Rli

Jaarverslag 2020

Jaar: 
2020

In 2020 bracht de raad de volgende adviezen uit:

  • ‘Greep op gevaarlijke stoffen’ De raad stelt in het advies dat de versprei­ding van gevaarlijke stoffen onvoldoende wordt beheerst. Het risico van cumulatieve blootstelling aan verschillende stoffen neemt toe. De transitie naar een circulaire economie maakt dit vraagstuk nog complexer, omdat bij hergebruik en recycling stoffen in productieketens terechtkomen. De raad ging in op de vraag: welke stappen zijn nodig voor een veiligere omgang met gevaarlijke stoffen?
  • ‘De bodem bereikt?!’ De vitaliteit van onze bodems staat onder druk door verzuring, vermesting, verdroging, verdichting en toenemende kwetsbaarheid. Afgesproken beleidsdoelen voor de bodem worden niet gehaald en de problemen verergeren door klimaatverandering. De raad doet daarom aanbevelingen voor een steviger bodembeleid in het advies ‘De bodem bereikt?!’.
  • ‘Verzet de wissel: naar beter internationaal reizigersvervoer per trein’ Internationaal treinverkeer kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verduurzamen van de transportsector en het realiseren van Nederlandse duurzaamheidsdoelen. Met ‘Verzet de wissel’ identificeert de raad knelpunten op het internationale spoor en geeft aanbevelingen hoe deze barrieres weg te nemen.
  • ‘Groen uit de crisis’ De raad bepleit in dit advies voor een groen herstel na de coronacrisis waarin economie, de werkgelegenheid en een duurzame leefomgeving hand in hand gaan. De raad roept op om economische herstelbeleid daarbij in te zetten in samenhang met een versnelde verwezenlijking van duurzaamheidsdoelstellingen.
  • ‘Stop bodemdaling in veenweidegebieden: het Groene Hart als voorbeeld’ Bodemdaling leidt tot steeds meer problemen in veenweidegebieden. Welke keuzes moeten worden gemaakt om (de effecten van) bodemdaling in veenweidegebieden tegen te gaan? De raad gaat in op de effecten van ontwatering en neemt daarbij het Groene Hart als voorbeeld.
  • ‘Toegang tot de stad: hoe publieke voorzieningen, wonen en vervoer de sleutel voor burgers vormen’ De toegang van de stad - zowel in fysieke zin als waar het gaat om wonen en gebruikmaken van publieke voorzieningen - staat voor steeds meer mensen onder druk. De raad doet in ‘Toegang tot de stad’ zes aanbevelingen aan Rijk en gemeenten die kunnen helpen om steden toegankelijk te houden.

Naast deze adviezen bracht de raad nog twee brieven uit, nam deel aan een denktank en organiseerde een meerdaagse conferentie:

  • ‘Brief Internationaal spoor’ Als onderdeel van het advies ‘Verzet de wissel’ stuurde de raad een brief getiteld ‘Improving international passenger rail’ aan de Eurocommissaris van Transport, Adina Vălean. De brief is tot stand gekomen in samenwerking met zusterraden uit België en Luxemburg. Diverse andere adviesraden op het gebied van duurzaamheid hebben de brief ondertekend of later onderschreven.
  • ‘Brief CCUS en waterstof’ In september 2020 organiseerden de Rli en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen een bijeenkomst over Carbon Capture, Utilisation and Storage (CCUS) en waterstof. De uitkomsten van deze bijeenkomst zijn verwoord in een brief aan de minister-presidenten van Nederland en Vlaanderen.
  • ‘Denktank Coronacrisis’ De raad neemt deel aan de Denktank Coronacrisis, die door de SER in het leven is geroepen.
  • Conferentie ‘Week van verbindend verduurzamen’ In mei organiseerde de raad de ‘Week van verbindend verduurzamen’. Deze meerdaagse conferentie was het slotstuk van een traject waarin de Rli op zoek ging naar manieren om mensen meer te betrekken bij verduurzaming.

 

Jaarverslag: 
nee
Kaft met illustratie van de sleutelfuncties van de stad - publieke voorzieningen, wonen en vervoer
Raad: 
sitecontent: 

Bereikbaarheidsbeleid teveel gericht op uitbreiding infrastructuur

In het bereikbaarheidsbeleid ligt de focus te eenzijdig op het wegnemen van verkeerskundige knelpunten en op investeringen in projecten voor nieuwe infrastructuur. Andere oplossingen, zoals spreiding van verkeer gedurende de dag, digitale alternatieven of slim verstedelijkingsbeleid, zouden zwaarder mee moeten wegen in de keuzes om de bereikbaarheid te verbeteren. Kabinet en Kamer kunnen daarbij actiever inspelen op de maatschappelijke trends en technologische ontwikkelingen die andere oplossingen mogelijk maken. Dit concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in zijn advies ‘Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid’ dat op verzoek van de Tweede Kamer is opgesteld. Kamerlid Rutger Schonis (D66) nam het advies op 10 februari 2021 namens de Tweede Kamer in ontvangst.

Het potentieel van andere bereikbaarheidsoplossingen wordt onderbenut

Kamerlid Rutger Schonis (D66) nam het advies op 10 februari 2021 namens de Tweede Kamer op de online bijeenkomst in ontvangst.
Raad: 
Adviesrelatie: 
sitecontent: 

Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid

Februari 2021
Teasertekst: 
Er zijn steeds meer oplossingen voor bereikbaarheidsvraagstukken. De te maken keuzes hangen steeds sterker samen met andere opgaven in de leefomgeving. Hoe komen we tot integraal bereikbaarheidsbeleid?
Adviesnummer: 
Rli 2021/03
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

De Tweede Kamer heeft de Rli gevraagd om advies te geven over hoe een meer integrale benadering van het bereikbaarheidsvraagstuk in de praktijk kan worden gerealiseerd. De vragen die de Kamer heeft gesteld aan de raad luiden: Welke institutionele belemmeringen zijn er binnen overheidsorganisaties en hoe kunnen deze worden weggenomen? Verschillen deze belemmeringen tussen nationale, regionale en grensoverschrijdende mobiliteitsopgaven? Hoe kan een integrale afweging worden geborgd in de diverse afwegingsinstrumenten? Hoe kan de Kamer hierop invloed uitoefenen?

