publicaties

Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid

10 februari 2021
Teasertekst: 
Er zijn steeds meer oplossingen voor bereikbaarheidsvraagstukken. De te maken keuzes hangen steeds sterker samen met andere opgaven in de leefomgeving. Hoe komen we tot integraal bereikbaarheidsbeleid?
Adviesnummer: 
Rli 2021/03
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

De Tweede Kamer heeft de Rli gevraagd om advies te geven over hoe een meer integrale benadering van het bereikbaarheidsvraagstuk in de praktijk kan worden gerealiseerd. De vragen die de Kamer heeft gesteld aan de raad luiden: Welke institutionele belemmeringen zijn er binnen overheidsorganisaties en hoe kunnen deze worden weggenomen? Verschillen deze belemmeringen tussen nationale, regionale en grensoverschrijdende mobiliteitsopgaven? Hoe kan een integrale afweging worden geborgd in de diverse afwegingsinstrumenten? Hoe kan de Kamer hierop invloed uitoefenen?

De Rli beantwoordt het verzoek van de Tweede Kamer met dit advies, met als centrale vraag:

Hoe kan in de beleidsvorming een meer integrale afweging van bereikbaarheidsopgaven en –oplossingen worden gerealiseerd? Wat zijn de belangrijkste belemmeringen die zo’n integrale afweging in de weg staan voor instituties in het algemeen en de Tweede Kamer in het bijzonder en hoe zijn die belemmeringen weg te nemen?

Riding through the city
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Er is een toenemend besef dat in het bereikbaarheidsbeleid een ‘integrale’ benadering gewenst is. Een integrale benadering gaat verder dan het mogelijk maken van een efficiënte verplaatsing per auto, fiets of openbaar vervoer. Zo’n benadering doet recht aan nieuwe mogelijkheden en innovaties op het gebied van mobiliteit. Ruimtelijke oplossingen en spreiding van mobiliteit over de dag worden in de afwegingen betrokken. Het beleid houdt een open oog voor digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen. Een integrale benadering houdt bovendien rekening met andere opgaven in de leefomgeving, zoals verstedelijking, veiligheid en klimaat. Om te komen tot een integraal afgewogen bereikbaarheidsbeleid doet de raad in dit advies een aantal aanbevelingen aan regering en parlement.

De drie hoofdaanbevelingen zijn:

Stuur op brede welvaart: als ijkpunt in de gehele beleidscyclus van het bereikbaarheidsbeleid, inclusief visies en afwegingsinstrumentarium

De raad adviseert om het faciliteren van mobiliteit niet langer het dominante uitgangspunt van het bereikbaarheidsbeleid te laten zijn. Er is een weldoordachte visie nodig, bekrachtigd door politieke besluitvorming, op de doelen van het bereikbaarheidsbeleid en hoe die het beste kunnen worden gerealiseerd. De effecten op brede welvaart zouden wat de raad betreft daarbij het ijkpunt moeten vormen in de gehele beleidscyclus, van visievorming tot implementatie. Dit vergt aanpassing van het afwegingsinstrumentarium en het gebruik ervan. Het denkkader en de systematiek van maatschappelijke kosten-batenanalyses zouden eerder en consistenter in besluitvormingsprocessen moeten worden ingezet. De nieuwe nationale markt- en capaciteitsanalyse, die in de zomer van 2021 verschijnt, dient recht te doet aan alle aspecten die uit het oogpunt van brede welvaart relevant zijn. Voorkomen moet worden dat deze analyse de status krijgt van een prioriteitenlijst voor infrastructurele oplossingen, zoals voorheen het geval is geweest.

Stuur met een brede blik: op alle beschikbare oplossingsrichtingen voor bereikbaarheidsvraagstukken

De raad roept regering en parlement op om álle beschikbare oplossingsrichtingen voor het verbeteren van bereikbaarheid te betrekken in de beleidsafwegingen. Veranderende maatschappelijke voorkeuren en technologische ontwikkelingen geven hier aanleiding toe. Naast ‘klassieke’ infra­structurele maatregelen gericht op de aanpak van verkeerskundige capaciteitsknelpunten dienen ook andere kansrijke oplossingsrichtingen, zoals gedragsbeïnvloeding, spreiding van mobiliteit in de tijd, digitale bereikbaarheidsalternatieven en slim ruimtelijk ontwerp, nevengeschikt te worden meegewogen bij het maken van beleidskeuzes. De snelle ontwikkeling van digitale alternatieven voor fysieke verplaatsingen, zoals online thuiswerken of onderwijs volgen, vraagt versneld om beleidsaandacht, in samenwerking met private partijen. Daarnaast kan het Rijk met ruimtelijk beleid sterker sturen op de bereikbaarheidseffecten van verstedelijking.

Stuur samen: rijksbreed én met de regio’s, op basis van een meerjarige programmatische aanpak en financiering van bereikbaarheidsbeleid

Om te komen tot integraal afgewogen keuzes zullen op rijksniveau de drie betrokken departementen het bereikbaarheidsbeleid moeten beschouwen als een gezamenlijke, samenhangende opgave: IenW (voor het thema mobiliteit) en BZK (voor het thema verstedelijking en ruimtelijk ontwerp) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) (voor het thema digitale bereikbaarheid). Er is een gezamenlijke visie en beleidsagenda nodig, op basis waarvan verantwoordelijkheden en financiële middelen voor het bereikbaarheidsbeleid worden toegewezen. De uitvoering van zorgvuldig op elkaar afgestemde verstedelijkings- en bereikbaarheidsstrategieën mag vervolgens in de uitvoeringsfase niet worden belemmerd door een sectorale projectenaanpak of door belangen van individuele organisaties. Gebiedsgerichte programmasturing, gekoppeld aan gezamenlijke programmafinanciering, vormen volgens de raad de basis voor een betere verankering van integraal werken in de samenwerking, rijksbreed en tussen het Rijk en de regio’s. Dat vraagt voor de komende periode ook om verbreding van de financiële basis voor integraal bereikbaarheidsbeleid.

De Tweede Kamer vervult in de hele beleidscyclus een belangrijke rol bij het realiseren van een integraler bereikbaarheidsbeleid. De raad heeft daarbij twee specifieke aanbevelingen:

Maak meer gebruik van de beschikbare parlementaire sturingsmogelijkheden

De Tweede Kamer kan haar sturingsmogelijkheden beter benutten door het kabinet scherp te bevragen op het integrale karakter van uitgangspunten en voorstellen voor bereikbaarheidsbeleid en daarover het politieke debat te voeren. Ook kan de Kamer desgewenst, bijvoorbeeld met een initiatiefnota, een initiërende rol vervullen. Het effectief gebruiken van deze sturingsmogelijkheden vraagt van de Kamer dat zij zich een mening vormt over de rol die bereikbaarheidsbeleid kan spelen bij het bevorderen van brede welvaart. Het vereist ook dat de Kamer erop toeziet dat gebruikte afwegingskaders en beslisinstrumenten voldoende zijn ingericht op het maken van integrale afwegingen.

Richt de parlementaire aandacht sterker op de samenhang tussen effecten, oplossingsrichtingen en bestuurlijke organisatie van het bereikbaarheidsbeleid

De Tweede Kamer zou bij de invulling van haar controlerende taak de aandacht minder moeten richten op de resultaten van afzonderlijke projecten en maatregelen en zich meer moeten concentreren op de effecten en doelrealisatie van het bereikbaarheidsbeleid als geheel.

Dat betekent ook: het kabinetsbeleid nadrukkelijker beoordelen op gemaakte verbindingen met andere relevante inhoudelijke beleidsdomeinen zoals ruimtelijk beleid, verstedelijking en digitalisering en op samenwerking tussen departementen en bestuurslagen. Een meer integraal bereikbaarheidsbeleid zou volgens de raad ook gebaat zijn bij het regelmatig organiseren van gezamenlijke ­vergaderingen van de vaste commissies voor IenW en BZK.

Publicatiedatum

Op 10 februari bood de raad zijn advies ‘Naar een integraal bereikbaarheidsbeleid’ aan de Tweede Kamer aan. Kamerlid Rutger Schonis (D66) nam het advies namens de Tweede Kamer online in ontvangst.

Meer informatie

Voor uw reactie op dit onderwerp of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luc Boot, projectleider, luc.boot@rli.nl of 06 1057 7495.

Digitaal duurzaam

Februari 2021
Digitaal duurzaam
Teasertekst: 
Digitale technologie en datagebruik veranderen onze samenleving ingrijpend. Dit heeft grote gevolgen voor de duurzaamheid van onze leefomgeving. Hoe kunnen we een digitale én duurzame samenleving realiseren?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli2021/02
Te bestellen: 
nee

Aanleiding en adviesvraag

Achter de leefomgeving die wij zien en ervaren gaat een digitale wereld schuil van data, platformen en digitale diensten. De digitale wereld bepaalt steeds meer hoe wij wonen, reizen, recreëren, consumeren enzovoorts. Dit heeft ons veel gemak en welvaart gebracht. Digitale technologie en data hebben positieve gevolgen voor duurzaamheid door bijvoorbeeld productieprocessen efficiënter te maken en door de integratie van zon- en windenergie in ons energiesysteem mogelijk te maken. Maar digitalisering leidt niet vanzelfsprekend tot een duurzamere samenleving. Digitalisering jaagt ook consumptie aan, zorgt voor een groei van de grondstofintensieve industrie en voor een toename van broeikasgassen.

De adviesvraag luidt: hoe hangen digitalisering en duurzaamheidstransities samen en welke rol van de overheid is nodig, mogelijk en effectief om digitalisering te laten bijdragen aan de noodzakelijke transitie naar een duurzame samenleving?

Verlichte snelweg met denkbeeldige draadstructuur van digitale verbindingen en stedelijke bebouwing op achtergrond
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De overheid voert actief beleid om de leefomgeving te verduurzamen en neemt tal van maatregelen in de fysieke leefomgeving om doelen op het gebied van broeikasgassen, klimaat en grondstoffengebruik te bereiken. De digitale kant van de leefomgeving krijgt in het beleid echter nog onvoldoende aandacht. Het digitaliseringsbeleid van de overheid richt zich op de economische kansen van digitalisering, op eerlijke concurrentie en op de bescherming van rechten van burgers in een digitale wereld, maar niet op de duurzaamheidseffecten. In het duurzaamheidsbeleid op zijn beurt, is nog onvoldoende aandacht voor de onmisbare rol van digitale technologie en data om de duurzaamheidsdoelen te bereiken. Gerichte interventies van Nederland en de Europese Unie in de digitale wereld zijn daarom noodzakelijk en gerechtvaardigd. De overheid is verantwoordelijk voor een duurzame leefomgeving en de digitalisering verandert de aangrijpingspunten om hierop te sturen. Door de digitalisering ontstaan nieuwe mogelijkheden voor overheidssturing.

