur. We moeten een goeie samenwerkingsagenda maken om ervoor te zorgen dat er op een goeie manier samengewerkt wordt om die ongewenste verschillen weg te werken en ervoor te zorgen dat het wat dat betreft een stukje beter gaat worden. We hebben in het advies elke regio telt aanbevolen om dat ook met de regio's in Nederland te doen en niet alleen in de Randstad. Analoog daaraan zeggen we dat je dat ook zou moeten doen met het Caribisch deel van Nederland.
Marnix: Kluiters: Ondersteun je dat van die gewenste en ongewenste verschillen, Liesbeth?
Liesbeth Spies: Zeker. Dan krijg je een beetje rust. Als je structureel dingen gaat verbeteren en ook het perspectief hebt van een structureel iets hogere uitkering, blijf je niet hobbelen van incident naar incident. Dan val je niet van de ene verrassing in de andere meevaller en de volgende tegenvaller. Ik denk dat het heel belangrijk is dat er rust in die onderlinge verhoudingen komt. Dit zowel vanuit Nederland geredeneerd als vanuit de openbare lichamen. Dat je een meerjarig perspectief en afspraken hebt met elkaar. Dan wordt het een stuk saaier, maar beter uitvoerbaar en beter passend bij de verantwoordelijkheden die we niet voor niets aan die openbare lichamen hebben gegeven en die we vanuit Nederland die kant op hebben. Ik zou voor iedereen wensen dat het een beetje saaier wordt.
Marnix: Kluiters: Er worden een hoop mensen een stuk blijer als saai betekent dat er minder gedoe is.
Liesbeth Spies: Dan wordt het voorspelbaarder en kun je echt werken aan structurele oplossingen. Dat geldt in alle eerlijkheid misschien niet alleen voor Saba en Sint-Eustatius, maar misschien zijn veel inwoners van dit deel van het Koninkrijk daar ook erg aan toe.
Marnix: Kluiters: Dat denk ik ook, maar dat zouden we aan iedereen individueel moeten vragen. Ik denk dat er in grote lijnen meer stabiliteit zou mogen zijn. Voorspelbaarheid zou af en toe fijn zijn. Jantine, ik ga het een beetje afronden. Hoe hoop je dat het advies gaat landen? Helaas worden onze adviezen niet linea recta ingevoerd of de aanbevelingen niet helemaal overgenomen. Je hoopt wat teweeg te brengen met zo'n advies.
Jantine Kriens: Ik vind het belangrijkste dat het voor de eilanden zelf een inspirerend document is waarmee ze aan de slag kunnen om ervoor te zorgen dat ze de beïnvloeding naar het beleid neer kunnen gaan zetten. Dat heb ik in de gesprekken ook teruggehoord. We kunnen op papier zetten wat we willen. Ten tweede hebben we heel erg geprobeerd om ambtelijk binnen de departementen hier een gesprek over te hebben. Zijn er voldoende mensen en expertise binnen de departementen als er straks een nieuw kabinet is en dat de politieke wil heeft om dit op een andere manier neer te doen? Dat gesprek zullen we de komende periode misschien nog een aantal keren doen. Ik kan me voorstellen dat Jan Jacob nog een opinieartikel schrijft tegen de tijd dat de formatie aan de orde is. Dat we proberen om het in de publieke opinie neer te zetten. Dan houdt het voor ons op. Ze moeten het vooral zelf oppakken.
Marnix: Kluiters: Het zou fijn zijn als er in de formatie iets mee gedaan wordt.
Jantine Kriens: Zeker.
Marnix: Kluiters: Jan Jacob, er wordt je een opiniestuk in de voeten geschoven.
Jan Jacob van Dijk: Dat merk ik. Dat hoort erbij. Dat zullen we met veel plezier gaan doen. We moeten heel goed opletten. Mijn ervaring bij de formatie is dat iedereen op dat moment zijn boodschappen probeert te pluggen. Het kabinet moet met een kabinetsreactie komen. Ik ben heel nieuwsgierig wat dat is. Ik zou me kunnen voorstellen dat we naar aanleiding van die kabinetsreactie een opinieartikel schrijven om daarmee alsnog die kabinetsformatie te beïnvloeden. Laat eerst het kabinet zijn reactie geven.
Marnix: Kluiters:Ook na de formatie is het fijn dat er iets met dat advies gedaan wordt.
Jan Jacob van Dijk: Dat is een beetje de lijn die we als Rli in de komende periode sowieso meer willen volgen. We zien een advies niet als het eindstuk van ons werk, maar als het begin van de dialoog om stapjes verder te kunnen komen. We willen datgene wat we nu hebben neergelegd blijven bespreken met de BES-eilanden en de departementen hier om te kijken hoe we een stapje verder kunnen komen. Als er goeie argumenten zijn om te zeggen dat het meer de ene of andere kant op moet, is het de verantwoordelijkheid van de mensen om daar wat mee te gaan doen.
Marnix: Kluiters: Veel dank. Liesbeth, dank voor jouw komst. Jan Jacob en Jantine, dank voor het verhaal. Voor u, dank voor het luisteren.
Voice-over: Wil je meer weten over leefomgevingsvraagstukken?
Abonneer je dan op deze podcast en kijk op rli.nl, waar je onze adviezen kan downloaden.
Uitgeschreven tekst van Wie zorgt voor de leefomgeving?
In de eerste aflevering Wie zorgt voor de leefomgeving? van de Rli-podcastserie Lange lijnen in de leefomgeving gaat junior-raadslid Marnix Kluiters in gesprek met raadsvoorzitter Jan Jacob van Dijk, raadslid en commissievoorzitter Jantine Kriens en Karen van Oudenhoven-van der Zee, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over het in mei 2025 gepubliceerde advies ‘Falen en opstaan: naar een doeltreffende aanpak van problemen in de leefomgeving’.
Aflevering 1
Voice-over: De leefomgeving in Nederland staat onder druk. Op een beperkt aantal vierkante meters willen we wonen, werken en recreëren. Hoe maken we daar de juiste keuzes in? De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur geeft advies aan regering en parlement over deze complexe vraagstukken. In deze podcastserie van de Rli gaat junior-raadslid Marnix Kluiters op zoek naar context en antwoorden. Welkom bij ‘Lange lijnen in de leefomgeving’.
Marnix: Welkom bij deze eerste aflevering in de gloednieuwe serie ‘Lange lijnen in de leefomgeving’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. Vandaag gaan we in gesprek over het onlangs gepresenteerde advies Falen en opstaan. In Nederland lopen we er al decennia lang tegenaan dat er allerlei taaie vraagstukken in de leefomgeving niet worden opgelost. Wij hebben als Rli gekeken hoe dat wel kan door overheid, bedrijfsleven en de gemeenschap weer bij elkaar te brengen. Vandaag gaan we daarover voor het eerst in gesprek met de voorzitter van de raad: Jan Jacob van Dijk. Welkom Jan Jacob.
Jan Jacob: Goedemorgen.
Marnix: Wij hopen zo ook Jantine Kriens, voorzitter van de commissie, te verwelkomen. Zij is echter nog even vastgelopen in de infrastructuur in Nederland, maar zij zal halverwege het interview verschijnen. Rechts van mij Karen van Oudenhoven, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en ook hoogleraar. Karen, waar ben je hoogleraar van?