De Rli beantwoordt het verzoek van de Tweede Kamer met dit advies, met als centrale vraag:

Hoe kan in de beleidsvorming een meer integrale afweging van bereikbaarheidsopgaven en –oplossingen worden gerealiseerd? Wat zijn de belangrijkste belemmeringen die zo’n integrale afweging in de weg staan voor instituties in het algemeen en de Tweede Kamer in het bijzonder en hoe zijn die belemmeringen weg te nemen?

Riding through the city
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Er is een toenemend besef dat in het bereikbaarheidsbeleid een ‘integrale’ benadering gewenst is. Een integrale benadering gaat verder dan het mogelijk maken van een efficiënte verplaatsing per auto, fiets of openbaar vervoer. Zo’n benadering doet recht aan nieuwe mogelijkheden en innovaties op het gebied van mobiliteit. Ruimtelijke oplossingen en spreiding van mobiliteit over de dag worden in de afwegingen betrokken. Het beleid houdt een open oog voor digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen. Een integrale benadering houdt bovendien rekening met andere opgaven in de leefomgeving, zoals verstedelijking, veiligheid en klimaat. Om te komen tot een integraal afgewogen bereikbaarheidsbeleid doet de raad in dit advies een aantal aanbevelingen aan regering en parlement.

De drie hoofdaanbevelingen zijn:

Stuur op brede welvaart: als ijkpunt in de gehele beleidscyclus van het bereikbaarheidsbeleid, inclusief visies en afwegingsinstrumentarium

De raad adviseert om het faciliteren van mobiliteit niet langer het dominante uitgangspunt van het bereikbaarheidsbeleid te laten zijn. Er is een weldoordachte visie nodig, bekrachtigd door politieke besluitvorming, op de doelen van het bereikbaarheidsbeleid en hoe die het beste kunnen worden gerealiseerd. De effecten op brede welvaart zouden wat de raad betreft daarbij het ijkpunt moeten vormen in de gehele beleidscyclus, van visievorming tot implementatie. Dit vergt aanpassing van het afwegingsinstrumentarium en het gebruik ervan. Het denkkader en de systematiek van maatschappelijke kosten-batenanalyses zouden eerder en consistenter in besluitvormingsprocessen moeten worden ingezet. De nieuwe nationale markt- en capaciteitsanalyse, die in de zomer van 2021 verschijnt, dient recht te doet aan alle aspecten die uit het oogpunt van brede welvaart relevant zijn. Voorkomen moet worden dat deze analyse de status krijgt van een prioriteitenlijst voor infrastructurele oplossingen, zoals voorheen het geval is geweest.

Stuur met een brede blik: op alle beschikbare oplossingsrichtingen voor bereikbaarheidsvraagstukken

De raad roept regering en parlement op om álle beschikbare oplossingsrichtingen voor het verbeteren van bereikbaarheid te betrekken in de beleidsafwegingen. Veranderende maatschappelijke voorkeuren en technologische ontwikkelingen geven hier aanleiding toe. Naast ‘klassieke’ infra­structurele maatregelen gericht op de aanpak van verkeerskundige capaciteitsknelpunten dienen ook andere kansrijke oplossingsrichtingen, zoals gedragsbeïnvloeding, spreiding van mobiliteit in de tijd, digitale bereikbaarheidsalternatieven en slim ruimtelijk ontwerp, nevengeschikt te worden meegewogen bij het maken van beleidskeuzes. De snelle ontwikkeling van digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen, zoals online thuiswerken of onderwijs volgen, vraagt versneld om beleidsaandacht, in samenwerking met private partijen. Daarnaast kan het Rijk met ruimtelijk beleid sterker sturen op de bereikbaarheidseffecten van verstedelijking.

Stuur samen: rijksbreed én met de regio’s, op basis van een meerjarige programmatische aanpak en financiering van bereikbaarheidsbeleid

Om te komen tot integraal afgewogen keuzes zullen op rijksniveau de drie betrokken departementen het bereikbaarheidsbeleid moeten beschouwen als een gezamenlijke, samenhangende opgave: IenW (voor het thema mobiliteit) en BZK (voor het thema verstedelijking en ruimtelijk ontwerp) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) (voor het thema digitale bereikbaarheid). Er is een gezamenlijke visie en beleidsagenda nodig, op basis waarvan verantwoordelijkheden en financiële middelen voor het bereikbaarheidsbeleid worden toegewezen. De uitvoering van zorgvuldig op elkaar afgestemde verstedelijkings- en bereikbaarheidsstrategieën mag vervolgens in de uitvoeringsfase niet worden belemmerd door een sectorale projectenaanpak of door belangen van individuele organisaties. Gebiedsgerichte programmasturing, gekoppeld aan gezamenlijke programmafinanciering, vormen volgens de raad de basis voor een betere verankering van integraal werken in de samenwerking, rijksbreed en tussen het Rijk en de regio’s. Dat vraagt voor de komende periode ook om verbreding van de financiële basis voor integraal bereikbaarheidsbeleid.

De Tweede Kamer vervult in de hele beleidscyclus een belangrijke rol bij het realiseren van een integraler bereikbaarheidsbeleid. De raad heeft daarbij twee specifieke aanbevelingen:

Maak meer gebruik van de beschikbare parlementaire sturingsmogelijkheden

De Tweede Kamer kan haar sturingsmogelijkheden beter benutten door het kabinet scherp te bevragen op het integrale karakter van uitgangspunten en voorstellen voor bereikbaarheidsbeleid en daarover het politieke debat te voeren. Ook kan de Kamer desgewenst, bijvoorbeeld met een initiatiefnota, een initiërende rol vervullen. Het effectief gebruiken van deze sturingsmogelijkheden vraagt van de Kamer dat zij zich een mening vormt over de rol die bereikbaarheidsbeleid kan spelen bij het bevorderen van brede welvaart. Het vereist ook dat de Kamer erop toeziet dat gebruikte afwegingskaders en beslisinstrumenten voldoende zijn ingericht op het maken van integrale afwegingen.

