Platteland in de steigers

Advies over de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost Nederland

Op 27 februari 2003 heeft de raad het advies over de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland 'Platteland in de steigers', aangeboden aan minister Veerman (LNV), staatssecretaris Van Geel (VROM) en de provincies. De raad vindt in zijn advies, dat de provincies het toekomstperspectief het best kunnen verwoorden door per gebied een integraal plan op te stellen dat gericht is op zowel economische, ecologische, sociaal-culturele, ruimtelijke als leefbaarheidaspecten. Het Rijk en de afzonderlijke provincies maken in prestatiecontracten afspraken over wat er moet gebeuren en wie dit zullen uitvoeren met sancties wanneer deze afspraken niet worden nagekomen. Gebiedscommissies nieuwe stijl vormen in dit proces de verbindende schakel met tastbare initiatieven in de regio.

De raad constateert dat de gesprekken over de reconstructie vooral plaatsvinden in vergaderkamers tussen overheden en vertegenwoordigers van maatschappelijke en brancheorganisaties. De veranderingen op het platteland zijn echter vooral het gevolg van beslissingen en gedrag van de bewoners van het reconstructiegebied. De raad vindt dat daarom in de reconstructie vooral gebruik gemaakt moet worden van de natuurlijke veranderingen op het platteland, zoals de autonome krimp van de agrarische sector. Daarnaast moet ook de energie en ideeën die leven bij bewoners, individuele grondeigenaren en potentiële investeerders beter worden benut. Naast de vergadertafel is daarom in dit proces ook de keukentafel van belang. Om hier beter op in te spelen, kunnen provincies gebiedsmakelaars aanstellen om een initiërende en stimulerende rol te vervullen.

Samenvatting: 

Op 27 februari 2003 heeft de Raad voor het Landelijk Gebied het advies over de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland 'Platteland in de steigers', aangeboden aan minister Veerman (LNV), staatssecretaris Van Geel (VROM) en de provincies. De raad vindt in zijn advies, dat de provincies het toekomstperspectief het best kunnen verwoorden door per gebied een integraal plan op te stellen dat gericht is op zowel economische, ecologische, sociaal-culturele, ruimtelijke als leefbaarheidaspecten. Het Rijk en de afzonderlijke provincies maken in prestatiecontracten afspraken over wat er moet gebeuren en wie dit zullen uitvoeren met sancties wanneer deze afspraken niet worden nagekomen. Gebiedscommissies nieuwe stijl vormen in dit proces de verbindende schakel met tastbare initiatieven in de regio. De raad constateert dat de gesprekken over de reconstructie vooral plaatsvinden in vergaderkamers tussen overheden en vertegenwoordigers van maatschappelijke en brancheorganisaties. De veranderingen op het platteland zijn echter vooral het gevolg van beslissingen en gedrag van de bewoners van het reconstructiegebied. De raad vindt dat daarom in de reconstructie vooral gebruik gemaakt moet worden van de natuurlijke veranderingen op het platteland, zoals de autonome krimp van de agrarische sector. Daarnaast moet ook de energie en ideeën die leven bij bewoners, individuele grondeigenaren en potentiële investeerders beter worden benut. Naast de vergadertafel is daarom in dit proces ook de keukentafel van belang. Om hier beter op in te spelen, kunnen provincies gebiedsmakelaars aanstellen om een initiërende en stimulerende rol te vervullen.

De raad adviseert provincies om regionale gebiedsfondsen in te stellen en het geld hiervoor te verkrijgen via subsidies van Rijk, provincie en bijvoorbeeld uit de opbrengsten van de 'ruimte voor ruimte regelingen'. Partners in dit proces zijn marktsector, banken en maatschappelijke en brancheorganisaties. Verder adviseert de raad provincies en waterschappen om voor de financiering van de eigen reconstructiewensen in een gebied een verplichte reconstructiebijdrage te vragen die gebruikt kan worden om de kwaliteit van het gebied te verhogen. Met een relatief gering bedrag per gezin, gebouw of onderneming kan een groot effect worden bereikt. Om partijen voor deze zaken te interesseren biedt per regio de aanstelling van een financieel coördinator met armslag en vertrouwen mogelijkheden. Zo'n financieel coördinator moet in nauw overleg met de gebiedsmakelaar handelen.

De raad vindt dat Rijk en provincies op korte termijn moeten onderzoeken of in enkele geselecteerde reconstructiegebieden via een experiment de doelen van generieke wetgeving bij bestaande agrarische bedrijven ook te bereiken zijn met een andere wijze van werken, zoals goede omgevingsinpassing en innovatieve milieutechnische maatregelen. Om dergelijke experimenten mogelijk te maken vraagt de raad de minister van LNV en de staatssecretaris van VROM om de wetgeving zodanig aan te passen waardoor ruimte wordt gecreëerd om met ideeën van de werkvloer ervaring op te doen.

Beleidsreactie en doorwerking

De minister heeft veel waardering voor dit advies en onderschrijft de hoofdlijnen. Hij bevestigt dat er in de reconstructiegebieden inderdaad veel meer aan de hand is dan een herschikking van de veehouderij. Het landelijk gebied verandert van karakter: van boerenland tot 'publiek domein'; met andere wensen, nieuwe claims en veranderend gebruik. Een sectorale aanpak volstaat dan ook niet om de verschillende beleidsopgaven op het platteland tegemoet te komen. Met de reconstructie wordt een integrale aanpak beoogd met concrete oplossingen op de korte èn lange termijn.

Met de raad is de minister van mening, dat het platteland een dynamiek heeft die op rijksniveau beperkt stuurbaar is. Draagvlak op regionaal en lokaal niveau zijn wezenlijk voor een succesvolle uitvoering van de reconstructie. Optimale aansluiting bij lokale initiatieven, behoeften en wensen werken draagvlak in de hand. Gebiedscommissies, gebiedsmakelaars en contacten aan de keukentafel zijn daarbij van groot belang. Gebiedseigen oplossingen acht de minister welkom, mits passend binnen de integrale doelen van het reconstructieplan en structureel van aard op de lange termijn.
Ten aanzien van verplaatsing van agrarische bedrijven is de minister van mening dat ze weliswaar kostbaar zijn, maar als instrument wellicht wel noodzakelijk voor het realiseren van doelen en/of het oplossen van urgente knelpunten. Hij kondigt aan, de uitkomsten van het nu lopende urgentieprogramma te benutten om hierover definitief te oordelen. Het Rijk zal medefinanciering overwegen, wanneer technische maatregelen geen oplossing meer bieden voor de milieubelasting en indien er sprake is van het dienen van meerdere doelen.
Tenslotte is de minister van mening, dat de ontwikkelingen rond het Sturingsmodel Inrichting Landelijk Gebied, het Investeringsbudget Landelijk Gebied en het Meerjarenprogramma Landelijk Gebied maximaal recht doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende bestuurslagen in de reconstructie. De provincie is en blijft de regisseur van het reconstructieproces.