Karen: Ik bekleed een bijzondere leerstoel: Maatschappelijke Veerkracht, aan de Vrije Universiteit. Ik heb op 27 juni mijn oratie gehouden.
Marnix: Over veerkracht en gemeenschapszin. Hoe gemeenschappen van belang kunnen zijn om uiteindelijk als samenleving veerkrachtig te zijn. Zeg ik het goed zo?
Karen: Dat klopt. Dat vind ik het mooie in het voorgelegde advies van de Rli, dat die kracht van gemeenschappen daar een belangrijke rol in speelt.
Marnix: Ik wil graag even bij jou beginnen, want je geeft al een beetje antwoord op de vraag die ik jou zou willen stellen. Wat is je opgevallen aan het advies dat wij hebben geschreven?
Karen: Dat de positie van gemeenschappen in het advies een belangrijke rol speelt. Ik denk dat de inrichting van de leefomgeving heel mooi is omdat je wil dat burgers begrijpen wat voor keuzes daar gemaakt worden en zich onderdeel voelen van die keuzes. Tegelijkertijd zijn burgers ook experts die heel erg goed kunnen helpen bij de vormgeving van die leefomgeving, want zij leven daar immers. Je ziet ook dat burgers in collectieven actief zijn voor die leefomgeving.
Marnix: Het gaat al veel over gemeenschapszin en gemeenschappen. Wat is een gemeenschap volgens jou? Want daar heb je volgens mij ook wel een bepaalde mening over?
Karen: Ja, in het rapport wordt een gemeenschap gedefinieerd als het actief zijn rond vraagstukken rond de leefomgeving, ofwel proactief doordat burgers samen iets voor die leefomgeving doen, ofwel op het moment dat zij gevraagd worden om daarover mee te denken. In mijn eigen definitie zou ik het nog wat breder trekken, want mensen die iets gemeenschappelijk hebben, dat is een gemeenschap, en dat is de bredere Nederlandse bevolking. In die bevolking leven ook mensen die niet per se meteen actief zijn, maar die je ook graag in de buurt wilt houden. Die ook moeten begrijpen wat voor keuzes er gemaakt worden. In die zin denk ik dus dat het belangrijk is. Daar staan wel dingen over in het rapport, bijvoorbeeld door te benadrukken dat het uitgaan van waarden heel belangrijk is.
Karen: Aan de bredere gemeenschap uitleggen wat je vervolgens gaat doen, dus aan alle mensen die in Nederland wonen en de verschillende groepen in de samenleving, ook de wat meer kwetsbare groepen. Wat mij betreft is dat heel belangrijk.
Marnix: Er stond in jouw oratie een hele mooie zin, ik weet niet of ik hem letterlijk goed zeg: veerkracht en verbinding zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zou je kunnen toelichten hoe dat zit?
Karen: Mijn oratie gaat erg in op de samenleving in situaties van grote transities, maar ook op het moment dat we te maken krijgen met crisissituaties. De overheid geeft aan dat het niet ondenkbaar is dat we de komende jaren met crisis te maken gaan krijgen. Je hebt die bevolking dan nodig. Mensen zijn een belangrijke factor als er een overstroming is of als je met z'n allen anders moet gaan reizen of bewegen of anders moet gaan bouwen. Wanneer mensen onderling uit verbinding raken, als mensen uit verbinding raken met de overheid, en wij, als Sociaal en Cultureel Planbureau, zien dat dit op dit moment behoorlijk aan de orde is in Nederland, dan wordt het veel lastiger om als samenleving veerkrachtig te reageren op veranderingen en aanpassingen die nodig zijn tijdens crisissituaties.
Marnix: Ja. Jij bent directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ik moet altijd denken bij het Sociaal Cultureel Planbureau aan een instituut dat onderzoek doet naar hoe het met Nederland en met de Nederlanders gaat. Is dat een mooie samenvatting van wat jullie doen?
Karen: Dat klopt. Zo zeg ik het ook vaak, en zo zeiden mijn voorgangers het ook. Ik denk dat het goed is om toe te lichten bij hoe het met Nederland en met de Nederlanders gaat, dat het gaat over het welbevinden van individuen en verschillen in dat welbevinden. Wij zien gemiddeld genomen dat het in Nederland best goed gaat met mensen, maar dat daar grote ongelijkheid in is. Het tweede facet is hoe het tussen mensen gaat, dus wat is het sociale cement van onze samenleving? De derde factor is hoe staan burgers in verhouding tot de overheid? In de leefomgeving zijn natuurlijk alle drie de facetten relevant.
Marnix: Ja. Ik wil dan even naar jou, Jan Jacob. Dit was waarom wij graag met Karen in gesprek wilden gaan en waarom wij dit advies wilden maken. Zou je wat meer kunnen vertellen over het advies en de achtergrond? Waarom komt een advies over waarden terecht bij een raad die gaat over leefomgeving en infrastructuur? Waarbij je in eerste instantie misschien wat meer denkt aan energie, reizen, het soort zaken waar wij in het verleden ook ovrer hebben geadviseerd?
Jan Jacob: Dit is een belangrijk advies, maar het staat wel in een bepaalde tendens of in een bepaalde ontwikkeling die we in de afgelopen jaren doorgemaakt hebben. Je zou kunnen zeggen als het gaat over taaie, hardnekkige problemen, denk aan stikstof, energietransitie, fysieke leefomgeving, nou, een aantal technocratische oplossingen en klaar is kees. We komen er echter steeds meer achter dat het gedrag van de burgers en hoe ze daarmee om willen gaan, cruciaal is in hoe we dit soort dingen met mekaar zouden willen gaan doen. We komen er ook steeds meer achter dat een technocratische oplossing misschien wel eventjes op de korte termijn helpt, maar op de langere termijn zul je toch echt na moeten denken over wat eronder ligt.
Jan Jacob: Welke kant willen we echt op? Die technocratische oplossing is misschien wel dat hele kleine knopje waar je op microniveau iets mee zou kunnen doen. Je moet echter heel vaak drie niveaus daarboven een fundamentele keuze gaan maken, wat ertoe leidt dat je dan een echt goed antwoord gaat geven op de uitdagingen die er zijn.
Marnix: Ja, want het lijkt wel eens alsof er vanuit een soort zweem van objectiviteit en onafhankelijkheid en wat economisch gezien het beste zou zijn, technocratisch, heel veel beleid doorheen gedrukt wordt wat dan uiteindelijk verzandt. We hebben dat ook in Frankrijk gezien met de gele hesjes bijvoorbeeld, in Nederland met stikstofperikelen, maar dit leeft veel breder. De problemen worden hiermee niet opgelost, worden alleen maar voor ons uitgeschoven en worden daarbij ook veel groter, denk ik.
Jan Jacob: Dat komt ook omdat heel veel mensen denken dat we met een technocratische oplossing het probleem op een korte termijn hebben opgelost. Echter, negen van de tien keer loop je dan toch later in het traject ergens met de kop tegen de muur. Laat ik proberen om het met een praktisch voorbeeld uit te leggen. In de energietransitie is één van de elementen dat we zo snel mogelijk van fossiele brandstoffen af willen. Dat kan je doen door cv-ketels te vervangen door elektrische warmtepompen voor de verwarming van huizen. We hebben een subsidiemaatregel in het leven geroepen, iedereen die een elektrische warmtepomp wil hebben krijgt een subsidie van de rijksoverheid. De Algemene Rekenkamer heeft dat onderzocht en vindt dat op zich dat best aardig.
Jan Jacob: Alleen, als je dat nou ook doet in wijken waar collectieve warmtesystemen neergelegd zouden kunnen worden, ondermijn je de business case voor de collectieve warmetesystemen. Is dat wel verstandig? Zou je niet moeten besluiten om juist in die gevallen ervoor te zorgen dat de subsidie niet meer verleend gaat worden? De minister reageerde dat hij datgene wat hij naar voren brengt snapt, maar hij vindt de waarde, individuele keuzevrijheid zo belangrijk dat hij door blijft gaan met het verlenen van die subsidie. Daarop volgt dan de discussie omtrent de waardesystemen. Wat vind je belangrijker? Dat je uiteindelijk CO2-reductie, wat een collectief goed is, weet te bereiken of die individuele keuzevrijheid voorop moet laten staan? Dat gesprek is in de politiek nooit aan de orde geweest en volgens mij zou je dat gesprek juist wel moeten doen om op lange termijn die goede beslissingen te kunnen nemen.
Marnix: Is één van de grote problemen die daarbij speelt niet dat de consequenties van deze keuze, individuele vrijheid, niet meegewogen worden? Dat betekent dat een warmtenet waar iedereen van zou kunnen profiteren er dus niet komt als de business case niet haalbaar is?
Jan Jacob: Dat is inderdaad het gevolg als je niet expliciet zo'n waardendiscussie gevoerd hebt aan het begin of halverwege over hoe je dat zou moeten gaan doen. De keuze is dan niet optimaal en dan kom je er niet uit. Datzelfde geldt ook voor stikstof. Een ander element is volgens mij als groepen tegenover elkaar komen te staan die beiden vanuit eigen frustratie een bepaalde houding aannemen, dan gaat het niet meer over verbinden en welke waarden eronder liggen. Je weet dan zeker dat het een gepolariseerde discussie gaat worden waar je niet meer uitkomt. Dat is een belangrijke reden waarom we dit probleem nog steeds niet opgelost hebben.
Marnix: Die problemen landen in de leefomgeving, tegelijkertijd maak je het dan best wel concreet. In het advies hebben we het er ook over dat we meer van het hoe naar het waarom moeten bewegen, om uiteindelijk op de lange termijn het hoe beter te doen landen. Het waarom gaat in het advies over waardes, over belangen. Jij zegt dat we drie niveautjes hoger moeten gaan. Wat is dat precies?
Jan Jacob: Jij schrijft dat ook voor een deel in jouw oratie als het gaat over veerkracht en hoe je daar als overheid mee om zou moeten gaan. Als je van dag tot dag beslissingen hebt op microniveau, als je hele kleine dingetjes gaat doen, dan kun je wel hele kleine dingen gaan veranderen, maar negen van de tien keer zitten daar andere discussies onder. Laat ik het proberen helder te maken. De Nederlandse samenleving zegt dat Nederland vol is, er kan niets meer bij. Dat heeft voor een groot gedeelte te maken met het antwoord op de vraag: op welke manier willen wij met elkaar samenleven binnen deze gemeenschap? Als wij willen dat een bestelling, geplaatst om 12:03, geleverd wordt om 12:15, dan moet op elke hoek een plek zijn waar al die goederen beschikbaar zijn.
Jan Jacob: Dat vraagt iets van je leefomgeving. Als supermarkten 's morgens om 07:00 open moeten gaan en 's avonds om 10:00 dicht moeten gaan, in vergelijking met tien jaar geleden dat ze om 09:00 opengingen 's morgens en om 06:00 dichtgingen, doet dat iets met het aantal mensen dat daar werkzaam is. Dat zijn allemaal keuzes, vraagstukken die we toen niet aan de orde hebben gesteld, maar wel impliciet genomen hebben, en die hebben gevolgen voor waar we nu staan. Volgens mij moeten we dus het gesprek weer gaan voeren met elkaar. Hoe willen wij met elkaar samenleven in Nederland? Je zal zien dat het uiteindelijk consequenties heeft voor de inrichting van Nederland, als je daar het gesprek over voert.
Marnix: Ja. Waardes zijn één van die belangrijke zaken die we noemen. We moeten eerst kijken naar de waardes van mensen en de waardes die we als land willen nastreven. Wat is een waarde precies?
Jan Jacob: Dat is wel een hele ingewikkelde, want geef maar eens een goede definitie van het begrip waarde. Je zou kunnen zeggen dat het een uitgangspunt is van waaruit je gaat redeneren, hoe je kijkt als mens. Respect zou een waarde kunnen zijn, dus hoe mensen onderling met elkaar omgaan. Aandacht voor duurzaamheid zou een waarde kunnen zijn, voor een duurzame leefomgeving die aan meerdere generaties meegegeven wordt. Dat zijn waarden die, in mijn ogen, leidend zijn voor beleidsbesluiten die je daarna gaat nemen. Het is op grond van principes dat je beleidskeuzes gaat maken.
Marnix: Het is wat fundamenteler. Wij noemen het belangen in het advies, dat is wat meer in de tijd, in het moment zelf. Ik heb begrepen dat een waarde het verhaaltje is dat je jezelf vertelt, waarom je iets belangrijk vindt. Karen, misschien goed om even naar jou te gaan, want jij bent psycholoog van achtergrond. Kan jij ons hier meer over vertellen?
Karen: Ik denk dat een waarde ook iets ethisch heeft. Waar sta je voor met elkaar? Wat wil je met elkaar bereiken? Een belang gaat meer over er zelf beter van worden. Het kan veel meer ingegeven zijn door wat je voor jezelf beter wil, terwijl waarde veel breder is. Wat hier heel belangrijk is, de Amerikaans politiek filosoof Sandel zegt heel nadrukkelijk dat politiek bestuur in landen, in elk geval in westerse landen steeds meer afdrijft van een insteek op waarden. In een samenleving waarin mensen verschillende invalshoeken hebben, is er de angst dat die waarden met elkaar botsen. Bijvoorbeeld migratie. Het lijkt op dit moment dat groepen in de samenleving heel erg tegenover elkaar staan, en dan wordt het heel ingewikkeld om te gaan praten over waarden.
Karen: Het gevoel dat we er met elkaar niet uitkomen, terwijl mensen zelf vaak conflicterende waarden hebben als je hen in het onderzoek van SCP gaat bevragen over waarden als het gaat over klimaat en energietransitie. Ik wil heel graag voor mijn kinderen dat ze snel een huis vinden. Ik vind dan misschien dat vluchtelingen hier geen huis moeten krijgen, want dat doet iets met mijn kind. Tegelijkertijd vind ik dat mensen die niet veilig kunnen leven in hun thuisland een plek verdienen in onze samenleving. Als je daar dieper met mensen in gesprek over gaat, dan zie je dat de accenten verschillen in wat mensen uiterlijk zeggen. Je vindt echter veel meer overeenstemming als je de onderliggende waardesystemen aanraakt.