Digitale platformen hebben een cruciale positie in de digitalisering van de samenleving en vormen daardoor het beste aangrijpingspunt voor maatregelen om de verduurzaming van de leefomgeving te stimuleren. In de leefomgeving verbinden platformen vraag en aanbod van tal van goederen en diensten. Hiervoor worden leefomgevingsdata verzameld, geanalyseerd en bewerkt, of het nu gaat om het aanbieden en afnemen van energie, reizen of consumentengoederen. Door deze rol bepalen digitale platformen in toenemende mate de regels voor bijvoorbeeld markten voor mobiliteit, vrije tijd, energie en grondstoffen, met effecten op de leefomgeving. De raad acht het daarom van groot belang dat de overheid hier greep op krijgt en randvoorwaarden stelt aan digitale platformen in het belang van duurzaamheid. Daartoe is volgens de Rli ook een Europese verordening nodig die het stellen van duurzaamheidsrandvoorwaarden aan platformen mogelijk maakt. Bovendien moet de rijksoverheid de mogelijkheden onderzoeken om via platformen negatieve milieueffecten door te berekenen in de prijs van producten of diensten.

De Rli doet drie hoofdaanbevelingen voor actieve overheidssturing:

  1. De overheid moet digitale technologie en data zelf vaker inzetten in haar duurzaamheidsbeleid;
  2. De overheid moet ook in zijn digitaliseringsbeleid ervoor zorgen dat digitalisering van de samenleving duurzaam is; en
  3. Overheidsorganisaties moeten zich beter voorbereiden op digitale ontwikkelingen.PM

Essays

In verschillende leefomgevingsdomeinen blijkt digitalisering zich met verschillende snelheden, intensiteit en fasering te voltrekken. Omdat er geen sprake is van één duurzaamheidstransitie heeft de Rli in de voorbereiding van het advies enkele deskundigen gevraagd om in een essay te reflecteren op de samenhang tussen digitalisering en duurzaamheidstransities in drie verschillende domeinen: energie, mobiliteit en circulaire bouweconomie. Welke veranderingen brengt die samenhang met zich mee? Wat betekent het voor het verwezenlijken van duurzaamheidsdoelen? Is het huidige instrumentarium van de overheid afdoende die doelen te halen of andere publieke waarden te borgen?

De essayisten gaan allen in op actuele digitale ontwikkelingen in de leefomgevingsdomeinen en de betekenis daarvan voor de duurzaamheidstransities. In de essays komen zaken aan bod als de ontwikkeling van digitale platformen, de veranderende invloed en rol van de overheid en de borging van publieke waarden. De inhoud van de essays valt onder de verantwoordelijkheid van de auteurs. De essays geven niet noodzakelijkerwijs de mening van de raad weer.

Lees het essay ‘Waardevol digitaliseren voor de energietransitie’ - Eef Masson, Romy Dekker & Rinie van Est - Rathenau Instituut

Lees het essay 'Digitalisering en de transitie naar een duurzame samenleving - Perspectief vanuit het mobiliteitsdomein' - Carlo van de Weijer Eindhoven - AI Systems Institute

Lees het essay 'The digital potential in creating a circular construction economy' - Paul W Chan, Catherine De Wolf and Alexander Koutamanis -Technische Universiteit Delft

Publicatiedatum

Het advies is op 9 februari 2021 aangeboden aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met de Bart Swanenvleugel, projectleider, bart.swanenvleugel@rli.nl, 06 52012691.

 

Digitalisering en duurzaamheid

Nederland staat voor een aantal forse duurzaamheidsopgaven, onder meer op het gebied van energie, mobiliteit en verbruik van grondstoffen. Bij de aanpak van deze opgaven is het opvallend dat er relatief weinig aandacht is voor de samenhang tussen de duurzaamheidstransities en de verregaande digitalisering van de leefomgeving. In ons streven naar een duurzame leefomgeving is overheidssturing op digitalisering volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) onontbeerlijk, omdat de fysieke leefomgeving tegenwoordig onlosmakelijk verbonden is met de digitale wereld. De Europese Unie noemt de transitie naar een duurzame samenleving en digitalisering niet voor niets een twin challenge.

In navolging van de Duitse adviesraad WBGU (Wisschenschaftlicher Beirat der Bundesregierung Globale Umweltveränderungen) ziet de raad twee kanten aan deze samenhang tussen digitalisering en duurzaamheid. Aan de ene kant kunnen data en digitale technologieën gericht worden ingezet om duurzaamheid te bevorderen. Daarvoor is het wel nodig dat de juiste data worden verzameld en ook (kunnen) worden gedeeld. Aan de andere kant verandert onze samenleving door digitalisering en dat heeft gevolgen voor duurzaamheid. Onder invloed van digitalisering verandert de manier waarop we reizen, werken, wonen, recreëren en zelfs hoe we naar de wereld kijken. Maar dat leidt niet vanzelfsprekend tot meer duurzaamheid. Integendeel, sommige digitale verworvenheden kunnen leiden tot meer consumptie, een groei van de grondstofintensieve industrie en een toename van broeikasgassen.

Onvoldoende beleidsaandacht voor de relatie tussen digitalisering en duurzaamheid

In het overheidsbeleid gaat veel aandacht uit naar de economische kansen die digitalisering brengt. Dat gaat steeds meer gepaard met het besef dat de digitale economie zich anders ontwikkelt dan de ‘analoge’ economie. Het beleid heeft steeds meer aandacht voor het waarborgen van eerlijke concurrentie en het beschermen van de rechten van burgers. Het beleid stelt echter geen kaders voor digitalisering vanuit de duurzaamheidsopgaven, zo constateert de raad in dit advies.

Omgekeerd richt het duurzaamheidsbeleid van de overheid zich nog nauwelijks op de digitale wereld. De raad vindt dat de wet- en regelgeving, de financiële prikkels en het toezicht in het kader van het duurzaamheidsbeleid zich te veel rechtstreeks richten op activiteiten en gevestigde partijen in de leefomgeving. Duurzaamheidsbeleid moet zich ook richten op nieuwe partijen, die zich bezighouden met de exploitatie van digitale platformen, dataverzameling of digitale dienstverlening.

Digitale platformen hebben een spilfunctie in de leefomgeving

Digitale platformen verbinden vraag naar en aanbod van goederen, diensten, informatie of kennis met elkaar. Deze platformen bepalen in toenemende mate regels voor het marktverkeer in de leefomgeving. Ze zijn daardoor steeds bepalender voor de interacties die plaatsvinden en de diensten die worden geleverd. De raad constateert dat digitale platformen door deze spilfunctie enerzijds effect hebben op de kwaliteit van de leefomgeving, anderzijds aanknopingspunten bieden om de verduurzaming van de samenleving te bevorderen. Of het nu gaat om het aanbieden of afnemen van energie, reizen of consumentengoederen, digitale platformen zijn vrijwel onmisbaar en bepalen meer en meer de voorwaarden voor het gebruik van de leefomgeving. In het mededingingsbeleid van de overheid wordt de centrale positie van digitale platformen erkend, maar in het duurzaamheidsbeleid vooralsnog niet.

Kennistekort bij overheden

Om effectief vanuit duurzaamheidsoogpunt te kunnen sturen op digitalisering is diepgaande kennis nodig van het digitale domein. Daarbij gaat het om technische kennis, maar ook om kennis van de werking van digitale markten. Overheden die betrokken zijn bij de duurzaamheidstransities hebben dat soort kennis doorgaans nog onvoldoende in huis, of de kennis is alleen versnipperd aanwezig in de organisatie.

Conclusies

De raad concludeert dat de rijksoverheid – waar mogelijk in samenwerking met de Europese Unie –de duurzaamheidsopgaven waar Nederland voor staat moet meenemen in haar digitaliseringsbeleid. De digitalisering van de samenleving gaat immers om veel meer dan alleen economische kansen en burgerrechten. Andersom zou de overheid in haar duurzaamheidsbeleid het potentieel van digitale technologie zo goed mogelijk moeten benutten. Daarvoor is een nieuwe blik op de leefomgeving nodig: niet alleen kijken naar wat er in de fysieke omgeving zelf gebeurt, maar ook naar de digitale wereld die daar achter ligt. Actieve overheidssturing op deze digitale aspecten van de leefomgeving is noodzakelijk om de samenleving te verduurzamen.

Aanbevelingen aan de overheid

De raad doet in dit advies zes aanbevelingen aan de overheid om te sturen op de gedigitaliseerde leefomgeving met het oog op duurzaamheid. Daarnaast beveelt de raad drie interventies in de overheidsorganisatie aan, die nodig zijn om de voorgestelde sturing succesvol aan te pakken.

Samengevat luiden de aanbevelingen als volgt:

  1. Stimuleer digitale alternatieven voor vervuilende activiteiten.

  2. Zorg dat er standaarden worden ontwikkeld voor de omgang met data die relevant zijn voor duurzaamheid van de samenleving.
  3. Stel eisen en randvoorwaarden aan digitale platformen om te sturen op duurzaamheid.
  4. Maak gebruik van het mededingingsrecht om de duurzaamheidsconsequenties van platformbedrijven te beoordelen.
  5. Voer experimenten uit waarin duurzaamheidseffecten verrekend worden via digitale platformen.
  6. Stel eisen aan de omgang van dienstverleners en uitvoerende partijen met de data die zij vergaren en stimuleer duurzame digitale ontwikkelingen.
  7. Ontwikkel gedeelde deskundigheid over digitalisering bij overheden.
  8. Ontwikkel werkwijzen om met beleid en regelgeving snel op digitale ontwikkelingen te kunnen inspelen.
  9. Zorg voor krachtig toezicht op digitalisering in de leefomgeving.

Waterstof: de ontbrekende schakel

Januari 2021
Waterstof: de ontbrekende schakel.
Teasertekst: 
Wat is de betekenis en het strategisch belang van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
Adviesnummer: 
Rli 2021/01
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

De interesse voor waterstof neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur daarom in op de volgende vragen:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en/of als energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?
Foto: ijzeren kettingschakels - ogonekipit / Dispositphoto’s
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Waterstof wordt essentieel onderdeel van de energie- en grondstoffenvoorziening

De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zullen op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde klimaatneutrale waterstof biedt een oplossing voor deze problemen.

Waterstofmarkt ontstaat niet vanzelf

Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Aanbevelingen aan het kabinet

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie.

Het creëren van de vraag kan het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau van fossiele energiedragers stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In de casus van de klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. Het is van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Nederland zou moeten aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat. Tevens zou Nederland zich in Brussel hard moeten maken voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken. Op langere termijn, is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar en na die tijd bij kunnen dragen aan voorzieningszekerheid. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for-difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee en Noordwest-Europa zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.

Publicatiedatum

Op 25 januari 2021 overhandigde de raad zijn advies tijdens een online-aanbiedingsbijeenkomst aan de directeur-generaal Klimaat en Energie, Sandor Gaastra (r). Namens minister Bas van 't Wout van EZK nam Sandor Gaastra het advies in ontvangst.

Jan Jaap de Graeff (l) voorzitter van de Rli, overhandigde het advies aan directeur-generaal Sandor Gaastra - 25 januari 2021 Foto: Fred Ernst

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Folmer de Haan, projectleider, f.w.dehaan@rli.nl,

De interesse voor de inzet van waterstof ten behoeve van een duurzame energievoorziening neemt toe, zowel in Nederland als in het buitenland. Op tal van plaatsen wordt hierover gediscussieerd en gepubliceerd. Daarbij lopen de meningen over de inzetbaarheid van waterstof en de condities waaronder die moet plaatsvinden uiteen. Een aantal vragen staat daarbij centraal:

  • Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?
  • Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?
  • Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?
  • Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

In dit advies gaat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (verder te noemen ‘de raad’) op deze vragen in.

Waterstof speelt ook nu al een substantiële rol als grondstof in de chemische industrie. De raad concludeert in dit advies dat waterstof een cruciale schakel vormt in de toekomstige klimaatneutrale energie- en grondstoffenvoorziening. Maar de waterstofmarkt die hiervoor nodig is ontstaat niet vanzelf, daar is een actieve inzet van de overheid voor nodig gericht op het creëren van de vraag naar waterstof. De overheidsinzet bestaat uit het doen van investeringen in de infrastructuur maar ook bijvoorbeeld uit het werken aan het maatschappelijk draagvlak. Actieve inzet is niet alleen noodzakelijk voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat die bijdraagt aan het Nederlands verdienpotentieel. In dit advies wordt de hoofdboodschap aan de hand van de vraagstelling van dit advies verder uitgewerkt. De raad heeft met dit advies de ambitie het onderwerp integraal te benaderen, een overzicht te geven en een realistisch beeld te schetsen.

Wat is de betekenis van klimaatneutrale waterstof als grondstof, brandstof en energiedrager in een duurzame Nederlandse economie?

Waterstof wordt een essentieel onderdeel van het toekomstige klimaatneutrale energiesysteem van Nederland, zo laten toekomstscenario’s en potentieelstudies zien. De bijdrage van aardolie, aardgas en kolen zal op de lange termijn sterk worden gereduceerd. Veel meer processen zullen elektrisch worden aangedreven. Vooral wind en zon zullen als duurzame energiebronnen worden gebruikt. Maar niet in alle energiebehoeften kan zonder meer met elektriciteit worden voorzien. Transportkosten zijn voor elektriciteit hoger dan voor gasvormige energiedragers en de transportcapaciteiten lager. Bovendien zijn er perioden waarin wind en zon in Noordwest-Europa simpelweg te weinig energie leveren. Schoon geproduceerde (‘klimaatneutrale’) waterstof – dat wil zeggen waterstof bij de productie waarvan geen COHoe g vrijkomt – biedt een oplossing voor deze problemen. Elektriciteit kan namelijk worden omgezet in waterstof, in die vorm worden opgeslagen en later weer worden omgezet in elektriciteit. Dit maakt het mogelijk om periodieke overschotten en tekorten aan elektriciteit uit zon en wind kosteneffectief op te vangen en te verhandelen.

Waterstof zal daarnaast een belangrijk onderdeel worden van het Nederlandse grondstoffensysteem. Door zijn moleculaire structuur is waterstof namelijk óók bruikbaar als grondstof voor het vervaardigen van brandstoffen, materialen en producten die nu nog worden gemaakt uit aardolie, aardgas en kolen en bij chemische processen zoals het recyclen van kunststoffen.

Hoe groot de rol van waterstof zal worden in ons energie- en grondstoffensysteem is nog niet precies te zeggen. Waterstof krijgt een cruciale rol bij een aantal toepassingen (zie paragraaf 2.3) waardoor minimaal 15-25% van de energiedragers in de finale behoefte aan energetische en nonenergetische toepassingen via waterstof zal verlopen. Voor andere toepassingen is waterstof een van de mogelijke routes. Als de kosten dalen en de beschikbaarheid toeneemt, kan waterstof dus een nog veel belangrijkere rol vervullen dan nu het geval is.

Doordat waterstof tegelijkertijd in verschillende industrietakken nodig zal zijn als klimaatneutrale grondstof voor de productie van basismaterialen (zoals plastics, kunstmest en staal), vormt het in een nieuw energie- en grondstoffensysteem een integrerend element, dat uitwisseling tussen onderdelen van dit systeem mogelijk maakt. Flexibiliteit en leveringszekerheid zijn daarmee gewaarborgd.

Er zijn verschillende potentiële toepassingen voor waterstof. Vooralsnog is waterstof het enige klimaatneutrale alternatief voor het genereren van hoge temperatuurwarmte in de industrie en voor het produceren van schone brandstof voor vliegtuigen en zeeschepen. Verder kan waterstof worden gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, en als schoon alternatief voor aardgas. Dit kan met name uitkomst bieden in situaties waar andere vormen van duurzame energie moeilijk of alleen tegen hoge kosten kunnen worden ingezet.

Hoe reëel zijn de verwachtingen ten aanzien van waterstof en passen daar al eindbeelden bij?

Klimaatneutrale waterstof zal niet vanzelf een plek vinden in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem. Op dit moment zijn de vraag naar en het aanbod van klimaatneutrale waterstof nog ontoereikend. Ook is de infrastructuur voor het transport, de distributie en de opslag nog niet gereed. Om dit alles tot stand te brengen zal overheidsstimulering nodig zijn. Een waterstofbeurs, naar het voorbeeld van de stroom- en gasbeurzen, kan vervolgens dienen als economisch coördinatiemechanisme en als katalysator van een markt voor klimaatneutrale waterstof.

In het uiteindelijke systeem zal de rol van waterstof zoals gezegd cruciaal zijn. De raad verwacht dat in dit ‘eindbeeld’ voornamelijk gebruik zal worden gemaakt van ‘groene’ waterstof, dat is geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. Om de gewenste eindsituatie te bereiken is echter een tussenperiode onontkoombaar. Daarin wordt gebruikgemaakt van ‘blauwe’ waterstof, dat wordt geproduceerd uit fossiele energiebronnen waarna de bij dit proces vrijkomende CO2 wordt opgeslagen.

Wat is het strategische belang van waterstof voor Nederland?

De waterstofmarkt ontwikkelt zich op dit moment in een internationale context. Het is daarom de vraag of Nederland het voortouw moet nemen. Kunnen we niet beter wachten op stappen van de Europese Unie (EU) en andere landen? Zowel de Europese Commissie als landen om ons heen, met name Duitsland, hebben concrete plannen gepresenteerd voor het ontwikkelen van een waterstofmarkt en daar ook middelen voor vrijgemaakt. Ook mondiaal oriënteren verschillende regio’s (onder meer het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Japan, China en Zuid-Korea met Australië en Nieuw-Zeeland) zich op de mogelijkheden om waterstof te produceren en te exporteren. Vooral de ontwikkelingen in Duitsland en België zijn voor Nederland van belang en kunnen een positief effect hebben op de ontwikkeling van de Nederlandse markt.

Toch is het volgens de raad raadzaam dat Nederland ook zelf op korte termijn actief inzet op het aanzwengelen van een waterstofmarkt in Nederland. Niet alleen omdat dit noodzakelijk is voor de verduurzaming van de Nederlandse economie, maar ook omdat het belangrijk is geen achterstand op te lopen ten opzichte van de ons omringende landen. De Nederlandse overheid zal moeten investeren in infrastructuur, transport- en opslagcapaciteit. Door tegelijk ook de productie van waterstof in Nederland te stimuleren, kan op termijn de voorzieningszekerheid worden vergroot. Nederland wordt dan minder afhankelijk van andere landen, wat in de huidige onrustige geopolitieke situatie verstandig is. Daar komt bij dat Nederland verhoudingsgewijs over een gunstige uitgangspositie beschikt om een waterstofmarkt op te bouwen. Verschillende productievormen van waterstof zijn in Nederland realiseerbaar, Nederland heeft goede mogelijkheden voor de CO2-afvang en opslag en er is een bestaand netwerk voor gastransport en -distributie dat te gebruiken is voor waterstof. Nederland beschikt bovendien over relevante kennis en ervaring. Denkbaar is dat een vooraanstaande positie van Nederland in de internationale waterstofmarkt op termijn economisch voordeel zal opleveren.

Wat betekent het strategische belang van waterstof voor de inzet van de rijksoverheid en anderen?

Een markt voor klimaatneutrale waterstof in Nederland zal niet ontstaan zonder actieve inzet van de overheid. De belangrijkste belemmeringen die de overheid kan helpen verminderen zijn:

  1. de hoge aanloopkosten voor onder meer infrastructuur en technologie
  2. het gebrek aan vraag naar klimaatneutrale waterstof als gevolg van het prijsvoordeel dat fossiele energiebronnen nu nog genieten ten opzichte van klimaatneutrale alternatieven
  3. het ontbreken van investeringsbereidheid bij marktpartijen in de productie van klimaatneutrale waterstof zolang de afname niet is gegarandeerd
  4. het ontbreken van voldoende gevoel van urgentie in de samenleving als het gaat om het belang van klimaatneutrale waterstof
  5. het risico dat er maatschappelijke weerstand zou kunnen ontstaan vanwege vermeende onveiligheid en hoge kosten.

De raad vindt dat het kabinet de realisatie van een transport- en distributienetwerk van waterstof moet faciliteren. Nederland beschikt over een uitgebreid (en met de terugdringing van het aardgasgebruik zelfs sterk overgedimensioneerd) aardgastransportnetwerk. Dit netwerk kan geschikt worden gemaakt voor waterstof. Een infrastructuur bestaande uit een hoofdnetwerk dat transport van waterstof mogelijk maakt tussen industriële clusters, naar opslagfaciliteiten en naar import- en exportlocaties, is een voorwaarde voor ontwikkeling van de waterstofmarkt.

Daarnaast heeft de rijksoverheid een cruciale rol bij het stimuleren van vraag naar klimaatneutrale waterstof. Dat kan het beste door de CO2-uitstoot van niet-klimaatneutrale alternatieven te beprijzen. Daarmee ontstaat een structureel eerlijke concurrentiepositie voor klimaatneutrale waterstof (en andere klimaatneutrale alternatieven). Voor het ontwikkelen van de Nederlandse productie van klimaatneutrale waterstof zijn tijdelijke subsidies overigens wel een goede oplossing.

Per sector verschilt de concurrentiepositie van klimaatneutrale waterstof ten opzichte van de alternatieven. Daarom zal een sectorgerichte aanpak nodig  zijn. Daarbij maakt de raad het volgende onderscheid:

  • Voor sectoren die niet vallen onder het CO2-emissiehandelssysteem van de EU, zoals de transportsector en de sector gebouwde omgeving, zijn nationale maatregelen nodig die de vraag naar klimaatneutrale waterstof vergroten.
  • Bij grote industriële ondernemingen en elektriciteitsproducenten zal het Europese CO2-emissiehandelssysteem op termijn een effectief instrument vormen om de vraag naar waterstof te stimuleren, zeker in combinatie met het aangescherpte Europese klimaatbeleid. Omdat verdergaand EU-beleid nog in de maak is, denkt de raad dat op de korte termijn ook voor deze sectoren de waterstofvraag moet worden gestimuleerd met specifieke nationale maatregelen.

Naarmate klimaatneutrale waterstof een belangrijker plaats krijgt in het Nederlandse energie- en grondstoffensysteem, zal het benodigde maatschappelijk draagvlak zwaarder gaan wegen. Het is daarom belangrijk dat de overheid goed communiceert over de reden waarom waterstof nodig is, en over de manier waarop zal worden omgegaan met de uiteenlopende consequenties van het gebruik van waterstof.

Eén van die consequenties betreft de veiligheid. De toepassing van waterstof is nu nog sterk geconcentreerd in industriële toepassingen. Maar de introductie van nieuwe waterstoftoepassingen en -technologieën in het publieke domein, inclusief grootschalig transport en opslag, brengt per definitie risico’s met zich mee. Het kabinet dient budget vrij te maken om zorgvuldig en uitgebreid onderzoek te doen, zodat er meer zicht komt op die risico’s en de benodigde maatregelen hoe deze risico’s te beheersen. Voorkomen moet worden dat er grootschalige toepassingen op de markt komen die onvoldoende veilig zijn. Ook kleinschalige toepassingen waar waterstof bij betrokken is, kunnen onvoldoende veilig zijn. Zeker in de fase waar we nu zitten, zullen kleine incidenten onder een vergrootglas komen te liggen. Dit zou het draagvlak voor waterstof kunnen ondermijnen.

Een aandachtspunt betreft ook transparantie over de kosten van waterstof. De introductie van elke vorm van duurzame energie heeft, zeker in de aanvangsfase, kostprijsverhogende effecten voor de consument c.q. afnemer. Zo zullen de energiekosten van huishoudens en bedrijven stijgen wanneer waterstof wordt toegepast voor de verwarming van gebouwen. Dit kan met fiscale maatregelen weer gecompenseerd worden. Deze compensatie kan alleen tijdelijk van aard zijn. De overheid zal over de aan de energietransitie verbonden kosten en over vormen van compensatie helder moeten communiceren.

De raad heeft zes aanbevelingen opgesteld met maatregelen die de rijksoverheid de komende tijd concreet moet nemen. De aanbevelingen worden hieronder samengevat weergegeven.

1. Investeer op korte termijn in de totstandkoming van een hoofdtransportnet voor waterstof met import- en exportmogelijkheden

Een voorwaarde voor het ontstaan van een waterstofmarkt is de aanwezigheid van opslagfaciliteiten, import- en exportfaciliteiten en een transportnetwerk dat deze faciliteiten verbindt met de industriële clusters. Zo’n landelijk dekkend waterstoftransportnetwerk met import- en exportmogelijkheden komt niet tot stand zonder overheidsinzet. Gezien de aanwezigheid van een aardgasnetwerk dat kan worden benut voor waterstoftransport, zijn de kosten om een waterstoftransportnetwerk tot stand te brengen relatief laag en zullen de benodigde overheidsinvesteringen dus beperkt zijn.

2. Geef veiligheid en ook maatschappelijk draagvlak een explicietere rol in het beleid

De veiligheid van nieuwe waterstoftechnologie moet vooraf zorgvuldig en uitgebreid worden onderzocht. De overheid dient hiervoor budget vrij te maken. Veiligheid kan dan worden meegenomen voor toepassingen van waterstoftechnologie voordat die grootschalig op de markt komen. Dit is een cruciale randvoorwaarde voor de inzet van waterstof in diverse toepassingen in het publieke domein.

Daarnaast dient de overheid actief aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak voor waterstof. Het gaat dan in de eerste plaats om duidelijke communicatie over de noodzaak van het gebruik van waterstof en dialoog over de veiligheidsrisico’s die daaraan verbonden zijn. Lokale initiatieven op het gebied van waterstof kunnen hieraan bijdragen. Daarnaast verdient de betaalbaarheid van waterstof aandacht in het beleid. Compensatie voor burgers of bedrijven die na de transitie meer moeten gaan betalen voor hun energievoorziening kan worden overwogen.

3. Stimuleer het ontstaan van vraag naar klimaatneutrale waterstof

De overheid moet ervoor zorgen dat klimaatneutrale waterstof kan concurreren met niet-duurzame alternatieven. Alleen dan ontstaat een waterstofvraag die past in het eindbeeld voor de verschillende sectoren van de Nederlandse economie. Het creëren van de vraag kan in theorie het beste door CO2-uitstoot te beprijzen. De consequentie is dat het prijsniveau stijgt en de klimaatneutrale alternatieven concurrerender worden. In het advies Naar een duurzame economie bepleit de raad bovendien een omgekeerde bewijslast als het gaat om het concurrentienadeel en CO2-weglekeffecten als gevolg van dergelijke heffingen als zij alleen in Nederland zouden gelden.

Als het gaat om klimaatneutrale waterstof zou op dit moment een CO2-prijs van ver boven de honderd euro per ton nodig zijn om de concurrentie aan te kunnen. De speelveldtoets geeft aan dat de marges in de industrie smal zijn, de opties tot verduurzamen nog beperkt, en de kans op CO2-weglek aanzienlijk. Daarom is het van belang dat beprijzen van CO2-uitstoot in EU-verband gebeurt. Hierin voorziet het EU-plan voor een importtaks op producten van buiten de EU op basis van de CO2-voetafdruk. Nederland moet zich in Brussel sterk maken voor dit carbon border adjustment mechanism. Ook moet Nederland aandringen op een verdere aanscherping van het Europese CO2-emissiehandelssysteem, zodat de prijs die de industrie moet betalen voor haar CO2-uitstoot verder omhoog gaat.

De internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie in Nederland laat op dit moment niet de nationale verhoging van de CO2-prijs toe die nodig zou zijn om de klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Besluitvorming op EU-niveau duurt lang en is niet zeker. Het creëren van vraag naar waterstof en een waterstofmarkt moet dus op korte termijn met andere instrumenten worden gerealiseerd.

Op nationaal niveau kan de overheid waterstof concurrerend maken met een specifieke maatregelen per sector. In de luchtvaart, scheepvaart en de gebouwde omgeving zal een fysieke of administratieve bijmengverplichting voor leveranciers van fossiele brandstoffen het effectiefst zijn. In andere sectoren zal fiscale stimulering of een verplichting van het gebruik van klimaatneutrale waterstof beter werken.

Op langere termijn is de verwachting dat de stijgende ETS-prijs in combinatie met de dalende kostprijs van klimaatneutrale waterstof voldoende stimulans biedt om klimaatneutrale waterstof concurrerend te maken. Genoemde instrumenten hebben daarom een tijdelijk karakter. Het gaat hier om keuzes tot 2030. Na 2030 zal de inzet van instrumenten herijkt moeten worden.

4. Sluit bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt geen vormen van waterstofproductie uit

De productie van ‘blauwe’ waterstof, gemaakt uit aardgas en industriële restgassen met afvang en opslag van CO2, zal een belangrijke overgangstechnologie vormen voor de komende vijftien tot twintig jaar. Blauwe waterstofcapaciteit draagt daarnaast bij aan de voorzieningszekerheid, ook op langere termijn als er meer en goedkopere groene waterstof (geproduceerd door middel van elektrolyse) beschikbaar komt. Ook import van waterstof zal een rol gaan spelen, maar volledige afhankelijkheid van waterstof die buiten de EU wordt geproduceerd is onwenselijk, vanwege het belang van voorzieningszekerheid.

5. Bied financiële ondersteuning aan (productie)technologieën die het ontstaan van een Nederlandse markt voor klimaatneutrale waterstoftechnologie bevorderen

Diverse technologieën op het gebied van waterstof kunnen bijdragen aan het ontstaan van een Nederlandse klimaatneutrale waterstofmarkt: gecombineerde afvang en opslag van CO2, gecombineerde energieopwekking en waterstofproductie uit wind-op-zee, waterstofopslag in zoutcavernes en de productie van brandstoffen op basis van waterstof. De overheid zou de (verdere) ontwikkeling van dit soort technologieën financieel moeten ondersteunen. Dit is mogelijk door middel van bijvoorbeeld contracts-for- difference, waarbij fabrikanten van producten die met deze relatief dure technologieën zijn gemaakt, het prijsverschil van de overheid terugkrijgen.

6. Zet actief in op samenwerking in EU-verband en met buurlanden en ontwikkel een sterkere internationale oriëntatie

Als het gaat om het verwerven van een waardevolle positie op de waterstofmarkt heeft Nederland in vergelijking met andere landen het voordeel dat het op dit moment al een internationaal energieknooppunt is. Om dit voordeel optimaal te benutten en bij te dragen aan de verduurzaming van Europa, is actieve inzet nodig op Europese samenwerking. Vooral de samenwerking met Duitsland en België, met landen rond de Noordzee of in Pentalateraal verband zou verder moeten worden geïntensiveerd om te komen tot een gecoördineerde uitrol van de waterstofmarkt en een grote mate van voorzieningszekerheid.
 

Video: Toelichting op het programma

Op 25 januari 2021 brengt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur zijn advies ‘Waterstof: de ontbrekende schakel’ uit. De vervanger van de minister van EZK, neemt het advies tijdens deze online bijeenkomst in ontvangst. Pallas Agterberg, raadslid Rli en voorzitter van de commissie die het advies heeft voorbereid licht toe wat de online bijeenkomst inhoudt.

Video: Toelichting op het programma
sitecontent: 

Werkprogramma 2021-2022

De raad heeft de ambitie om in de komende jaren bij te dragen aan het versnellen van de noodzakelijke transities in het brede veld van de fysieke leefomgeving. Vanwege de sterke onderlinge verbondenheid van de uitdagingen in de fysieke leefomgeving zullen de meeste adviezen van de raad zich uitstrekken over de grenzen van de vier departementen in het fysieke domein.

Werkprogramma 2021-2022

Twee adviestrajecten die de raad in uitvoering heeft lopen door in 2021:

  • Digitalisering en de transitie naar een duurzame samenleving (werkprogramma 2018-2019)
  • Integraal afwegen bij bereikbaarheidsopgaven (op verzoek van de Tweede Kamer)

De vijf nieuwe thema's die de raad oppakt zijn:

  • Herijking natuurbeleid
  • Plaats en toekomst van het woningcorporatiestelsel
  • Sturen op schaarse ruimte
  • Toekomstperspectief landbouw
  • Kerncentrales

Kijk voor de laatste stand van zaken op In voorbereiding

 

Te bestellen: 
nee
illustratie van radertjes die in elkaar grijpen
Raad: 
sitecontent: 
Programmering van de onderwerpen voor de periode 2021-2022
Homepage Teasertekst: 
Programmering van de adviesthema's voor de periode 2021-2022.

Evaluatie tweede zittingsperiode Rli 2016-2020

Het kabinet heeft op 28 september 2020 zijn oordeel over het functioneren van de raad aangeboden aan het parlement. De Kaderwet adviescolleges geeft aan dat de Rli elke vier jaar een evaluatie moet uitvoeren. Op 1 augustus 2020 eindigde de tweede zittingstermijn (2016-2020) van de raad. De KWINKgroep heeft in opdracht van de Rli een onafhankelijke evaluatie uitgevoerd. Samen met een brief waarin de raad verantwoording aflegt aan regering en parlement en aangeeft hoe hij om wil gaan met de bevindingen van de KWINKgroep is het evaluatierapport eind mei aan het kabinet gestuurd.

Het kabinet onderschrijft het algemene positieve oordeel dat KWINK in zijn evaluatierapport geeft over het functioneren van de raad. De evaluatie en de kabinetsreactie bieden de raad de gelegenheid om zijn eigen functioneren in de komende raadsperiode (2020-2024) verder te verbeteren.


De kabinetsreactie gaat in op:

  • Het functioneren van de raad
  • De totstandkoming van het werkprogramma
  • Het onderscheid tussen gevraagde en ongevraagde adviezen
  • De doorwerking, -directe- toepasbaarheid en het strategisch karakter van adviezen
  • De in de evaluatie geconstateerde defensieve grondtoon van de kabinetsreacties op adviezen


Conclusies

  • Het algemene oordeel over het functioneren van de raad is positief
  • De Rli levert met heldere, richtinggevende en agenderende adviezen voeding aan het politiek-maatschappelijk debat
  • Het kabinet steunt de inzet van junior-raadsleden door de Rli
  • Het kabinet steunt de ingezette richting van de raad om het burgerperspectief te betrekken in zijn advisering
  • Er is waardering voor de over het algemeen goede afstemming tussen de raad en de betrokken departementen
  • Voor wat betreft doorwerking ziet het kabinet dat de raad een mooi evenwicht gevonden heeft in de mate waarin aandacht gevraagd wordt voor adviezen
  • De door KWINK vastgestelde defensieve grondtoon in kabinetsreacties wordt door het kabinet ter harte genomen
  • De kabinetsreactie bevat ook enkele aandachtspunten
  • Het kabinet herkent de constatering van KWINK dat niet alle kennis vertegenwoordigd is in de raad en benadrukt dat waar specifieke kennis ontbreekt het essentieel is om het hiaat te herkennen en deze kennis vervolgens van buiten aan te vullen
  • Het kabinet moedigt de Rli aan om op zoek te gaan naar mogelijkheden om de aansluiting bij de dagelijkse beleidspraktijk te versterken en daarmee de balans te blijven zoeken tussen de langetermijndoorwerking en de toepasbaarheid van aanbevelingen op de korte termijn


Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Bas Waterhout, projectleider, bas.waterhout@rli.nl

Lees meerover de Kaderwet adviescolleges

Publicatie bestand: 
Te bestellen: 
nee
kaft van rapport met titel Evaluatie Rli 2016-2020 door KWINKgroep
Raad: 
sitecontent: 

Toegang tot de stad: hoe publieke voorzieningen, wonen en vervoer de sleutel voor burgers vormen

1 oktober 2020
Teasertekst: 
Steeds meer mensen kunnen onvoldoende deelnemen aan het stedelijk leven. Hoe kan gestuurd worden op het tegengaan van ongerechtvaardigde verschillen tussen groepen burgers?
Advies bestand: 
Adviesnummer: 
Rli 2020/06
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

Om toegang tot het stedelijk leven te hebben moet je in de nabijheid kunnen wonen, gebruik kunnen maken van publieke voorzieningen en je kunnen verplaatsen. Dat lukt steeds minder mensen. Wonen in de stad wordt steeds duurder, dat geldt zowel voor huur- als koopwoningen. Er is fors bezuinigd op publieke voorzieningen als zorg, bibliotheken, sport en welzijnscentra. En vervoer, om bijvoorbeeld naar werk, school of het ziekenhuis te gaan, is voor veel mensen te duur of tijdrovend. Hierdoor neemt de toegang tot de stad voor steeds meer mensen af.

Met dit advies wil de raad het vraagstuk van de toegankelijkheid van steden agenderen en manieren schetsen waarop de overheid kan waarborgen dat steden toegankelijk zijn en blijven voor iedereen.

Studenten bij In Holland Hoge School
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

Sleutelfuncties publieke voorzieningen, wonen en vervoer

Bij de toegankelijkheid van steden staan in dit advies drie functies in de leefomgeving centraal: de publieke voorzieningen, het wonen en het vervoer. Deze functies vormen een randvoorwaarde voor werk, scholing, zorg en ontmoeting en worden daarom door de raad sleutelfuncties genoemd.

Om te kunnen achterhalen aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de toegang van burgers tot de sleutelfuncties van de stad beter te waarborgen is het noodzakelijk om niet alleen te kijken vanuit het perspectief van de beleidsmakers, maar juist (en vooral) ook te kijken vanuit de perspectieven van de individuele burgers. Wat zijn hun beperkingen en mogelijkheden? Wordt er voldoende rekening gehouden met hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten en waar lopen zij tegen aan in hun omgeving? Het gaat om beschikbaarheid, betaalbaarheid en bereikbaarheid, maar bijvoorbeeld ook over de begrijpelijkheid van regels en digitale informatiesystemen. 

Steeds meer mensen in de knel

Voor drie groepen mensen wordt de stad ontoegankelijker. De eerste groep bestaat uit kwetsbare mensen met bijvoorbeeld een laag inkomen of een lichamelijke of geestelijke beperking. Daarnaast zijn er de ‘nieuwe kwetsbaren’: mensen met middeninkomens die wel zelfredzaam zijn, maar toch moeilijk toegang tot het stedelijke leven krijgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor flexwerkers die geen hypotheek kunnen krijgen en steeds hogere huren moeten betalen óf steeds langere reizen moeten maken om werk en gezin te combineren. De derde groep bestaat uit mensen die graag samen in de stad een initiatief willen ontplooien, maar die geen plek vinden of tegen allerlei regels aanlopen.

Aanbevelingen aan Rijk en gemeenten

De raad heeft een aantal aanbevelingen aan Rijk en gemeenten geformuleerd hoe -met meer oog voor de burger- kan worden gestuurd op de toegankelijkheid van steden.

1. Meer oog voor de burger via een toegankelijkheidstoets

De Rli pleit er voor dat zowel rijksoverheid als de gemeenten in hun beleid meer dan nu denken vanuit de positie van verschillende groepen mensen in de samenleving. Zij moeten zich de vraag stellen: wat is de invloed van onze plannen en beleid op de toegankelijkheid van de stad? Hoeveel geld en tijd moeten mensen hebben om deel te kunnen nemen aan het leven in de stad?  De raad stelt daarom voor om bij nieuw stedelijk beleid een ‘toegankelijkheids-toets’ uit te voeren.

2. Creëer ruimte voor initiatieven van burgers

Rijksoverheid en gemeenten zouden meer ruimte moeten bieden voor initiatieven van burgers die de toegang tot de stedelijke samenleving verbeteren. Dat kan door te experimenteren en regelruimte te bieden. Bij bouwinitiatieven kan de overheid helpen door bijvoorbeeld een garantiefonds op te zetten, door woningcorporaties meer ruimte te geven om coöperatieve groepen financieel te ondersteunen en door grond beschikbaar te stellen tegen passende grondprijzen.

3. Verbeter toegang tot alle drie de sleutelfuncties

Voor elk van de stedelijke sleutelfuncties is verbetering van de toegang nodig:

• Publieke voorzieningen: de Rli adviseert dat alle steden een ‘investeringsstrategie voor publieke voorzieningen’ opstellen, met aandacht voor de toegang van verschillende groepen burgers tot de stedelijke samenleving. Ook de rijksoverheid moet hier financieel aan bijdragen.

• Wonen: de Rli adviseert om de bestaande woningvoorraad beter te benutten onder meer door de voordeurdelerskorting op bijstandsuitkeringen aan te passen en door efficiënter ruimtegebruik in koop- en huurwoningen te faciliteren. Ook adviseert de raad om ongecontroleerde prijsstijgingen in de huursector tegen te gaan door de fiscale regelgeving voor particuliere verhuurders aan te passen.

• Vervoer: de Rli adviseert om als uitgangspunt van het vervoersbeleid in Nederland te kiezen dat alle burgers tegen redelijke kosten (in termen van geld, tijd en moeite) de gewenste vervoersbewegingen kunnen maken. Dat vertaalt zich in de doelstelling dat alle voorzieningen binnen vijftien minuten te voet, met de fiets of met het ov bereikbaar moeten zijn. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn die de nabijheid van voorzieningen en de fijnmazigheid van het mobiliteitsnetwerk verbeteren.

Publicatiedatum

Op 1 oktober 2020 heeft de raad zijn advies ‘Toegang tot de stad’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en minister Van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat.

Op 15 oktober 2020 vond de online presentatie plaats van het advies.

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Douwe Wielenga, projectleider, douwe.wielenga@rli.nl 

De mogelijkheden die burgers in Nederland hebben om deel te nemen aan de stedelijke samenleving nemen af doordat de toegang tot wonen, vervoer en publieke voorzieningen voor veel mensen is verminderd. Zo wordt wonen in de stad voor huurders alsmaar duurder terwijl ook koopwoningen voor grote groepen mensen steeds moeilijker te betalen zijn. Tegelijkertijd zijn publieke voorzieningen in steden verschraald, waardoor sommige groepen slecht toegang hebben tot relevante voorzieningen als zorg, een bibliotheek, sport of een welzijnscentrum. Ook ondervinden steeds meer mensen problemen met de verplaatsingen die zij binnen steden moeten maken om bijvoorbeeld naar hun werk- of onderwijslocatie te komen; het openbaar vervoer (ov) is duur, veel verbindingen zijn verslechterd, lang niet iedereen kan zich een auto veroorloven en fietsen is niet altijd een optie. De wens van mensen om in steden te leven blijft groeien vanwege de concentratie van werk, onderwijs en zorg. Om de toegang tot de stad voor een ieder te waarborgen, is het nodig om steeds opnieuw na te gaan of er voldoende rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers.

Een steeds grotere en diversere groep mensen komt hierdoor in de knel, zo constateert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in dit agenderende advies: niet alleen de traditioneel kwetsbaren (zoals mensen met een laag inkomen of een bijstandsuitkering, met een lichamelijke of geestelijke beperking, met beperkte digitale vaardigheden, met schulden en/of een klein sociaal netwerk), maar ook mensen met middeninkomens, flexwerkers en zzp’ers (zoals taxichauffeurs, zorgpersoneel en schoonmakers, maar ook journalisten, wetenschappelijk medewerkers, of accountmanagers).

Ongerechtvaardigde verschillen

De verminderde toegang van steden leidt tot ongelijkheid tussen groepen burgers. Ongelijkheid is niet altijd te vermijden, maar deze ongelijkheid raakt aan de toegankelijkheid en betaalbaarheid van wonen, vervoer en publieke voorzieningen. Deze sleutelfuncties heeft iedereen nodig om deel te kunnen nemen aan de stedelijke samenleving. De Rli constateert dat de toenemende verschillen tussen burgers in de stad ongerechtvaardigd zijn en verder toenemen bij ongewijzigd beleid.

Oorzaken van verminderde toegang tot de stad

De Rli schrijft de verminderde toegankelijkheid van steden toe aan verschillende oorzaken. Sommige oorzaken zijn het gevolg van bewust gemaakte keuzes door mensen en beleid; het vergt maatschappelijk debat of dergelijke keuzes nog passen in het huidige tijdsgewricht. Veel oorzaken zijn ook gelegen in de onbedoelde gevolgen van gemaakte keuzes. De raad noemt de volgende:

• het terugtreden van de overheid in combinatie met bezuinigingen waardoor een nadruk ontstaat op efficiency en het voorzieningenaanbod verschraalt;

• de sterke prijsstijgingen op de woningmarkt in zowel de huur- en koopsector, terwijl tegelijkertijd de inkomenszekerheid van veel huishoudens is afgenomen (als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt);

• onvoldoende oog voor de gevolgen van beleidskeuzes op het ene beleidsterrein voor andere beleidsterreinen, waardoor mensen in de knel komen;

• de dominantie van ‘oude waarden’ in het beleid (efficiency, zoveel mogelijk resultaat voor zo min mogelijk geld), waardoor ‘nieuwe waarden’, zoals ‘toegankelijkheid’, traag tot uitdrukking komen in beleid en besluitvorming van de overheid; en

• overschatting van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van burgers, onderschatting van de complexiteit van beleid en blinde vlekken in de inzichten en de informatie op grond waarvan het beleid wordt gemaakt.

Mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers

Om de toegang tot de stad voor een ieder te waarborgen, is het nodig om na te gaan of er voldoende rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers. Bestuurders, ambtenaren, ondernemers en andere organisaties die de stad mede vorm geven, zouden daar meer oog voor moeten hebben. De mogelijkheden en beperkingen van individuele burgers worden bepaald door hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten en door omgevingsfactoren: de fysieke omgeving (zoals de beschikbaarheid en betaalbaarheid van passende woonruimte, vervoer en publieke voorzieningen), de institutionele omgeving (wetten, regels en organisaties waartoe burgers zich moeten verhouden) en de sociaal-culturele omgeving (informele codes die ervoor zorgen dat iemand een plek, woonomgeving of vervoersmodaliteit wel of niet tot ‘zijn’ domein rekent).

Aanbevelingen aan Rijk en gemeenten

Meer oog hebben voor al dit soort factoren betekent concreet dat er aanpassingen in het beleid en de investeringen van de overheid noodzakelijk zijn. De Rli doet hiertoe enkele concrete aanbevelingen.

1. Toets beleid voor de leefomgeving op toegang tot de stedelijke samenleving

Bij beleidsmaatregelen die worden overwogen voor de leefomgeving zouden rijksoverheid en gemeenten moeten nagaan in hoeverre het beleid invloed heeft op het geld, de tijd en de moeite die het burgers kost om toegang te krijgen tot de stedelijke samenleving. Welke aannames worden gedaan en worden daarbij niet bepaalde groepen burgers over het hoofd gezien? Als de beleidskeuzes eenmaal zijn gemaakt is het van belang om periodiek te kijken naar de effecten: vallen er groepen buiten de boot?

Zo zou bijvoorbeeld bij ruimtelijke visies en grote ruimtelijke plannen (in het kader van de Omgevingswet) vooraf moeten worden getoetst hoe maatregelen met impact op publieke voorzieningen, wonen, vervoer of een combinatie daarvan, uitpakken voor burgers. Zo’n ‘toegankelijkheidstoets’ zou in de Omgevingswet kunnen worden verankerd.

2. Creëer ruimte voor initiatieven van burgers die de toegang verbeteren

Rijksoverheid en gemeenten zouden meer ruimte moeten bieden voor initiatieven van burgers die de toegang tot de stedelijke samenleving verbeteren. Dat kan door te experimenteren en regelruimte te bieden, waarbij rekening moet worden gehouden met verschillen in persoonlijke capaciteiten en omgevingsfactoren.

Bij bouwinitiatieven kan de overheid helpen door bijvoorbeeld een garantiefonds op te zetten, door woningcorporaties meer ruimte te geven om coöperatieve groepen financieel te ondersteunen en door grond beschikbaar te stellen tegen passende grondprijzen. De Rli adviseert gemeenten om een afwegingskader op te stellen met criteria en voorwaarden voor het ondersteunen van burgerinitiatieven.

3. Verbeter toegang tot alle drie de sleutelfuncties

Voor elk van de stedelijke sleutelfuncties is verbetering van de toegang nodig:

• Publieke voorzieningen: de Rli adviseert dat alle steden een ‘investeringsstrategie voor publieke voorzieningen’ opstellen, met aandacht voor de toegang van verschillende groepen burgers tot de stedelijke samenleving.

• Wonen: de Rli adviseert om de bestaande woningvoorraad beter te benutten (onder meer door de kostendelersnorm voor bijstandsuitkeringen aan te passen en door efficiënter ruimtegebruik in koop-en huurwoningen te faciliteren) en om de vrije huursector stabieler te maken (onder meer door te sturen op langdurige betrokkenheid van verhuurders en een gematigde huurprijsontwikkeling).

•Vervoer: de Rli adviseert om als uitgangspunt van het vervoersbeleid in Nederland te kiezen dat alle burgers tegen redelijke kosten (in termen van geld, tijd en moeite) de gewenste vervoersbewegingen kunnen maken. Dat vertaalt zich in de doelstelling dat voorzieningen binnen vijftien minuten te voet, met de fiets of met het ov bereikbaar moeten zijn. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn die de nabijheid van voorzieningen en de fijnmazigheid van het mobiliteitsnetwerk verbeteren.

 

Stop bodemdaling in veenweidegebieden: Het Groene Hart als voorbeeld

3 september 2020
Teasertekst: 
Bodemdaling leidt tot steeds meer problemen in veenweidegebieden. Welke keuzes moeten worden gemaakt om de negatieve effecten tegen te gaan?
Adviesnummer: 
Rli 2020/05
Te bestellen: 
ja

Aanleiding en adviesvraag

In landelijke veenweidegebied daalt de bodem. Dit komt voornamelijk doordat het waterpeil wordt verlaagd om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken. Verlaging van het waterpeil veroorzaakt veenoxidatie, waardoor de bodem daalt. Bodemdaling leidt tot steeds meer problemen, zoals CO2-uitstoot en teruggang in natuur- en waterkwaliteit. Bovendien leidt het tot oplopende kosten voor waterbeheer. Voortgaan op het pad van ontwatering, met aanhoudende bodemdaling en CO2-uitstoot tot gevolg, is op de lange termijn economisch, ecologisch en maatschappelijk onverantwoord. Met het oog op het tegengaan van de klimaatverandering en vermindering van CO2-uitstoot (ook uit veen) is terugdringing van bodemdaling zelfs onvermijdelijk. De adviesvraag luidt: welke keuzes moeten worden gemaakt om de negatieve effecten van bodemdaling in het landelijke veenweidegebied tegen te gaan en door wie?

De bodemdaling in veenweidegebieden wordt in dit advies besproken met het Groene Hart als voorbeeld. Veel van de bevindingen en conclusies uit het advies zijn echter ook van toepassing op veenweidegebieden buiten het Groene Hart.

Veenweidegebied Stolwijk Krimpenerwaard
Adviestype: 
Raad: 
sitecontent: 

Toelichting

De neergaande spiraal van peilverlaging, veenoxidatie en bodemdaling moet volgens de raad worden doorbroken. Om bodemdaling tegen te gaan, is een omslag nodig in het waterbeheer van veenweidegebieden: van peilverlaging naar peilverhoging. De rijksoverheid moet gericht op deze omslag sturen. Dat gebeurt nu onvoldoende. De aanbevelingen luiden als volgt:

Nationaal beleidskader en landelijke doelen voor vermindering bodemdaling

De raad adviseert om 50% bodemdalingsreductie verplicht te stellen voor 2030, en voor 2050 een streefdoel van 70% bodemdalingsreductie. Deze doelen vloeien rechtstreeks voort uit de verplichtingen in de Klimaatwet. De raad vindt dat de doelen onderdeel moeten zijn van een op te stellen nationaal beleidskader bodemdaling in de Nationale Omgevingsvisie, en wettelijk vastgelegd moeten worden in regelgeving op grond van de Omgevingswet. In 2030 kan nader worden bezien of het streefdoel voor 2050 bijstelling behoeft en welke instrumenten nodig zijn om dat doel te bereiken.

Gebiedsgerichte uitvoering

Voor de uitvoering van het bodemdalingsbeleid pleit de raad voor een regionale gebiedsgerichte aanpak. Provincies moeten in overleg met belanghebbende partijen zoneringskaarten opstellen met een prioritering van gebieden. De daadwerkelijke uitvoering kan het beste plaatsvinden in de gebieden zelf. Daarom stelt de raad voor om regionale uitvoeringstafels in te stellen. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij bestaande samenwerkingsinitiatieven. Natuurlijk dienen de waterschappen een belangrijke rol te spelen bij deze uitvoering.

Financiering van de omslag

Voor de boeren in de veenweidegebieden kan de stijging van het waterpeil ingrijpende gevolgen hebben: die leidt immers tot ‘vernatting’ van hun percelen. In veel gevallen zullen zij hun bedrijfsvoering daarop moeten aanpassen, bijvoorbeeld door extensivering, met minder vee per hectare en/of andere teelten. Zij moeten daarbij door de overheid worden ondersteund, financieel en met kennis. De raad adviseert om een financierings­systeem op te zetten waarin agrariërs, bijvoorbeeld door bedrijven, kunnen worden betaald voor de CO2-reductie die zij realiseren bovenop de huidige klimaatafspraken voor veen­weidegebieden. Verder adviseert de raad om een omschakelings­premie voor boeren beschik­baar te stellen en te zorgen voor uitvoerings­budget voor de her­inrichting van veenweidegebieden.

Investeren in een kennisbasis, monitoring en voorlichting

Tot slot mag een solide kennisbasis bodemdaling niet ontbreken. De raad adviseert de rijksoverheid daarom te blijven investeren in onderzoek naar bodemdaling en een nationale informatievoorziening op te zetten. Voor het monitoren van de landelijke doelstelling voor bodemdalingsreductie is daarnaast een landelijk meetnetwerk nodig. Verder vindt de raad het van belang dat het Rijk een informatiepunt instelt waar agrariërs voorlichting en advies kunnen krijgen over omschakeling naar een andere bedrijfsvoering.

Onderzoeksrapport

Ter voorbereiding van het advies heeft de raad een onderzoek laten uitvoeren naar vernatting van het Groene Hart, in relatie tot de kostprijs van melk en de CO2-prijs. Het onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Economic Research (Daatselaar & Prins, 2020). Het eindrapport van WEcR is hier te downloaden (pdf).

Publicatiedatum

Op 3 september 2020 heeft de raad zijn advies ‘Stop bodemdaling in veenweidegebieden’ aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Meer informatie

Voor uw reactie of voor meer informatie kunt u contact opnemen met Lianne van Duinen, projectleider, Lianne.vanduinen@rli.nl

 

Al decennialang daalt in landelijke veenweidegebieden de bodem. Dit komt voornamelijk doordat de grond stelselmatig wordt ontwaterd om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken. De ontwatering zorgt ervoor dat het veen verdroogt en onder invloed van zuurstof oxideert oftewel ‘verbrandt’, waardoor de bodem daalt. Vervolgens wordt het waterpeil door de waterbeheerders verder verlaagd, zodat de landbouw kan worden voortgezet.

In dit advies stelt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli; hierna ‘de raad’) dat doorgaan met deze neergaande spiraal geen begaanbaar pad is:

a.  omdat ontwatering leidt tot een verminderde natuur- en waterkwaliteit, tot grotere veiligheidsrisico’s en lokaal ook tot verzilting en het ongecontroleerd naar boven komen van grondwater (opbarsting);

b.  omdat drooggelegd veen relatief veel CO2 uitstoot, terwijl de uitstoot van CO2 volgens het Klimaatakkoord van Parijs en de nationale Klimaatwet de komende dertig jaar juist sterk moet worden beperkt (voor Nederland met 95% ten opzichte van 1990);

c.   omdat bij ongewijzigd beleid de kosten voor het waterbeheer in veen-weidegebieden steeds hoger worden.

Kortom, voortgaan op het pad van ontwatering, met aanhoudende bodemdaling en CO2-uitstoot tot gevolg, is op de lange termijn economisch, ecologisch en maatschappelijk onverantwoord. Met het oog op de klimaatverplichtingen is terugdringing van de bodemdaling zelfs onvermijdelijk. Al zal bodemdaling niet helemaal tot nul gereduceerd kunnen worden (een klein deel wordt niet door mensen veroorzaakt en is moeilijk te voorkomen), het verminderen van bodemdaling leidt er toe dat de nadelen zich over een periode van eeuwen in plaats van decennia manifesteren, waardoor de schade en overlast door bodemdaling beter opgevangen kunnen worden. Dat is voor de raad aanleiding om te pleiten voor afstappen van het pad van voortgaande peilverlaging in veenweidegebieden.

Omslag nodig: van peilverlaging naar peilverhoging

Om bodemdaling in veenweidegebieden tegen te gaan, moet het grondwaterpeil stijgen. Dat vergt een omslag in het denken. Maar zo’n omslag is niet van de ene op de andere dag gemaakt. Vooral voor agrariërs in veenweidegebieden kan stijging van het grondwaterpeil ingrijpende gevolgen hebben: het leidt tot ‘vernatting’ van hun percelen. In veel gevallen zullen zij hun bedrijfsvoering daarop moeten aanpassen, bijvoorbeeld door extensivering met minder vee per hectare en meer land en/of andere teelten. Dat is geen geringe stap. Uit verschillende proeven blijkt dat boeren op veen bij een hoger waterpeil mogelijk is, in aangepaste vorm. Het is bovendien nodig voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap. Voor een rendabele bedrijfsvoering moeten wel de randvoorwaarden in orde zijn, zoals de beschikbaarheid van een afzetmarkt (voor bijvoorbeeld regionale producten) en structurele vergoedingen voor bijvoorbeeld diensten van natuurbeheer. Gezien de grote gevolgen die het remmen van bodemdaling heeft voor agrariërs, vindt de raad dat deze groep door de overheid (financieel en anderszins) moet worden geholpen om de transitie te maken.

Er wordt op basis van interbestuurlijke programma’s en regionale afspraken her en der al gewerkt aan een omslag in veenweidegebieden. Toch blijft grootschalige uitvoering van een aanpak van bodemdaling vaak nog achterwege. Ingrijpende beslissingen schuift men liever voor zich uit. Pilots schalen niet verder op. Op lokaal niveau vinden partijen telkens opnieuw het wiel uit. De raad dringt er daarom bij het Rijk op aan om zo snel mogelijk te gaan sturen op een sterke afname van de bodemdaling in veenweidegebieden.

Streefdoel 70% minder bodemdaling in 2050, tussendoel 50% in 2030

Effectieve sturing op het remmen van bodemdaling vereist duidelijke doelstellingen. De raad adviseert het Rijk om een nationaal beleidskader op te stellen met een concreet doel voor het verminderen van bodemdaling in landelijke veenweidegebieden. Die doelstelling leidt de raad af uit de verplichtingen in de Klimaatwet: CO2-reductie in veenweidegebieden van 95% is dus het uitgangspunt. Dit vergt een vermindering van de bodemdaling met 70%, te bereiken in 2050. Omdat de mogelijkheden voor rendabele agrarische activiteit bij hoge waterpeilen (20 cm onder maaiveld) nog niet vaststaan, zou deze 70% als streefdoel moeten worden vastgelegd in de regelgeving op grond van de Omgevingswet. In 2030 kan dan worden beoordeeld of dit doel haalbaar is en kan het wettelijk als hard doel worden vastgelegd. Bovendien moet er bij de toepassing van dit streefdoel ruimte blijven voor lokale verschillen. Op plekken waar de bodemdaling gering is (bijvoorbeeld doordat de veenlaag dun is) zou 70% reductie van de bodemdaling immers een onevenredige inspanning vergen. Daarom geldt de doelstelling tot een bodemdaling van maximaal 3 mm per jaar is bereikt. De raad adviseert verder om voor de kortere termijn een tussendoel van 50% bodemdalingsreductie in 2030 wettelijk vast te leggen als harde norm. Daarmee wordt voor alle betrokken partijen duidelijk dat ze zich nú al moeten voorbereiden. Met het tussendoel zal naar verwachting worden voldaan aan de afspraak uit het nationale Klimaatakkoord van 1 megaton CO2-reductie in veenweidegebieden in 2030.

Het beleidskader moet naast de landelijke doelen volgens de raad concrete transitiepaden bevatten tot 2030 en 2050, zodat agrariërs en waterschappen tijd hebben om zich voor te bereiden en aanpassingen door te voeren. Ook moet het perspectief op bodemdaling voor de langere termijn, ná 2050, worden geschetst. Verder moet de rijksoverheid in het beleidskader de legenda opnemen voor (door de provincies op te stellen) zoneringskaarten, die een prioritering in de aanpak van de gebieden aangeeft. Om toe te zien op het behalen van het landelijke doel voor bodemdalingsreductie moet volgens de raad ten slotte een verantwoordelijk bewindspersoon voor bodemdaling worden aangewezen, die knopen kan doorhakken als dit op regionaal niveau niet gebeurt.

Regionale, gebiedsgerichte aanpak bij de uitvoering

De raad adviseert om voor de uitvoering van de bodemdalingsaanpak te werken met regionale ‘uitvoeringstafels’. Deze zouden zich moeten richten op voor lokale partijen overzienbare gebieden (in het Groene Hart bijvoorbeeld de Krimpenerwaard of Alblasserwaard). Bij de samenstelling van de uitvoerings-tafels zou waar mogelijk aansluiting moeten worden gezocht bij bestaande samenwerkingsinitiatieven. Uiteraard zullen ook provincies en waterschappen nauw betrokken zijn bij de uitvoering.

Meer duidelijkheid over kosten en baten, financiering van de omslag

De raad beveelt aan om de kosten en baten van bodemdaling duidelijker in beeld te brengen. Daar is nu nog onvoldoende inzicht in, in het bijzonder kwantitatief. Daarnaast adviseert de raad het Rijk om een financieringssysteem op te zetten waarin agrariërs, bijvoorbeeld door bedrijven, kunnen worden betaald voor de CO2-reductie die zij realiseren bovenop de huidige klimaatafspraken voor veenweidegebieden. Verder adviseert de raad om een omschakelingspremie voor boeren beschikbaar te stellen en te zorgen voor uitvoeringsbudget voor de herinrichting van veenweidegebieden. In 2030 kan nader worden bezien of het streefdoel voor 2050 bijstelling behoeft en welke instrumenten nodig zijn om dat doel te bereiken.

Investeren in een kennisbasis, monitoring en voorlichting

Tot slot mag een solide kennisbasis bodemdaling niet ontbreken. De raad adviseert de rijksoverheid daarom te blijven investeren in onderzoek naar bodemdaling en een nationale informatievoorziening op te zetten. Voor het monitoren van de landelijke doelstelling voor bodemdalingsreductie is daarnaast een landelijk meetnetwerk nodig. Verder vindt de raad het van belang dat het Rijk een informatiepunt instelt waar agrariërs voorlichting en advies kunnen krijgen over omschakeling naar een andere bedrijfsvoering.

Snel aan de slag om schade en kosten te beperken

De raad realiseert zich dat de hier bepleite aanpak van bodemdaling in veen-weidegebieden een grote impact kan hebben. Temeer daar er nog diverse andere grote opgaven in de veenweidegebieden zijn die aandacht vragen, zoals verbetering van natuur- en waterkwaliteit en vermindering van stikstofuitstoot. De aanpak van bodemdaling biedt de kans om oplossingsrichtingen voor diverse opgaven te combineren. Als snel met de aanpak wordt begonnen, zal de economische schade voor ondernemers in het gebied kleiner zijn en zullen de maatschappelijke kosten lager uitvallen. Zo kunnen de negatieve gevolgen van bodemdaling worden beperkt.

Aanbeveling 1 – aan het Rijk:

Stuur gericht op afname van bodemdaling, stel hiertoe een streefdoel van 70% bodemdalingsreductie in landelijke veengebieden in 2050, en een tussendoel van 50% in 2030, als onderdeel van een nationaal beleidskader bodemdaling.

Leg het streefdoel van 70% bodemdalingsreductie in 2050 en het tussendoel van 50% bodemdalingsreductie in 2030 wettelijk vast.

Stel een nationaal beleidskader bodemdaling op met:

  • transitiepaden naar 2030 en 2050;
  • perspectief voor de lange termijn;
  • legenda voor zoneringskaarten.

Wijs een verantwoordelijke bewindspersoon aan voor de landelijke doelstelling bodemdaling.

Aanbeveling 2 – aan regionale partijen:

Werk bij de uitvoering van de bodemdalingsaanpak gebiedsgericht samen, maar doe dit binnen het nationaal beleidskader.

Werk met regionale uitvoeringstafels.

Provincies: stel uitvoeringstafels in en pas bestaand grondinstrumentarium toe.

Waterschappen: benut expertise en anticipeer op een veranderende rol.

Aanbeveling 3 – aan het Rijk:

Breng kosten en baten in beeld, zet CO2-beprijzing in, stel een omschakelingspremie beschikbaar en financier herinrichting van veenweidegebieden.

Zorg voor zoveel mogelijk transparantie over de kosten en baten.

Zet CO2-beprijzing in zodat boeren betaald worden voor CO2-reductie bovenop klimaatafspraken.

Stel een omschakelingspremie beschikbaar voor agrariërs.

Stel uitvoeringsbudget beschikbaar voor herinrichting, met cofinanciering.

Aanbeveling 4 – aan het Rijk:

Zorg voor een solide kennisbasis bodemdaling; monitor bodemdaling met een meetnetwerk en faciliteer voorlichting aan boeren.

Blijf investeren in onderzoek naar bodemdaling en zet een nationale informatievoorziening op.

Zet in op een landelijk meetnetwerk bodemdaling voor monitoring van de doelrealisatie.

Faciliteer kennis en voorlichting aan boeren.

 

 

Groen uit de crisis

10 juli 2020
Teasertekst: 
In dit advies pleit de raad voor een groen herstel na de coronacrisis waarin de economie, de werkgelegenheid en een duurzame leefomgeving hand in hand gaan.
Advies bestand: 
Extra adviesbestanden: 
Adviesnummer: 
Rli 2020/04
Te bestellen: 
nee

Met zijn advies ‘Groen uit de crisis’ gaat de raad in op een belangrijk aspect van de te maken keuzes: de samenloop van het economisch herstelbeleid en de transitie naar een duurzame samenleving.

In de afgelopen vijf maanden heeft de komst van het coronavirus vrijwel van het ene op het andere moment verandering gebracht in onze manier van samenleven, onze waardering van wat belangrijk is in het leven en onze verwachtingen van de toekomst. Of dit blijvende veranderingen zijn of dat straks, als er een vaccin of medicijn is gevonden, veel weer terug naar het oude gaat, is nog onzeker. Volgens de raad is wel zeker dat er keuzes zijn te maken over hoe de economie er weer bovenop kan worden geholpen. Met zijn advies ‘Groen uit de crisis’ gaat de raad in op een belangrijk aspect van de te maken keuzes: de samenloop van het economisch herstelbeleid en de transitie naar een duurzame samenleving. De volgende vraag staat daarbij centraal:

Met welke investeringen of andere beleidsmaatregelen in de fysieke leefomgeving kan de overheid het economisch herstel op gang brengen en tegelijkertijd de transformatie naar een duurzame en vitale economie op de langere termijn structureel ondersteunen? 

In dit advies pleit de raad voor een groen herstel na de coronacrisis waarin de economie, de werkgelegenheid en een duurzame leefomgeving hand in hand gaan. Op dit moment is de verduurzaming van economie en leefomgeving volgens de raad nog onvoldoende onderdeel in de afwegingen over het herstelbeleid na de coronacrisis. De raad biedt in zijn briefadvies een beoordelingskader aan dat beleidsmakers en politieke partijen kan helpen bij het ontwerpen van groen herstelbeleid, bij het opstellen van verkiezingsprogramma’s en bij het maken van een volgend regeerakkoord. De raad doet tal van concrete suggesties voor groene herstelmaatregelen. De raad geeft ook aan dat het bij sommige beleidsthema’s verstandig is om een pas op de plaats te maken, omdat met de ervaringen in de afgelopen maanden onduidelijk is geworden of de ‘vertrouwde koers’ nog wel de beste is.

foto van stationstraverse met grote sticker op de grond met tekst 'Zorg voor elkaar, houd 1,5 m afstand'
Raad: 
sitecontent: 

Urgente opgaven in de leefomgeving

De energietransitie, de voedseltransitie, de transitie naar een circulaire economie en klimaatadaptatie blijven urgent, ook tijdens het herstel van de economie na COVID-19.
Deze onvermijdelijke verduurzamingsopgaven zullen net als COVID-19 de economie ingrijpend beïnvloeden, misschien nog ingrijpender. Het herstelbeleid kan daarom niet zonder een inspirerende visie van de overheid op de toekomst, waarin economische, ecologische en maatschappelijke doelen met elkaar worden verbonden op een manier die mensen en ondernemers uitnodigt en uitdaagt om samen de schouders eronder te zetten.

Mogelijkheden voor groen herstel

De raad noemt diverse mogelijkheden om groen uit de crisis te komen. Zo zal voortvarende uitvoering van het klimaatakkoord en de transitie naar een CO2-vrije economie onverkort prioriteit moeten krijgen in het overheidsbeleid. Maar de raad benadrukt dat een gezonde, veilige, vitale, toegankelijke en duurzame leefomgeving voor de inwoners van Nederland actie vergt op nog veel méér terreinen. Voor de volgende beleidsterreinen doet de raad suggesties voor groene herstelmaatregelen:

  1. Verduurzaming gebouwde omgeving
  2. Versnelling woningbouw
  3. Toekomstbestendige energie-infrastructuur
  4. Verduurzaming landelijk gebied
  5. Emissieloze mobiliteit
  6. Emissieloze lucht- en zeevaart
  7. Klimaatadaptatie

Datum van publicatie

Op 10 juli 2020 heeft de raad het advies uitgebracht, het advies is aangeboden aan de ministers en staatssecretarissen van IenW, EZK, LNV en BZK.

Meer informatie

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met projectleider Bart Swanenvleugel; bart.swanenvleugel@rli.nl, 0652012691.

 

Magazine Week van Verbindend Verduurzamen

De conferentie bracht uiteenlopende partijen bij elkaar, van overheden en kennisinstellingen tot maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven. De week leverde een veelheid aan ideeën en inzichten op over hoe verbinding en verduurzaming gelijk op kunnen lopen. Over je – soms letterlijk – verplaatsen in het standpunt van een ander. Over de kunst van het respectvol afscheid nemen. Over de rol van het ‘milde midden’ als brug in het maatschappelijk debat. Over kennis ten dienste van een gesprek over waarden. Over de tijd die nodig is om verbinding te maken. Over de waarde van emoties.

Om de veelheid aan invalshoeken, inzichten en ideeën vast te houden is de week samengevat in een digitaal magazine. Hier treft u de verslagen van de themasessies en het webinar, links naar de inleidingen, de keynote, cartoons, een podcast, achtergrondrapporten, filmpjes en meer.

De raad hoopt dat de inzichten uit de conferentie helpen bij het verder verduurzamen van de samenleving op een manier die ervoor zorgt dat iedereen zijn plek in de duurzame samenleving kan vinden.

Voor meer informatie over de Week van Verbindend Verduurzamen kunt u contact opnemen met projectleider Luc Boot, luc.boot@rli.nl

 

Te bestellen: 
nee
Kaft van het magazine met een screenshot van de deelnemers online en de titel Week van Verbindend Verduurzamen
Raad: 
sitecontent: