Boeren met toekomst

Hoe kan landbouwbeleid boerenondernemers helpen, om binnen duurzaamheidsgrenzen, hun toekomst vorm te geven?
Het toekomstbeeld van een akkerbouwer - loonwerker

Aanleiding en adviesvraag

De landbouw in Nederland moet verduurzamen. Dit vergt een transitie die forse impact heeft op de bedrijfsvoering van boeren. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft zich gebogen over de vraag welk overheidsbeleid boerenondernemers helpt, om binnen de duurzaamheidsgrenzen die overheid en samenleving stellen, hun toekomst vorm te geven. Met andere woorden: hoe kan de overheid bevorderen dat boeren met hun ondernemerschap een acceptabel inkomen kunnen realiseren binnen de grenzen die de leefomgeving aan hun bedrijf stelt? Om een beeld te krijgen van de ideeën die binnen de agrarisch sector leven over het ontwikkelen van hun duurzame toekomst, zijn wij in gesprek gegaan met boeren van verschillende achtergrond.

Toelichting

Bij de realisatie van een duurzame landbouw ligt de nadruk op dit moment sterk op het saneren van boerenbedrijven (opkopen, onteigenen) en op het uitvaardigen van steeds gedetailleerdere voorschriften over hoe er moet worden geboerd. Wij vinden dat gelijktijdig ook en sterker moet worden ingezet op de boerenondernemers die binnen de randvoorwaarden van duurzaamheid kunnen en willen doorgaan. De overheid moet hen onderdeel van de oplossing laten zijn, door ze zelf verantwoordelijk te maken voor het realiseren van een toekomstbestendig (en in veel gevallen multifunctioneel) bedrijf, dat veerkrachtig genoeg is om beleidsveranderingen aan te kunnen. Ondersteuning van de boeren door de overheid met beleid, geld en kennis is daarbij onontbeerlijk. Daartoe geven wij zes aanbevelingen:

1. Zorg voor maximale duidelijkheid over bedrijfsspecifieke duurzaamheidsnormen

Overheden zullen duidelijkheid moeten bieden over de doelen die boeren moeten bereiken en de daarbij behorende termijnen. Deze doelen moeten worden vertaald in bedrijfsspecifieke normen, voor zover mogelijk op perceelsniveau. Het is belangrijk dat de normen zodanig zijn gesteld dat daarmee de doelen daadwerkelijk kunnen worden gehaald, zodat tussentijdse aanscherping niet nodig is.

2. Biedt binnen de gestelde normen zo veel mogelijk vrijheid aan de ondernemer

Door de overheid gestelde normen kunnen generiek of specifiek van aard zijn, afhankelijk van de parameter die het betreft en de situatie van het bedrijf. In het laatste geval worden de normen in een vergunning gespecificeerd. Wij bepleiten deze normen zo veel mogelijk vast te leggen in doelvoorschriften, en het aan de ondernemer over te laten met welke middelen het te bereiken doel wordt gerealiseerd. Wij realiseren ons overigens dat de daarvoor noodzakelijke monitoring nog het nodige vergt.

3. Bevorder de totstandkoming van een zo veel mogelijk geïntegreerd certificeringssysteem en richt een onafhankelijke autoriteit op die het certificeringssysteem opzet en monitort

Wij adviseren de rijksoverheid te bevorderen dat een geïntegreerd certificeringssysteem en een daarbij behorende onafhankelijke autoriteit (met praktijkkennis van de agrarische sector) worden ingevoerd. De door ons bepleite autoriteit kan bovendien coördinerend optreden als het gaat om het toezicht van de overheid. Bijkomend voordeel daarvan is dat geleerd kan worden van de best practices.

4. Zet in op adequate handhaving op bedrijfsniveau

Als boeren meer vrijheid en verantwoordelijkheid krijgen als het gaat om de wijze waarop zij hun bedrijf verduurzamen, is adequate handhaving des te belangrijker. De overheden blijven ten minste formeel verantwoordelijk voor toezicht en handhaving. Maar het resultaat van controles bij boerenbedrijven door de certificerende autoriteit (inclusief eventuele decertificering wegens het niet voldoen aan wettelijke eisen) zal in de praktijk kunnen leiden tot minder (of incidenteel meer) toezicht door de overheid. Het opleggen van sancties als een bedrijf zich niet aan de regels houdt blijft uiteraard een overheidsverantwoordelijkheid.

5. Wees actief betrokken bij gebiedsprocessen en ondersteun deze

In sommige gebieden liggen er gezamenlijke opgaven, bijvoorbeeld als gevolg van een gewenste verhoging van de waterstand of biodiversiteitsherstel. Die opgaven moeten via gebiedsprocessen waarbij de boeren betrokken zijn worden vertaald naar eisen voor de afzonderlijke bedrijven. Het Rijk moet bij dat overleg actief betrokken zijn en de provincie moet een ondersteunende rol spelen.

6. Zet in op verduurzaming van de keten en gedragsverandering van de consument

De mogelijkheden om te verduurzamen zijn voor agrarische bedrijven ook afhankelijk van de mate waarin partijen in de voedselketen en consumenten meebewegen en hen ondersteunen in de transitie naar duurzame bedrijfsmodellen. De rijksoverheid moet bevorderen dat kredietverstrekkers, inkoopcombinaties van supermarkten, afzetcoöperaties en ook de consument meer bijdragen aan het proces van verduurzaming.

Publicatiedatum

Het advies is op 2 december 2021 aangeboden aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Nicole van Buren (projectleider), nicole.van.buren@rli.nltel. 06 1017 2005.