Karen: Wij horen mensen zeggen dat zij niet meer zo goed begrijpen wat de politiek aan het doen is. In de energietransitie krijg je dan weer wel subsidie voor je zonnepanelen en vervolgens weer niet. De samenleving is voor mensen moeilijk te lezen als je het hebt over wat we willen we met elkaar. Hoe we met elkaar willen samenleven en hoe we zaken in onze samenleving willen verdelen met elkaar. In een steeds lastiger te bevatten wereld is het voor mensen veel makkelijker te bevatten als je daar heel duidelijk over bent en uitlegt waarom je bepaalde maatregelen neemt. Vertrekken vanuit waarden en van daaruit uitleggen waarom je bepaalde stappen zet en mensen daarin betrekt, helpt heel erg om de samenleving makkelijker te lezen te maken en daarmee mensen grip te geven op hun bestaan.
Jan Jacob: Ja. In het adviestraject werd dat element, waarden, besproken. In de raad hebben we daar blijkbaar een mooie discussie over gehad. We moeten meer die waardendiscussie doen. Er ontspon zich een discussie, want voor een deel was dat de angst, of een waardendiscussie ook niet tot een stuk polarisatie leidt. De historicus James Kennedy zei dat hij het snapt en dat het moed vergt om het met mekaar te gaan doen. In de Nederlandse geschiedenis is het moment waarop we cruciale wijzigingen in de Nederlandse geschiedenis hebben gehad, het moment dat we een goede waardendiscussie met mekaar zijn gaan voeren. Hij gaf dus nadrukkelijk aan dat je de koe bij de horens moet vatten, het beest in de bek moet kijken om dat op een goede manier te gaan doen. Hij gaf ook aan ook dat dit moed vergt en kunst en vaardigheid. Hoe kijk jij daarnaar?
Karen: Dat is heel mooi, want ik ben James Kennedy inderdaad veel tegenkomen in eerdere fasen.
Marnix: Het is wel belangrijk, want jullie kennen hem allebei, maar er luisteren natuurlijk mensen mee die James Kennedy niet kennen. Zou je even in het kort, in een notendop kunnen vertellen wie en wat hij is?
Karen: James Kennedy is een heel bekend historicus die heel veel onderzoek heeft gedaan naar hoe je verbinding creëert in de Nederlandse samenleving. Hij gaat hierbij uit van een historisch perspectief daarop. Ik denk dat het inderdaad klopt wat hij aangeeft, dat die spanningen heel belangrijk zijn, om die niet uit de weg te gaan. Ze zijn niet opgelost omdat je ze uit de weg gaat. Als je uitgaat van een ontmoeting tussen verschillende waardesystemen, dan vind je vaak een soort gemeenschappelijke bodem en soms niet. Als je burgers in groep in gesprek laat gaan met elkaar over de waarden die voor hen belangrijk zijn, dan zie je dat er meer empathie is voor de waarde van iemand anders. Vervolgens kan je richting oplossingen kijken.
Karen: Zijn er bepaalde waarden die je met elkaar kunt verbinden, van waaruit je toch tot oplossingen kunt komen? Ik denk dus dat het openlijk bespreken van waarden, met elkaar daarover in gesprek gaan ontzettend helpt. Ook om te constateren dat we hier misschien niet uitkomen, maar toch met elkaar te definiëren wat we als vertrekpunt nemen op het moment dat we met beleid aan de slag gaan.
Marnix: Het interessante is dat, als we niet kiezen, dat in feite ook een keuze is waar wel degelijk waarden achter zitten. Je komt dan bijvoorbeeld bij de meer economische of technocratische beredeneringen uit. De WRR heeft daarover geadviseerd met haar rapport over rechtvaardigheid en klimaatbeleid. Is dat misgegaan door er niet over te praten en, onderliggend, daar waardes achter te laten zitten?
Karen: Economische uitgangspunten zijn dominant en dit heeft niet alleen te maken met het aspect waarde, maar het is wel een belangrijk facet, want het is nu eenmaal gemakkelijker om dingen door te rekenen. Wij, als Sociaal en Cultureel Planbureau, merken ook dat de dingen die wij zeggen vaak net iets lastiger in modellen te vatten zijn. Als je dus het gesprek over waarden aangaat, dan moet je accepteren dat je dat niet in beton kunt gieten, dat je met elkaar een kwalitatief gesprek voert. Dat is lastiger, want daar zijn wij niet voor opgeleid.
Marnix: Nee. Jan Jacob, ik denk dat dit één van de analyses is welke in het advies naar voren komt als iets wat misgaat. Bijvoorbeeld, in de discussie om stikstof stond er in het rapport dat allerlei andere waarden zoals ondernemerschap, maar ook natuur een beetje onderbelicht zijn geweest. Misschien dat jij daar beter antwoord op kan geven, omdat we voor een probleem kwamen te staan dat we op de snelste en simpelste manier zijn gaan oplossen, waardoor het uiteindelijk oneindig complex werd.
Jan Jacob: Het vraagstuk rond stikstof bestaat uit verschillende waarden. Er is inderdaad het element van een agrarische sector. Op één of andere manier wordt die door het systeem min of meer gedwongen. Zij moeten produceren en zij moeten ervoor zorgen dat er enig rendement komt op de investeringen die zij doen. Er wordt dan gekeken op welke manier zij zo snel mogelijk toch enige winst kunnen maken of enig profijt kunnen hebben van het geheel wat er is. Tegelijkertijd zien we dat een waarde als een goede, gezonde leefomgeving inclusief een goede natuur, ook een belangrijk gegeven is. Grote groepen van Nederland vinden dat belangrijk. Buiten dat is er ook nog een stukje Europese wet en regelgeving, waar we zelf aan bijgedragen hebben, om ervoor te zorgen dat op het een goede manier beschermd wordt.
Jan Jacob: We weten al 20 jaar dat we het één en ander ermee moeten doen en het is knap ingewikkeld om dat voor elkaar te krijgen. Nu zien we langzamerhand dat we ergens op een moment gaan uitkomen dat we moeten gaan leveren en dan zie je dat er groepen harder tegenover elkaar komen te staan vanuit frustratie. Dat snap ik heel erg goed. Zegt Tjeerd de Groot op een bepaald moment: Ik wil dat er nu echt iets gaat gebeuren, volgens mij moeten we 50% van de veestapel afhalen. Dat is binnengekomen bij de agrarische bevolking als zou hij totaal geen oog hebben voor hetgeen zij in de afgelopen periode gedaan hebben. Ze hebben op bikkelhard gebuffeld, ze zitten in een systeem waar ze niet uit kunnen. Tegelijkertijd snapt die agrarische sector onvoldoende dat Tjeerd de Groot dit element naar voren heeft gebracht omdat hij ook gefrustreerd is over het weinig zichtbare resultaat van wat zij in de afgelopen periode gedaan hebben.
Jan Jacob: Het zijn dus twee groepen die met hun uitlatingen over en weer bijna niet meer in staat waren om nog twee slagen dieper te gaan praten over wat nou die waarden zijn die eronder liggen. Waar kunnen we die waarden dicht bij elkaar brengen om ervoor te zorgen dat we in ieder geval weer een stukje van het gesprek krijgen? Ik denk dat het dat element is waar het is misgegaan. Aan wie het precies gelegen heeft is niet interessant, maar je zou toch weer met mekaar het gesprek op gang moeten brengen. Hoe zorgen we ervoor dat we een agrarische sector krijgen die past binnen een gezonde leefomgeving, volgens de normen zoals we die met mekaar zouden moeten hebben?
Marnix: Ja, voor we het weten gaan we het de hele tijd over de agrarische sector hebben.
Jan Jacob: Nee, dat moet niet.
Marnix: Ons bestrijk is natuurlijk veel breder, want wij hebben dit rapport of dit advies niet uitgebracht vanwege de agrarische sector, maar omdat we dit fundamenteel mis zien gaan in allerlei verschillende discussies die landen in de leefomgeving. Ongeacht het nou de woningmarkt is of alle andere dingen.
Karen: Er is een algemene neiging geweest en een hele beweging, het New Public Management, waarin economische overwegingen, maar ook technische overwegingen dominant zijn geweest bij het nadenken over de vraagstukken om een zo goed mogelijk systeem te bouwen. In deze tijd van grote transities, van complexe uitdagingen, zie je dat het economische, het ecologische en het menselijke heel nauw in elkaar grijpen. Dat je er niet meer komt met een benadering waarin je doorrekent, waarin je zoekt naar wat technisch de beste oplossing is. Wij, als Sociaal en Cultureel Planbureau, zien dat wij aanvankelijk vooral werden uitgenodigd door de Ministeries van Onderwijs, van Volksgezondheid en van Sociale Zaken.
Karen: Wij worden echter steeds vaker ook uitgenodigd door departementen die veel meer op die leefomgeving zitten, op technische vraagstukken. Zij merken dat als je niet aan de voorkant nadenkt over mens en maatschappij, de oplossingen uiteindelijk niet op de juiste manier gaan landen. De complexiteit van vraagstukken, maar ook het feit dat er niet één beste antwoord is, maken dat je die mensen nodig hebt. Ik denk dat dit advies daar ook wel op een hele mooie en goede manier op inhaakt, want we moeten manieren bedenken om dat te doen. Wij zijn bijvoorbeeld ook met de andere planbureaus in gesprek over brede welvaart, om bij alle vraagstukken die voorliggen vanaf het begin te kijken wat de ecologische component ervan is, wat de sociaal-maatschappelijke component is en wat de economische component is, want je hebt ze alle drie nodig.
Marnix: Ja, om uiteindelijk het beleid te laten landen. Jan Jacob, ik denk dat wij daarin ook wel analyseren dat de verhouding tussen bedrijfsleven, overheid en gemeenschap uit het lood geslagen is en in ieder geval veel beter zou kunnen?
Jan Jacob: Ja, die zou veel beter kunnen. Wat dat betreft hebben wij vrij kort geanalyseerd. In de periode direct na de Tweede Wereldoorlog regelden en organiseerden in belangrijke mate de gemeenschappen en de samenleving heel veel dingen zelf. Door de ontzuiling hebben wij gezien dat de overheid een veel dominantere rol heeft gespeeld in de jaren '60 en '70. In de jaren '80 en '90 is die verantwoordelijkheid voor het realiseren van publieke doelen steeds meer bij de markt terechtgekomen, zeker op het terrein van de leefomgeving. Als het ging over duurzaamheid, dan dachten we dat de markt dat wel op een goede manier zou kunnen doen via beprijzing en dat het dan uiteindelijk wel goed zou komen.
Marnix: Ligt dat ook in lijn met wat Karen zegt over New Public Management? Is het een trend om vanuit de overheid bedrijfsmatig naar publieke taken te kijken?
Jan Jacob: Ja. De politiek vond het, eerlijk gezegd, ook wel handig dat zij niet hoefden te normeren. Het bedrijfsleven nam nu min of meer die verantwoordelijkheid op zich. De overheid hoefde dan geen onaangename maatregelen te treffen. We zien dat die markt, het bedrijfsleven...
Marnix: Ja, want jij noemt markt en bedrijfsleven door elkaar en dat blijft altijd wel een worsteling. Voor je het weet heb je het alleen maar over de markt, terwijl het bedrijfsleven ook op een goed ingebedde manier voor veel waarde kan zorgen.
Jan Jacob: Ja. Sterker nog, die waarde moet je zeker niet onder stoelen of banken steken en moet je waarderen. Alleen wanneer het gaat over de realisatie via een marktmechanisme voor elk publiek doel, dan komen we erachter dat het knap ingewikkeld is. We zien, als het gaat over bijvoorbeeld duurzaam geproduceerde producten, dat om en bij de 10 tot 15% van de consumenten in staat zijn, het willen en bereid zijn effectief aankopen op dat terrein te gaan doen, maar nog steeds 80 tot 85% van de Nederlandse bevolking het niet doet. Via het marktmechanisme bereik je dus onvoldoende je publieke doelen. Wij zeggen in het advies dat die verhoudingen weer wat meer met elkaar in evenwicht moeten gebracht worden. De overheid moet uiteindelijk het instrument van beprijzen, maar ook het normeren wat steviger en wat meer gaan gebruiken om de publieke doelen te realiseren.
Jan Jacob: Dat is dus eentje. De tweede is gemeenschappen vooral ook ruimte bieden. De gemeenschappen ruimte bieden om hun eigen initiatieven, hun eigen goede producten op tafel te leggen of goede diensten te leveren. Ga daar als overheid niet boven staan, ga er ook niet tegenover staan, maar ga er vooral naast staan. Op welke manier kun je die initiatieven op een goede manier een stapje voorwaarts brengen?
Marnix: We hebben het nu over die drie begrippen en iedereen weet wel een beetje wat dat is, maar waar moet ik concreet aan denken als je gemeenschappen ruimte moet geven? Hoe hebben wij een gemeenschap gedefinieerd?
Jan Jacob: Een gemeenschap is een groep van mensen, maar daar komen we straks nog weer bij Karen uit, die daar in het begin ook een ietsje andere definitie aan gaf. Wij kennen een gemeenschap vooral als een groep van mensen die samen een bepaald doel willen nastreven, initiatieven willen ontplooien, om concrete stappen te zetten. We hebben adviserende en creërende gemeenschappen. Een belangrijke vorm van een creërende gemeenschap is bijvoorbeeld een energiecoöperatie, die met elkaar initiatieven neemt. Windmolens neerzetten of ervoor zorgen dat er zonnepanelen worden neergelegd of dat er verduurzaming van de woningen gaat komen, dat is een gemeenschap.
Marnix: Kan het ook gaan om de straat? Ik woon in Den Haag, ik heb nauwelijks contact met mijn buren. Er wonen wat vrienden, daar heb ik wel contact mee, maar die kende ik al daarvoor. Ik ben opgegroeid in Bunnik, daar hadden we af en toe straatfeest en daar kende ik iedereen. Ik durfde ook zo ergens aan te bellen als mijn ouders niet thuis waren en ik een blauwe plek had. Ik had bij iedereen aan kunnen bellen en dat ervaar ik nu minder. Ik kan het misschien wel doen, er zijn vast een hoop aardige mensen die me willen helpen. Kan het de straat zijn? Kan het ook het hele dorp of de hele stad zijn? Hoe ver gaat dat?
Jan Jacob: Gemeenschap is een heel breed en dynamisch begrip, om het zo te zeggen. Als burger maken we van heel veel verschillende gemeenschappen deel uit. Sommigen zijn wat geïnstitutionaliseerd in de vorm van een stichting of een coöperatie of een vereniging. Anderen zijn losse verbanden waarin je op een goede, informele manier contact met elkaar hebt om een aantal dingen te gaan doen. Dat zijn verschillende vormen van gemeenschappen. Volgens mij moeten we hier geen harde definitie willen neerleggen, of pleiten voor die gemeenschap of voor die andere. We moeten zorgen voor zoveel mogelijk dynamiek vanuit de samenleving, dat we die zoveel mogelijk ruimte moeten geven om het één en ander te gaan doen. Eén zorg daarbij is om niet de sterkste automatisch degene te laten zijn die alles regelt en naar zijn hand weet te zetten.
Marnix: Ja. Ik wil zo door naar Karen, want die kan daar volgens mij heel veel interessante dingen over zeggen, ook vanuit haar oratie. Ik wil echter ook naar de titel van ons rapport: Falen en opstaan. Eén van de dingen die wij volgens mij daarin ook aangeven is dat we falen, omdat de gemeenschap niet de ruimte krijgt om te doen waar het goed in is, terwijl het juist zou kunnen zorgen voor opstaan.
Jan Jacob: Ja. Opstaan van de samenleving om een aantal dingen te gaan doen waarin we ook weer proberen om als overheid naast die gemeenschappen te gaan staan, om hen weer een stapje verder te helpen. Soms zijn er initiatieven vanuit een samenleving die gefrustreerd wordt door een overheidshouding en dat is falen. Als de overheid daarin een andere houding zou kunnen aannemen, kunnen we ervoor zorgen dat die particuliere initiatieven ook weer gaan opstaan.
Marnix: En heb je daar concrete voorbeelden bij? Je hebt al een heel aantal concrete voorbeelden genoemd, maar ik kan me voorstellen dat hier ook concrete voorbeelden voor zijn?
Jan Jacob: Een energiecoöperatie moet zich af en toe aan wet- en regelgeving houden die vergelijkbaar is met datgene wat Nuon zou moeten doen, of Vattenfall heet dat tegenwoordig, dan wel Essent, als het gaat over verantwoording van alle gegevens. De ene is een organisatie met een omzet van miljarden en de andere is een club die misschien twee of drie windmolens beheert. Dat is een andere impact, ga daar dan ook op een wat flexibelere en vriendelijkere wijze mee om.
Marnix: Jantine Kriens, jij zat vast in het treinnetwerk, maar je bent ook bij ons aangeschoven. Welkom. Je bent commissievoorzitter. Ik ga zo met jou verder, maar ik wil eerst nog even door op waar we gebleven waren met Jan Jacob. Karen, ik wil door naar jou, want ook vanuit jouw oratie sluit het volgens mij heel mooi aan. We hadden het over falen en opstaan, net de titel van het rapport. Hoe kijk je naar dit waar we net geëindigd waren?
Karen: Falen en opstaan gaat over leren en experimenteren. In de literatuur over veerkrachtige organisaties wordt dit gekenmerkt door een sensitiviteit voor wat er in de omgeving gebeurt, wat er bij mensen leeft en aan de andere kant hun vermogen tot leren. Falen en opstaan is daarom zo vreselijk belangrijk. Het is interessant om te zien dat het voor de overheid best lastig is om een lerende organisatie te zijn. De gemeenschappen zijn daar veel beter in, omdat zij veel meer antennes hebben in de samenleving en ook in staat zijn om veel sneller te schakelen als de situatie daarom vraagt. Hun creërend vermogen is groter. Ik denk daarom dat het goed is dat de overheid die ruimte, waar we het net over hadden, ook geeft. Ze kan dan, daar waar zij het zelf moeilijk vindt om te leren en sensitief te zijn, andere actoren in de samenleving stimuleren om dat wel te zijn, waardoor we daar met z'n allen uiteindelijk van profiteren.
Marnix: Bedoel je dan dat de tolerantie voor falen in gemeenschappen groter is omdat je de mensen misschien kent? Dat er richting de overheid een minder grote tolerantie is voor dingen die fout mogen gaan?
Karen: Daar waar burgers zich gezamenlijk inzetten voor iets is dat veel meer gedreven door passie, inzet voor het lokale. Dat zijn informelere organisaties die veel minder last hebben van verantwoording voor regels, die minder vastzitten in systemen, in hiërarchie, en dat type organisatie leert gemakkelijker.
Marnix: Die kant kan dus ook een versterking zijn van de overheid, het bedrijfsleven en de gemeenschap waarin het functioneert?
Karen: Ja, want het rapport geeft een aantal adviezen aan de overheid over haar functioneren. Die adviezen zijn heel waar, maar we weten ook dat de overheid al best een hele tijd bezig is om het anders en beter te doen. Dat gaat heel langzaam vooruit, dus ik denk dat het kapitaliseren op de kracht van een ander type actoren ook geldt voor het bedrijfsleven, die ook sneller kan schakelen en ook sensitiever kan zijn. Gebruik die actoren daar waar je zelf het leren nog niet goed voor elkaar krijgt.
Marnix: Zeker. Een gemeenschap kan dus zorgen voor veerkracht of verbinding. Je had het in je oratie over drie verschillende typen, over coping, adaptatie en uiteindelijk transformatie. Wat zijn de verschillen tussen die drie? Waarom is het belangrijk om die uit elkaar te trekken?
Karen: Het is denk ik de manier waarop je reageert op een ontwrichting. Die moet goed aansluiten bij het niveau van die ontwrichting en wij doen dat niet altijd op het goede niveau. Stel dat ik een bal door de ruit van mijn huis krijg, moet ik een bedrijf bellen dat de ruit repareert en dan is het probleem opgelost. Ik hoef daar geen verregaande maatregelen voor te nemen. Een jaar geleden is door hoogwaterstand mijn souterrain niet onder water gelopen, maar in elk geval heb ik vochtproblemen gehad. Je komt dan een niveautje hoger. Ik kan de problemen en de schade die ik in mijn souterrain heb aanpakken, maar ik wil ook voorkomen dat het nog een keer gebeurt. Dat noemen we dan adaptatie. Dat betekent dat je niet alleen de schade oplost, maar dat je ook iets leert van wat er gebeurd is. Dat je probeert te voorkomen dat een volgende keer die schade opnieuw optreedt.
Marnix: Dat betekent bijvoorbeeld dat we de dijken gaan verhogen, zodat er geen overstroming plaatsvindt, als je het hebt over zeespiegelstijging?
Karen: Ja, en het derde niveau is transformatie. Er zijn plekken in Nederland waar je misschien beter niet kan bouwen, omdat de kans groot is dat huizen overstromen. Dat betekent dat er bij het nadenken over de inrichting van de publieke ruimte er veel meer rekening moet worden houden met dat soort ontwikkelingen richting de toekomst. Dat je daar ook op een andere manier invulling aan geeft. Hetzelfde geldt voor ons eetpatroon. Als wij vanwege duurzaamheid anders moeten gaan consumeren, dan is het belangrijk om heel systematisch na te denken. Hoe ziet dat er dan uit en hoe kunnen we ons aanpassen aan die veranderende omstandigheden op een manier die richting de verre toekomst ook tot welbevinden leidt?
Marnix: Vind je dan dat we de verkeerde middelen voor de verkeerde situaties inzetten? Op het moment dat er een overstroming is, dan moeten we zorgen dat iedereen gered wordt, dan is coping niet slecht.
Karen: Natuurlijk. Alleen hebben mensen de neiging om zo weinig mogelijk te veranderen. We hebben dus de neiging om in dezelfde systemen te blijven zitten als we een probleem tackelen. Als we dat steeds blijven doen, dus als ik iedere keer de verzekering bel en de wanden van mijn souterrain opnieuw schilder, dan wordt het daar niet beter van, dan jaag ik de verzekering op kosten. Op een gegeven moment gaat de verzekering dat niet meer vergoeden. Je blijft dan ronddraaien in een systeem dat op de lange termijn het probleem feitelijk niet oplost. Wij zullen anders moeten omgaan met onze mobiliteit, we zullen anders moeten omgaan met de inrichting van onze leefomgeving. We zullen anders moeten nadenken over hoe we huizen bouwen, omdat de samenstelling van gezinnen verandert. Als we dan steeds mensen blijven proppen in dezelfde huizen, andere types van gezinnen, dan los je de problemen niet op.
Marnix: Nee. Jantine, ik wil ook even naar jou, want wat ik een beetje proef en dat hoor je ook wel, de maatschappelijke tendens is dat regeren niet meer vooruitzien is, maar vooral reageren wordt. Volgens mij heb je daar wel ideeën bij en gaat het advies daar ook heel erg over?
Jantine: Ja, regeren is natuurlijk vooruitzien, maar je ziet dat we dat niet meer zo goed kunnen. Wat wij hebben geprobeerd te laten zien in ons advies is dat die grote keuzes die nodig zijn om op de lange lijnen te kunnen zitten, om keuzes voor de toekomst te maken, dat die grote keuzes niet meer gemaakt worden. De zoektocht naar hoe je die wel gaat maken zit hem voor een deel in de veerkracht van gemeenschappen, wat Karen zojuist al zei. Het probleem is dat we niet meer weten dat politiek daar begint. We zijn gaan denken dat politiek begint bij partijpolitiek. De partijen zijn helemaal niet in staat om keuzes te maken als ze niet kunnen denken vanuit gemeenschappen. Wat hebben die gemeenschappen nodig om niet alleen adaptief te zijn, maar ook die stap verder te kunnen zetten en echte transformaties te realiseren?
Jantine: De partijpolitiek is een soort los van politiek geworden in gemeenschappen en dat heeft ertoe geleid dat je die keuzes niet maakt. Onze zoektocht is geweest wat daarbij nodig is. Daar is iets voor nodig van ons allemaal, van gemeenschappen. Dat we beseffen dat we niet in een supermarkt zijn waar we nooit pakketten uit het schap moeten halen, maar dat we een gemeenschap met elkaar zijn. Als je drie dagen een noodpakket hebt gehad en je komt je deur uit, dan heb je buren, een gemeenschap nodig om er vervolgens voor te zorgen dat je weer een samenleving op kunt bouwen, wat de zoektocht is. Als je ziet hoe we het ambtelijk hebben georganiseerd, dan lijkt het een beetje alsof heel veel naar boven georganiseerd is. Hoe zorgen we ervoor dat het parlement en die minister kunnen doen wat ze moeten doen?
Jantine: Misschien is dat niet het enige wat er moet gebeuren. De ambtenarij zou veel nadrukkelijker de verbinding met die gemeenschappen moeten kunnen maken. Leren van de veerkracht van gemeenschappen en de condities voor versterking daarvan neerzetten. Vervolgens ook de politiek die niet vanuit technocratie zou moeten redeneren in onze redenering, maar die weer zou moeten redeneren vanuit waarden. Ik heb zelf ook in de politiek gezeten, maar ik ben ervan overtuigd dat de enige toegevoegde waarde die je hebt is dat je die waardendiscussie kunt voeren . Dat je kunt zeggen vanuit de waarden rechtvaardigheid, gemeenschap, solidariteit, welke waarde het ook is, om vanuit dat gesprek met elkaar, zowel ambtelijk, samenleving als ondernemers, richting te maken. Dat kun je niet vanuit technocratische oplossingen over mollen en weet ik veel wat.
Marnix: Je hebt het dan al over hoe je transformatie zou kunnen faciliteren, tegelijkertijd noem je ook dat noodpakket. Dat is wel een heel mooi voorbeeld, omdat in de naam verweven zit hoe dat te maken heeft met coping en dat we ons misschien wel klaar aan het maken zijn voor een copingsituatie. Ik hoorde laatst iemand zeggen dat je niet één noodpakket moet hebben, dat je er drie moet hebben. Als er een keer iemand aanbelt, dan kun je diegene ook helpen. Er wordt zoveel gedacht vanuit efficiëntie, terwijl we eigenlijk zouden moeten gaan naar een stukje overcapaciteit, zodat we er ook voor elkaar kunnen zijn.
Jantine: Ja, er wordt gedacht vanuit efficiëntie. Misschien is het helemaal niet zo efficiënt, want misschien is het wel veel efficiënter om er drie te hebben, als metafoor dat je ook een ander moet kunnen helpen. Het is altijd prachtig in noodsituaties, hoe cynisch dat ook is, de overstromingen in Zeeland of wat er in Limburg gebeurde vorig jaar of in Gelderland, de ontroering zit hem wat mij betreft altijd in het feit dat mensen dan zoveel kunnen met elkaar. Er zijn altijd mensen die leiderschap tonen, die laten zien dat een transformatie nodig is. Dat weten te pakken, dat te zien, dat weten op te pakken, dat is wat we nodig hebben.
Marnix: Ja. Jan Jacob, hoe kijk je daarnaar vanuit het bredere geheel en de toevoeging vanuit het verschillend inzetten van coping, adaptatie en transformatie?
Jan Jacob: Ik denk dat wij in onze adviezen steeds meer proberen duidelijk te maken dat coping inderdaad noodzakelijk is op sommige terreinen, maar dat het niet los gezien kan worden van adaptatie en transformatie. In onze adviezen die we de afgelopen jaren naar voren hebben gebracht, hebben we steeds meer laten zien dat je de waardendiscussie fundamenteel moet gaan voeren. Als je dat niet gaat doen, ga je elke keer kleine stapjes zetten en er uiteindelijk niet komen. We zullen dus veel meer dat transformatieve aspect gaan benadrukken. Om die reden hebben we het nu één keer heel expliciet gedaan, maar in alle volgende adviezen, dat merken we ook nu al in de discussie in de raad, zullen deze elementen weer terugkomen.
Marnix: Ja, want wij hebben, Karen noemde net al, brede welvaart. Er zijn gelukkig steeds meer mensen mee bezig. Wij hebben daar ook een advies over geschreven. Daar zit dit eigenlijk ook al in, want dat is een ware discussie an sich.
Jan Jacob: Dat is een ware discussie. Helder op tafel, wat we in dat advies hebben gedaan is breder kijken dan alleen maar naar het financieel-economische, wat Karen net ook zei, datgene wat je makkelijk kunt meten in modellen. Als jij je daartoe beperkt, dan vergeet je een deel van de werkelijkheid. Je moet dus ook kijken naar wat dat betekent voor de cohesie in een samenleving. Wat dat betreft is het advies ‘elke regio telt’ buitengewoon boeiend, daar hebben we natuurlijk heel veel aandacht aan besteed. Je moet ook kijken wat het betekent op het terrein van natuur, een gezonde leefomgeving. Allemaal onderwerpen waar we in de komende periode mee aan de gang gaan. Wij proberen met dat advies brede welvaart, die bredere dimensie op tafel te leggen.
Jan Jacob: We zeggen daarbij uitdrukkelijk dat je niet alles tegelijkertijd kunt bereiken op dit terrein. Je zult op een bepaald moment keuzes moeten maken, maar wees transparant op welke manier je de keuzes hebt gemaakt en waarom je tot die afweging bent gekomen. Dat is een belangrijke taak die wij in de komende periode met nieuwe adviezen naar voren zullen brengen.
Marnix: Het waarom is dus heel erg belangrijk om mee te nemen. Als je ergens woningen wil bouwen en daar staan bomen, dan zul je inderdaad toch moeten kiezen.
Jan Jacob: Dat klopt, dan zul je moeten kiezen. Is het belang van die bomen van hogere waarde dan het feit dat je misschien een aantal woningen gaat bouwen? Tegelijkertijd, datgene wat Karen net aangaf, als het gaat over woningen gaan bouwen waarvan je weet dat de verzekeringsmaatschappij de komende jaren forse bedragen moet gaan uitkeren omdat die kelder of de eerste verdieping elke keer onderloopt, dan moet je daar een goede discussie over gaan voeren.
Marnix: Ja, wij hebben natuurlijk een bepaald oordeel, we zijn een adviesraad, maar dat stopt ook ergens. Het is dan aan de politiek om er wat mee te doen. Hoe ver gaat dat?
Jan Jacob: Wij brengen een advies uit en daar krijgen wij altijd een kabinetsreactie op. Dat kan enige maanden duren, maar daar komt een kabinetsreactie op. Wij hopen, en dat is het doel van hetgeen wij gaan doen, dat er een maatschappelijke discussie op gang komt op basis van de adviezen die wij naar voren hebben gebracht. Wij proberen het onder de aandacht te brengen bij het parlement zodat daar een goede discussie over gevoerd gaat worden. Wij proberen ook met publieksbijeenkomsten de discussie op gang te brengen. Dat is hetgeen wat wij gaan doen. Wij zijn buitengewoon nieuwsgierig naar de kabinetsreactie, want dat zou ook weer een aanleiding kunnen zijn om het verdere gesprek te gaan voeren. Wat dat betreft, misschien is het nog goed, Marnix, om dat als laatste noemen, wij zien het uitbrengen van het advies als het begin van een dialoog.
Jan Jacob: Niet als een eindpunt, maar als het begin van een dialoog om hierover verder het gesprek te blijven voeren. Het kan heel goed zijn dat wij sommige dingen hebben opgeschreven met de kennis die wij hadden en wanneer we daar na een jaar op terugblikken, denken dat het ietsje anders had gemoeten. Dat kan, daar staan we open voor.
Marnix: Zeker. We gaan zo afronden, maar ik ben nog heel even benieuwd naar Karen. Denk je dat het begin van een dialoog een goed idee is? Hoe kijk je daarnaar?
Karen: Ik denk zeker dat het een goed idee is. Het is ook mooi om te vertellen dat wij Sociale en Cculturele Ontwikkelingen hebben uitgebracht begin dit jaar. In de kabinetsreactie wordt benadrukt dat onze oproep om meer in gemeenschapszin te investeren omarmd wordt door het kabinet. Het begin van de dialoog ligt er. Wat ik nog belangrijk vind en wat ook in vervolg nog extra aandacht zou kunnen krijgen, is ongelijkheid. Je kunt zeggen dat mensen moeten zorgen dat ze drie noodpakketten in huis hebben om een ander te helpen. Ik denk dat we buiten de crisistijd en rond transformaties met elkaar moeten oefenen om te zien welke hulpbronnen die mensen hebben. Mensen die weinig hebben, die hebben hulpbronnen die mensen die veel hebben kunnen gebruiken en van kunnen leren.
Karen: Hoe kunnen we de verbindingen maken tussen de rijkere en minder rijke gemeenschappen, om op die manier met z'n allen veerkrachtig te zijn? We kunnen pleiten voor gemeenschappen, maar daar ligt echt nog wel een uitdaging omdat onze samenleving gescheidener raakt. Juist veerkracht is gebaat bij verbindingen over groepsgrenzen heen waarbij mensen elkaar vinden.
Marnix: Ja, dus die diversiteit daarin is belangrijk. Er zit dan waarschijnlijk in die diversiteit een rijkheid aan vaardigheden, kennis, kunde?
Karen: Ja, en dat onderkennen we soms niet. Ik heb zelf op de Vrije Universiteit gewerkt als Chief Diversity Officer. Ik ben opgegroeid in Friesland, daar was niet zoveel diversiteit. De studenten uit Amsterdam Nieuw-West hebben mij gigantisch veel geleerd over de gemeenschap waar zij uitkwamen. Dat is ook leren. Soms kijken we vanuit één invalshoek en ik denk dat we vanuit meerdere invalshoeken moeten kijken naar wat mensen te brengen hebben en wat ze bij andere mensen te halen hebben. Daarin kunnen we als samenleving veel krachtiger opereren.
Marnix: Wat je eigenlijk bijna tussen neus en lippen door zegt, is dat het belang van ervaringskennis misschien wel wat meer benut zou mogen worden?
Karen: Zeker. Ik denk dat het rapport dat ook wel impliceert, want er wordt gezegd dat er een andere, en daar hebben we het nog niet zo over gehad, Kim Putters noemde dat altijd sociaal contract, rolverhouding nodig is tussen burgers, bedrijfsleven en overheid. Waarin ieder vanuit zijn eigen achtergrond expertise inbrengt en waarin die gelijkwaardigheid en die uitwisseling heel erg centraal staat. We hebben dat in andere vormen, in andere publicaties aangegeven, dat het in de verdere dialoog z'n plek zou moeten krijgen, ook in de dialoog met de overheid.
Marnix: Ja. Jantine, ik wil nog even naar jou voor de afsluiting van het interview. Wat hoop je dat er met dit advies gedaan wordt in een periode van een aantal jaar? Stel, we zouden dat doen, wat verandert er dan ook daadwerkelijk, concreet?
Jantine: Wat er dan zou moeten veranderen, dat we de regelgeving heel wat minder complex hebben gemaakt. Dat we heel veel goede ambtenaren hebben die heel goed in staat zijn om samen met gemeenschappen te creëren en dingen op een andere manier te doen. Het allermeeste hoop ik dat we strakjes verkiezingen hebben en dat het ertoe zal leiden dat er politieke partijen zitten die het lef hebben om een aantal keuzes te maken.
Marnix: Vanuit waarden.
Jantine: Vanuit waarden uiteraard, want daar is de politiek van.
Marnix: Ja, dank voor deze afsluiting. Dank voor jullie komst allemaal en u bedankt voor het luisteren.
Voice-over: Wil je meer weten over leefomgevingsvraagstukken?
Abonneer je dan op deze podcast en kijk op rli.nl, waar je onze adviezen kan downloaden.