Richt de parlementaire aandacht sterker op de samenhang tussen effecten, oplossingsrichtingen en bestuurlijke organisatie van het bereikbaarheidsbeleid

De Tweede Kamer zou bij de invulling van haar controlerende taak de aandacht minder moeten richten op de resultaten van afzonderlijke projecten en maatregelen en zich meer moeten concentreren op de effecten en doelrealisatie van het bereikbaarheidsbeleid als geheel.

Dat betekent ook: het kabinetsbeleid nadrukkelijker beoordelen op gemaakte verbindingen met andere relevante inhoudelijke beleidsdomeinen zoals ruimtelijk beleid, verstedelijking en digitalisering en op samenwerking tussen departementen en bestuurslagen. Een meer integraal bereikbaarheidsbeleid zou volgens de raad ook gebaat zijn bij het regelmatig organiseren van gezamenlijke ­vergaderingen van de vaste commissies voor IenW en BZK.

Publicatiedatum

Op 10 februari bood de raad zijn advies ‘Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid’ aan de Tweede Kamer aan. Kamerlid Rutger Schonis (D66) nam het advies namens de Tweede Kamer online in ontvangst.

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luc Boot, projectleider, luc.boot@rli.nl of 06 1057 7495.

Overheid moet sturen op duurzame digitalisering

Digitale technologie en datagebruik veranderen onze samenleving ingrijpend. Dit heeft grote gevolgen voor de duurzaamheid van onze leefomgeving. Hoewel digitalisering en duurzaamheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, is hiervoor geen aandacht in het overheidsbeleid. In zijn advies ‘Digitaal duurzaam’ concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) dat de overheid veel krachtiger moet ingrijpen in en gebruik maken van de digitale wereld om duurzaamheid te bevorderen. Het advies werd 9 februari 2021 aangeboden aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat.

De gedigitaliseerde leefomgeving is niet per se duurzaam

Raad: 
Adviesrelatie: 
sitecontent: 

Digitaal duurzaam

Februari 2021
Digitaal duurzaam
Teasertekst: 
Digitale technologie en datagebruik veranderen onze samenleving ingrijpend. Dit heeft grote gevolgen voor de duurzaamheid van onze leefomgeving. Hoe kunnen we een digitale én duurzame samenleving realiseren?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli2021/02
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Achter de leefomgeving die wij zien en ervaren gaat een digitale wereld schuil van data, platformen en digitale diensten. De digitale wereld bepaalt steeds meer hoe wij wonen, reizen, recreëren, consumeren enzovoorts. Dit heeft ons veel gemak en welvaart gebracht. Digitale technologie en data hebben positieve gevolgen voor duurzaamheid door bijvoorbeeld productieprocessen efficiënter te maken en door de integratie van zon- en windenergie in ons energiesysteem mogelijk te maken. Maar digitalisering leidt niet vanzelfsprekend tot een duurzamere samenleving. Digitalisering jaagt ook consumptie aan, zorgt voor een groei van de grondstofintensieve industrie en voor een toename van broeikasgassen.

De adviesvraag luidt: hoe hangen digitalisering en duurzaamheidstransities samen en welke rol van de overheid is nodig, mogelijk en effectief om digitalisering te laten bijdragen aan de noodzakelijke transitie naar een duurzame samenleving?

Verlichte snelweg met denkbeeldige draadstructuur van digitale verbindingen en stedelijke bebouwing op achtergrond
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De overheid voert actief beleid om de leefomgeving te verduurzamen en neemt tal van maatregelen in de fysieke leefomgeving om doelen op het gebied van broeikasgassen, klimaat en grondstoffengebruik te bereiken. De digitale kant van de leefomgeving krijgt in het beleid echter nog onvoldoende aandacht. Het digitaliseringsbeleid van de overheid richt zich op de economische kansen van digitalisering, op eerlijke concurrentie en op de bescherming van rechten van burgers in een digitale wereld, maar niet op de duurzaamheidseffecten. In het duurzaamheidsbeleid op zijn beurt, is nog onvoldoende aandacht voor de onmisbare rol van digitale technologie en data om de duurzaamheidsdoelen te bereiken. Gerichte interventies van Nederland en de Europese Unie in de digitale wereld zijn daarom noodzakelijk en gerechtvaardigd. De overheid is verantwoordelijk voor een duurzame leefomgeving en de digitalisering verandert de aangrijpingspunten om hierop te sturen. Door de digitalisering ontstaan nieuwe mogelijkheden voor overheidssturing.

Digitale platformen hebben een cruciale positie in de digitalisering van de samenleving en vormen daardoor het beste aangrijpingspunt voor maatregelen om de verduurzaming van de leefomgeving te stimuleren. In de leefomgeving verbinden platformen vraag en aanbod van tal van goederen en diensten. Hiervoor worden leefomgevingsdata verzameld, geanalyseerd en bewerkt, of het nu gaat om het aanbieden en afnemen van energie, reizen of consumentengoederen. Door deze rol bepalen digitale platformen in toenemende mate de regels voor bijvoorbeeld markten voor mobiliteit, vrije tijd, energie en grondstoffen, met effecten op de leefomgeving. De raad acht het daarom van groot belang dat de overheid hier greep op krijgt en randvoorwaarden stelt aan digitale platformen in het belang van duurzaamheid. Daartoe is volgens de Rli ook een Europese verordening nodig die het stellen van duurzaamheidsrandvoorwaarden aan platformen mogelijk maakt. Bovendien moet de rijksoverheid de mogelijkheden onderzoeken om via platformen negatieve milieueffecten door te berekenen in de prijs van producten of diensten.

De Rli doet drie hoofdaanbevelingen voor actieve overheidssturing:

  1. De overheid moet digitale technologie en data zelf vaker inzetten in haar duurzaamheidsbeleid;
  2. De overheid moet ook in zijn digitaliseringsbeleid ervoor zorgen dat digitalisering van de samenleving duurzaam is; en
  3. Overheidsorganisaties moeten zich beter voorbereiden op digitale ontwikkelingen.PM

Essays

In verschillende leefomgevingsdomeinen blijkt digitalisering zich met verschillende snelheden, intensiteit en fasering te voltrekken. Omdat er geen sprake is van één duurzaamheidstransitie heeft de Rli in de voorbereiding van het advies enkele deskundigen gevraagd om in een essay te reflecteren op de samenhang tussen digitalisering en duurzaamheidstransities in drie verschillende domeinen: energie, mobiliteit en circulaire bouweconomie. Welke veranderingen brengt die samenhang met zich mee? Wat betekent het voor het verwezenlijken van duurzaamheidsdoelen? Is het huidige instrumentarium van de overheid afdoende die doelen te halen of andere publieke waarden te borgen?

De essayisten gaan allen in op actuele digitale ontwikkelingen in de leefomgevingsdomeinen en de betekenis daarvan voor de duurzaamheidstransities. In de essays komen zaken aan bod als de ontwikkeling van digitale platformen, de veranderende invloed en rol van de overheid en de borging van publieke waarden. De inhoud van de essays valt onder de verantwoordelijkheid van de auteurs. De essays geven niet noodzakelijkerwijs de mening van de raad weer.

Lees het essay ‘Waardevol digitaliseren voor de energietransitie’ - Eef Masson, Romy Dekker & Rinie van Est - Rathenau Instituut

Lees het essay 'Digitalisering en de transitie naar een duurzame samenleving - Perspectief vanuit het mobiliteitsdomein' - Carlo van de Weijer Eindhoven - AI Systems Institute

Lees het essay 'The digital potential in creating a circular construction economy' - Paul W Chan, Catherine De Wolf and Alexander Koutamanis -Technische Universiteit Delft

Publicatiedatum

Het advies is op 9 februari 2021 aangeboden aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met de Bart Swanenvleugel, projectleider, bart.swanenvleugel@rli.nl, 06 52012691.

 

Digitalisering en duurzaamheid

Nederland staat voor een aantal forse duurzaamheidsopgaven, onder meer op het gebied van energie, mobiliteit en verbruik van grondstoffen. Bij de aanpak van deze opgaven is het opvallend dat er relatief weinig aandacht is voor de samenhang tussen de duurzaamheidstransities en de verregaande digitalisering van de leefomgeving. In ons streven naar een duurzame leefomgeving is overheidssturing op digitalisering volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) onontbeerlijk, omdat de fysieke leefomgeving tegenwoordig onlosmakelijk verbonden is met de digitale wereld. De Europese Unie noemt de transitie naar een duurzame samenleving en digitalisering niet voor niets een twin challenge.

In navolging van de Duitse adviesraad WBGU (Wisschenschaftlicher Beirat der Bundesregierung Globale Umweltveränderungen) ziet de raad twee kanten aan deze samenhang tussen digitalisering en duurzaamheid. Aan de ene kant kunnen data en digitale technologieën gericht worden ingezet om duurzaamheid te bevorderen. Daarvoor is het wel nodig dat de juiste data worden verzameld en ook (kunnen) worden gedeeld. Aan de andere kant verandert onze samenleving door digitalisering en dat heeft gevolgen voor duurzaamheid. Onder invloed van digitalisering verandert de manier waarop we reizen, werken, wonen, recreëren en zelfs hoe we naar de wereld kijken. Maar dat leidt niet vanzelfsprekend tot meer duurzaamheid. Integendeel, sommige digitale verworvenheden kunnen leiden tot meer consumptie, een groei van de grondstofintensieve industrie en een toename van broeikasgassen.

Onvoldoende beleidsaandacht voor de relatie tussen digitalisering en duurzaamheid

In het overheidsbeleid gaat veel aandacht uit naar de economische kansen die digitalisering brengt. Dat gaat steeds meer gepaard met het besef dat de digitale economie zich anders ontwikkelt dan de ‘analoge’ economie. Het beleid heeft steeds meer aandacht voor het waarborgen van eerlijke concurrentie en het beschermen van de rechten van burgers. Het beleid stelt echter geen kaders voor digitalisering vanuit de duurzaamheidsopgaven, zo constateert de raad in dit advies.

Omgekeerd richt het duurzaamheidsbeleid van de overheid zich nog nauwelijks op de digitale wereld. De raad vindt dat de wet- en regelgeving, de financiële prikkels en het toezicht in het kader van het duurzaamheidsbeleid zich te veel rechtstreeks richten op activiteiten en gevestigde partijen in de leefomgeving. Duurzaamheidsbeleid moet zich ook richten op nieuwe partijen, die zich bezighouden met de exploitatie van digitale platformen, dataverzameling of digitale dienstverlening.

Digitale platformen hebben een spilfunctie in de leefomgeving

Digitale platformen verbinden vraag naar en aanbod van goederen, diensten, informatie of kennis met elkaar. Deze platformen bepalen in toenemende mate regels voor het marktverkeer in de leefomgeving. Ze zijn daardoor steeds bepalender voor de interacties die plaatsvinden en de diensten die worden geleverd. De raad constateert dat digitale platformen door deze spilfunctie enerzijds effect hebben op de kwaliteit van de leefomgeving, anderzijds aanknopingspunten bieden om de verduurzaming van de samenleving te bevorderen. Of het nu gaat om het aanbieden of afnemen van energie, reizen of consumentengoederen, digitale platformen zijn vrijwel onmisbaar en bepalen meer en meer de voorwaarden voor het gebruik van de leefomgeving. In het mededingingsbeleid van de overheid wordt de centrale positie van digitale platformen erkend, maar in het duurzaamheidsbeleid vooralsnog niet.

Kennistekort bij overheden

Om effectief vanuit duurzaamheidsoogpunt te kunnen sturen op digitalisering is diepgaande kennis nodig van het digitale domein. Daarbij gaat het om technische kennis, maar ook om kennis van de werking van digitale markten. Overheden die betrokken zijn bij de duurzaamheidstransities hebben dat soort kennis doorgaans nog onvoldoende in huis, of de kennis is alleen versnipperd aanwezig in de organisatie.

Conclusies

De raad concludeert dat de rijksoverheid – waar mogelijk in samenwerking met de Europese Unie –de duurzaamheidsopgaven waar Nederland voor staat moet meenemen in haar digitaliseringsbeleid. De digitalisering van de samenleving gaat immers om veel meer dan alleen economische kansen en burgerrechten. Andersom zou de overheid in haar duurzaamheidsbeleid het potentieel van digitale technologie zo goed mogelijk moeten benutten. Daarvoor is een nieuwe blik op de leefomgeving nodig: niet alleen kijken naar wat er in de fysieke omgeving zelf gebeurt, maar ook naar de digitale wereld die daar achter ligt. Actieve overheidssturing op deze digitale aspecten van de leefomgeving is noodzakelijk om de samenleving te verduurzamen.

Aanbevelingen aan de overheid

De raad doet in dit advies zes aanbevelingen aan de overheid om te sturen op de gedigitaliseerde leefomgeving met het oog op duurzaamheid. Daarnaast beveelt de raad drie interventies in de overheidsorganisatie aan, die nodig zijn om de voorgestelde sturing succesvol aan te pakken.

Samengevat luiden de aanbevelingen als volgt:

  1. Stimuleer digitale alternatieven voor vervuilende activiteiten.

  2. Zorg dat er standaarden worden ontwikkeld voor de omgang met data die relevant zijn voor duurzaamheid van de samenleving.
  3. Stel eisen en randvoorwaarden aan digitale platformen om te sturen op duurzaamheid.
  4. Maak gebruik van het mededingingsrecht om de duurzaamheidsconsequenties van platformbedrijven te beoordelen.
  5. Voer experimenten uit waarin duurzaamheidseffecten verrekend worden via digitale platformen.
  6. Stel eisen aan de omgang van dienstverleners en uitvoerende partijen met de data die zij vergaren en stimuleer duurzame digitale ontwikkelingen.
  7. Ontwikkel gedeelde deskundigheid over digitalisering bij overheden.
  8. Ontwikkel werkwijzen om met beleid en regelgeving snel op digitale ontwikkelingen te kunnen inspelen.
  9. Zorg voor krachtig toezicht op digitalisering in de leefomgeving.

Waterstof onmisbaar in duurzame economie

Klimaatneutrale waterstof vormt een onmisbare schakel in de toekomstige energie- en grondstoffenvoorziening. Een markt voor klimaatneutrale waterstof ontstaat echter niet vanzelf. Daarvoor is nodig dat de overheid infrastructuur aanlegt, nieuwe technologie financiert en de vraag naar waterstof met maatregelen stimuleert. Dit concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in zijn advies ‘Waterstof, de ontbrekende schakel’. Sandor Gaastra, directeur-generaal Klimaat en Energie, nam het advies op 25 januari 2021 namens minister Bas van ’t Wout van Economische Zaken en Klimaat in ontvangst.

Klimaatneutrale waterstof essentieel in de toekomstige energie- en grondstoffenvoorziening

Raad: 
Adviesrelatie: 
sitecontent: 

Waterstof: de ontbrekende schakel

Januari 2021
Waterstof: de ontbrekende schakel.
Teasertekst: 
Wat is de betekenis en het strategisch belang van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
Adviesnummer: 
Rli 2021/01
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

De interesse voor waterstof neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur daarom in op de volgende vragen:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en/of als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?
Foto: ijzeren kettingschakels - ogonekipit / Dispositphoto’s
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Waterstof wordt essentieel onderdeel van de energie- en grondstoffenvoorziening

De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zullen op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde klimaatneutrale waterstof biedt een oplossing voor deze problemen.

Waterstofmarkt ontstaat niet vanzelf

Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Aanbevelingen aan het kabinet

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie.

Het creëren van de vraag kan het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau van fossiele energiedragers stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In de casus van de klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. Het is van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Nederland zou moeten aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat. Tevens zou Nederland zich in Brussel hard moeten maken voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken. Op langere termijn, is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar en na die tijd bij kunnen dragen aan voorzieningszekerheid. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for-difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee en Noordwest-Europa zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.

Publicatiedatum

Op 25 januari 2021 overhandigde de raad zijn advies tijdens een online-aanbiedingsbijeenkomst aan de directeur-generaal Klimaat en Energie, Sandor Gaastra (r). Namens minister Bas van 't Wout van EZK nam Sandor Gaastra het advies in ontvangst.

Jan Jaap de Graeff (l) voorzitter van de Rli, overhandigde het advies aan directeur-generaal Sandor Gaastra - 25 januari 2021 Foto: Fred Ernst

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Folmer de Haan, projectleider, f.w.dehaan@rli.nl,

De interesse voor de inzet van waterstof ten behoeve van een duurzame energievoorziening neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. Op tal van plaatsen wordt hierover gediscussieerd en gepubliceerd. Daarbij lopen de meningen over de inzetbaarheid van waterstof en de condities waaronder die moet plaatsvinden uiteen. Een aantal vragen staat daarbij centraal:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (verder te noemen ‘de raad’) op deze vragen in.

Waterstof speelt ook nu al een substantiële rol als grondstof in de chemische industrie. De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat die bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?

Waterstof wordt een essentieel onderdeel van het toekomstige klimaatneutrale energiesysteem van Nederland, zo laten toekomstscenario’s en potentieelstudies zien. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zal op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan zonder meer met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger dan voor gasvormige energiedragers en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde (‘klimaatneutrale’) waterstof – dat wil zeggen waterstof bij de productie waarvan geen COHoe g vrijkomt – biedt een oplossing voor deze problemen. Elektriciteit kan namelijk worden omgezet in waterstof, in die vorm worden opgeslagen en later weer worden omgezet in elektriciteit. Dit maakt het mogelijk om periodieke overschotten en tekorten aan elektriciteit uit zon en wind kosteneffectief op te vangen en te verhandelen.

Waterstof zal daarnaast een belangrijk onderdeel worden van het Nederlandse grondstoffensysteem. Door zijn moleculaire structuur is waterstof namelijk óók bruikbaar als grondstof voor het vervaardigen van brandstoffen, materialen en producten die nu nog worden gemaakt uit aardolie, aardgas en kolen en bij chemische processen zoals het recyclen van kunststoffen.

Hoe groot de rol van waterstof zal worden in ons energie- en grondstoffensysteem is nog niet precies te zeggen. Waterstof krijgt een cruciale rol bij een aantal toepassingen (zie paragraaf 2.3) waardoor minimaal 15-25% van de energiedragers in de finale behoefte aan energetische en nonenergetische toepassingen via waterstof zal verlopen. Voor andere toepassingen is waterstof een van de mogelijke routes. Als de kosten dalen en de beschikbaarheid toeneemt, kan waterstof dus een nog veel belangrijkere rol vervullen dan nu het geval is.

Doordat waterstof tegelijkertijd in verschillende industrietakken nodig zal zijn als klimaatneutrale grondstof voor de productie van basismaterialen (zoals plastics, kunstmest en staal), vormt het in een nieuw energie- en grondstoffensysteem een integrerend element, dat uitwisseling tussen onderdelen van dit systeem mogelijk maakt. Flexibiliteit en leveringszekerheid zijn daarmee gewaarborgd.

Er zijn verschillende potentiële toepassingen voor waterstof. Vooralsnog is waterstof het enige klimaatneutrale alternatief voor het genereren van hoge temperatuurwarmte in de industrie en voor het produceren van schone brandstof voor vliegtuigen en zeeschepen. Verder kan waterstof worden gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, en als schoon alternatief voor aardgas. Dit kan met name uitkomst bieden in situaties waar andere vormen van duurzame energie moeilijk of alleen tegen hoge kosten kunnen worden ingezet.

Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?

Klimaatneutrale waterstof zal niet vanzelf een plek vinden in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem. Op dit moment zijn de vraag naar en het aanbod van klimaatneutrale waterstof nog ontoereikend. Ook is de infrastructuur voor het transport, de distributie en de opslag nog niet gereed. Om dit alles tot stand te brengen zal overheidsstimulering nodig zijn. Een waterstofbeurs, naar het voorbeeld van de stroom- en gasbeurzen, kan vervolgens dienen als economisch coördinatiemechanisme en als katalysator van een markt voor klimaatneutrale waterstof.

In het uiteindelijke systeem zal de rol van waterstof zoals gezegd cruciaal zijn. De raad verwacht dat in dit ‘eindbeeld’ voornamelijk gebruik zal worden gemaakt van ‘groene’ waterstof, dat is geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. Om de gewenste eindsituatie te bereiken is echter een tussenperiode onontkoombaar. Daarin wordt gebruikgemaakt van ‘blauwe’ waterstof, dat wordt geproduceerd uit fossiele energiebronnen waarna de bij dit proces vrijkomende CO2 wordt opgeslagen.

Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?

De waterstofmarkt ontwikkelt zich op dit moment in een internationale context. Het is daarom de vraag of Nederland het voortouw moet nemen. Kunnen we niet beter wachten op stappen van de Europese Unie (EU) en andere landen? Zowel de Europese Commissie als landen om ons heen, met name Duitsland, hebben concrete plannen gepresenteerd voor het ontwikkelen van een waterstofmarkt en daar ook middelen voor vrijgemaakt. Ook mondiaal oriënteren verschillende regio’s (onder meer het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Japan, China en Zuid-Korea met Australië en Nieuw-Zeeland) zich op de mogelijkheden om waterstof te produceren en te exporteren. Vooral de ontwikkelingen in Duitsland en België zijn voor Nederland van belang en kunnen een positief effect hebben op de ontwikkeling van de Nederlandse markt.

Toch is het volgens de raad raadzaam dat Nederland ook zelf op korte termijn actief inzet op het aanzwengelen van een waterstofmarkt in Nederland. Niet alleen omdat dit noodzakelijk is voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het belangrijk is geen achterstand op te lopen ten opzichte van de ons omringende landen. De Nederlandse overheid zal moeten investeren in infrastructuur, transport- en opslagcapaciteit. Door tegelijk ook de productie van waterstof in Nederland te stimuleren, kan op termijn de voorzieningszekerheid worden vergroot. Nederland wordt dan minder afhankelijk van andere landen, wat in de huidige onrustige geopolitieke situatie verstandig is. Daar komt bij dat Nederland verhoudingsgewijs over een gunstige uitgangspositie beschikt om een waterstofmarkt op te bouwen. Verschillende productievormen van waterstof zijn in Nederland realiseerbaar, Nederland heeft goede mogelijkheden voor de CO2-afvang en opslag en er is een bestaand netwerk voor gastransport en -distributie dat te gebruiken is voor waterstof. Nederland beschikt bovendien over relevante kennis en ervaring. Denkbaar is dat een vooraanstaande positie van Nederland in de internationale waterstofmarkt op termijn economisch voordeel zal opleveren.

Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

Een markt voor klimaatneutrale waterstof in Nederland zal niet ontstaan zonder actieve inzet van de overheid. De belangrijkste belemmeringen die de overheid kan helpen verminderen zijn:

  1. de hoge aanloopkosten voor onder meer infrastructuur en technologie
  2. het gebrek aan vraag naar klimaatneutrale waterstof als gevolg van het prijsvoordeel dat fossiele energiebronnen nu nog genieten ten opzichte van klimaatneutrale alternatieven
  3. het ontbreken van investeringsbereidheid bij marktpartijen in de productie van klimaatneutrale waterstof zolang de afname niet is gegarandeerd
  4. het ontbreken van voldoende gevoel van urgentie in de samenleving als het gaat om het belang van klimaatneutrale waterstof
  5. het risico dat er maatschappelijke weerstand zou kunnen ontstaan vanwege vermeende onveiligheid en hoge kosten.

De raad vindt dat het kabinet de realisatie van een transport- en distributienetwerk van waterstof moet faciliteren. Nederland beschikt over een uitgebreid (en met de terugdringing van het aardgasgebruik zelfs sterk overgedimensioneerd) aardgastransportnetwerk. Dit netwerk kan geschikt worden gemaakt voor waterstof. Een infrastructuur bestaande uit een hoofdnetwerk dat transport van waterstof mogelijk maakt tussen industriële clusters, naar opslagfaciliteiten en naar import- en exportlocaties, is een voorwaarde voor ontwikkeling van de waterstofmarkt.

Daarnaast heeft de rijksoverheid een cruciale rol bij het stimuleren van vraag naar klimaatneutrale waterstof. Dat kan het beste door de CO2-uitstoot van niet-klimaatneutrale alternatieven te beprijzen. Daarmee ontstaat een structureel eerlijke concurrentiepositie voor klimaatneutrale waterstof (en andere klimaatneutrale alternatieven). Voor het ontwikkelen van de Nederlandse productie van klimaatneutrale waterstof zijn tijdelijke subsidies overigens wel een goede oplossing.

Per sector verschilt de concurrentiepositie van klimaatneutrale waterstof ten opzichte van de alternatieven. Daarom zal een sectorgerichte aanpak nodig  zijn. Daarbij maakt de raad het volgende onderscheid:

  • Voor sectoren die niet vallen onder het CO2-emissiehandelssysteem van de EU, zoals de transportsector en de sector gebouwde omgeving, zijn nationale maatregelen nodig die de vraag naar klimaatneutrale waterstof vergroten.
  • Bij grote industriële ondernemingen en elektriciteitsproducenten zal het Europese CO2-emissiehandelssysteem op termijn een effectief instrument vormen om de vraag naar waterstof te stimuleren, zeker in combinatie met het aangescherpte Europese klimaatbeleid. Omdat verdergaand EU-beleid nog in de maak is, denkt de raad dat op de korte termijn ook voor deze sectoren de waterstofvraag moet worden gestimuleerd met specifieke nationale maatregelen.

Naarmate klimaatneutrale waterstof een belangrijker plaats krijgt in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem, zal het benodigde maatschappelijk draagvlak zwaarder gaan wegen. Het is daarom belangrijk dat de overheid goed communiceert over de reden waarom waterstof nodig is, en over de manier waarop zal worden omgegaan met de uiteenlopende consequenties van het gebruik van waterstof.

Eén van die consequenties betreft de veiligheid. De toepassing van waterstof is nu nog sterk geconcentreerd in industriële toepassingen. Maar de introductie van nieuwe waterstoftoepassingen en -technologieën in het publieke domein, inclusief grootschalig transport en opslag, brengt per definitie risico’s met zich mee. Het kabinet dient budget vrij te maken om zorgvuldig en uitgebreid onderzoek te doen, zodat er meer zicht komt op die risico’s en de benodigde maatregelen hoe deze risico’s te beheersen. Voorkomen moet worden dat er grootschalige toepassingen op de markt komen die onvoldoende veilig zijn. Ook kleinschalige toepassingen waar waterstof bij betrokken is, kunnen onvoldoende veilig zijn. Zeker in de fase waar we nu zitten, zullen kleine incidenten onder een vergrootglas komen te liggen. Dit zou het draagvlak voor waterstof kunnen ondermijnen.

Een aandachtspunt betreft ook transparantie over de kosten van waterstof. De introductie van elke vorm van duurzame energie heeft, zeker in de aanvangsfase, kostprijsverhogende effecten voor de consument c.q. afnemer. Zo zullen de energiekosten van huishoudens en bedrijven stijgen wanneer waterstof wordt toegepast voor de verwarming van gebouwen. Dit kan met fiscale maatregelen weer gecompenseerd worden. Deze compensatie kan alleen tijdelijk van aard zijn. De overheid zal over de aan de energietransitie verbonden kosten en over vormen van compensatie helder moeten communiceren.

De raad heeft zes aanbevelingen opgesteld met maatregelen die de rijksoverheid de komende tijd concreet moet nemen. De aanbevelingen worden hieronder samengevat weergegeven.

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van een hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters. Zo’n landelijk dekkend waterstoftransportnetwerk met import- en exportmogelijkheden komt niet tot stand zonder overheidsinzet. Gezien de aanwezigheid van een aardgasnetwerk dat kan worden benut voor waterstoftransport, zijn de kosten om een waterstoftransportnetwerk tot stand te brengen relatief laag en zullen de benodigde overheidsinvesteringen dus beperkt zijn.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Veiligheid kan dan worden meegenomen voor toepassingen van waterstoftechnologie voordat die grootschalig op de markt komen. Dit is een cruciale randvoorwaarde voor de inzet van waterstof in diverse toepassingen in het publieke domein.

Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof. Het gaat dan in de eerste plaats om duidelijke communicatie over de noodzaak van het gebruik van waterstof en dialoog over de veiligheidsrisico’s die daaraan verbonden zijn. Lokale initiatieven op het gebied van waterstof kunnen hieraan bijdragen. Daarnaast verdient de betaalbaarheid van waterstof aandacht in het beleid. Compensatie voor burgers of bedrijven die na de transitie meer moeten gaan betalen voor hun energievoorziening kan worden overwogen.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie. Het creëren van de vraag kan in theorie het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In het advies Naar een duurzame economie bepleit de raad bovendien een omgekeerde bewijslast als het gaat om het concurrentienadeel en CO2-weglekeffecten als gevolg van dergelijke heffingen als zij alleen in Nederland zouden gelden.

Als het gaat om klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. De speelveldtoets geeft aan dat de marges in de industrie smal zijn, de opties tot verduurzamen nog beperkt, en de kans op CO2-weglek aanzienlijk. Daarom is het van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Hierin voorziet het EU-plan voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk. Nederland moet zich in Brussel sterk maken voor dit carbon border adjustment mechanism. Ook moet Nederland aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat.

De internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie in Nederland laat op dit moment niet de nationale verhoging van de CO2-prijs toe die nodig zou zijn om de klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Besluitvorming op EU-niveau duurt lang en is niet zeker. Het creëren van vraag naar waterstof en een waterstofmarkt moet dus op korte termijn met andere instrumenten worden gerealiseerd.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken.

Op langere termijn is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Genoemde instrumenten hebben daarom een tijdelijk karakter. Het gaat hier om keuzes tot 2030. Na 2030 zal de inzet van instrumenten herijkt moeten worden.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar. Blauwe waterstofcapaciteit draagt daarnaast bij aan de voorzieningszekerheid, ook op langere termijn als er meer en goedkopere groene waterstof (geproduceerd door middel van elektrolyse) beschikbaar komt. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for- difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee of in Pentalateraal verband zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.
 

Rli brengt op 25 januari 2021 advies uit over waterstofbeleid

Op 25 januari 2021 brengt de Rli zijn advies ‘Waterstof: de ontbrekende schakel’ uit. Het advies richt zich op de volgende vragen: Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie? Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij? Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (EZK) neemt het advies in ontvangst.

Over het advies

Zowel in Nederland als in het buitenland is de interesse voor waterstof groot. Op tal van plaatsen wordt hierover gediscussieerd en gepubliceerd. Daarbij lopen de meningen over de inzetbaarheid van waterstof en de condities waaronder die moeten plaatsvinden uiteen. De raad geeft in dit advies antwoorden op vragen die steeds weer terugkomen.

Persbericht
Raad: 
Adviesrelatie: 
sitecontent: 

Werkprogramma 2021-2022

De raad heeft de ambitie om in de komende jaren bij te dragen aan het versnellen van de noodzakelijke transities in het brede veld van de fysieke leefomgeving. Vanwege de sterke onderlinge verbondenheid van de uitdagingen in de fysieke leefomgeving zullen de meeste adviezen van de raad zich uitstrekken over de grenzen van de vier departementen in het fysieke domein.

Werkprogramma 2021-2022

Twee adviestrajecten die de raad in uitvoering heeft lopen door in 2021:

  • Digitalisering en de transitie naar een duurzame samenleving (werkprogramma 2018-2019)
  • Integraal afwegen bij bereikbaarheidsopgaven (op verzoek van de Tweede Kamer)

De vijf nieuwe thema's die de raad oppakt zijn:

  • Herijking natuurbeleid
  • Plaats en toekomst van het woningcorporatiestelsel
  • Sturen op schaarse ruimte
  • Toekomstperspectief landbouw
  • Kerncentrales

Kijk voor de laatste stand van zaken op In voorbereiding

 

Te bestellen: 
nee
illustratie van radertjes die in elkaar grijpen
Raad: 
sitecontent: 
Programmering van de onderwerpen voor de periode 2021-2022
Homepage Teasertekst: 
Programmering van de adviesthema's voor de periode 2021-2022.

Evaluatie tweede zittingsperiode Rli 2016-2020

Het kabinet heeft op 28 september 2020 zijn oordeel over het functioneren van de raad aangeboden aan het parlement. De Kaderwet adviescolleges geeft aan dat de Rli elke vier jaar een evaluatie moet uitvoeren. Op 1 augustus 2020 eindigde de tweede zittingstermijn (2016-2020) van de raad. De KWINKgroep heeft in opdracht van de Rli een onafhankelijke evaluatie uitgevoerd. Samen met een brief waarin de raad verantwoording aflegt aan regering en parlement en aangeeft hoe hij om wil gaan met de bevindingen van de KWINKgroep is het evaluatierapport eind mei aan het kabinet gestuurd.

Het kabinet onderschrijft het algemene positieve oordeel dat KWINK in zijn evaluatierapport geeft over het functioneren van de raad. De evaluatie en de kabinetsreactie bieden de raad de gelegenheid om zijn eigen functioneren in de komende raadsperiode (2020-2024) verder te verbeteren.


De kabinetsreactie gaat in op:

  • Het functioneren van de raad
  • De totstandkoming van het werkprogramma
  • Het onderscheid tussen gevraagde en ongevraagde adviezen
  • De doorwerking, -directe- toepasbaarheid en het strategisch karakter van adviezen
  • De in de evaluatie geconstateerde defensieve grondtoon van de kabinetsreacties op adviezen


Conclusies

  • Het algemene oordeel over het functioneren van de raad is positief
  • De Rli levert met heldere, richtinggevende en agenderende adviezen voeding aan het politiek-maatschappelijk debat
  • Het kabinet steunt de inzet van junior-raadsleden door de Rli
  • Het kabinet steunt de ingezette richting van de raad om het burgerperspectief te betrekken in zijn advisering
  • Er is waardering voor de over het algemeen goede afstemming tussen de raad en de betrokken departementen
  • Voor wat betreft doorwerking ziet het kabinet dat de raad een mooi evenwicht gevonden heeft in de mate waarin aandacht gevraagd wordt voor adviezen
  • De door KWINK vastgestelde defensieve grondtoon in kabinetsreacties wordt door het kabinet ter harte genomen
  • De kabinetsreactie bevat ook enkele aandachtspunten
  • Het kabinet herkent de constatering van KWINK dat niet alle kennis vertegenwoordigd is in de raad en benadrukt dat waar specifieke kennis ontbreekt het essentieel is om het hiaat te herkennen en deze kennis vervolgens van buiten aan te vullen
  • Het kabinet moedigt de Rli aan om op zoek te gaan naar mogelijkheden om de aansluiting bij de dagelijkse beleidspraktijk te versterken en daarmee de balans te blijven zoeken tussen de langetermijndoorwerking en de toepasbaarheid van aanbevelingen op de korte termijn


Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Bas Waterhout, projectleider, bas.waterhout@rli.nl

Lees meerover de Kaderwet adviescolleges

Publicatie bestand: 
Te bestellen: 
nee
kaft van rapport met titel Evaluatie Rli 2016-2020 door KWINKgroep
Raad: 
sitecontent: